Gefascineerd door de verdwijning van de door mij verwaarloosde buurvrouw

Opeens besefte journalist Marjon Bolwijn dat ze haar oude buurvrouw wel héél lang niet had gezien. Wat ongemakkelijk ging ze op onderzoek.

null Beeld Eddo Hartmann
Beeld Eddo Hartmann

Wat doet die blondine op het platje van mijn hoogbejaarde buurvrouw? Voor het eerst in twintig jaar zie ik daar vanaf mijn terras geen kleine, kromgebogen grijze dame rondscharrelen, maar een vreemde. 'Is er iets met de buurvrouw?', roep ik bezorgd. Ik heb haar al maanden niet gezien en kennelijk is het geen moment in mij opgekomen poolshoogte te nemen. Eerlijk gezegd heb ik in twintig jaar nabuurschap nauwelijks naar haar omgekeken. Natuurlijk zag ik dat ze moeilijker ging lopen. En dat ze altijd alleen over straat ging. Telkens was er een door mij hoogstpersoonlijk goedgekeurde smoes het vandaag weer te laten bij een vriendelijke groet, om vervolgens gehaast mijn portiek in te duiken. En nu is het vast te laat nog iets te betekenen. 'Haar huis staat te koop, kom maar kijken', zegt de blonde vrouw.

Binnen twee minuten sta ik nieuwsgierig voor de deur van het laatste huis in de straat met een spionnetje, een uitstekend spiegeltje, naast het raam. 'Hemes' staat op het vale naambordje bij de deurbel. Hoe ongemakkelijk is het om het huis te betreden van een buurvrouw die mij nooit in haar domein heeft uitgenodigd en wier naam ik niet eens kende. Terwijl ik op de bel druk, bedenk ik dat de kleine vrouw wel weken, nee maanden dood op haar koude badkamertegels heeft kunnen liggen. Elke tien dagen vindt de GGD in en rond Amsterdam immers een levenloos lichaam dat al twee weken of langer onopgemerkt in een woning ligt. Ach nee, mevrouw Hemes is vast verhuisd naar een comfortabele serviceflat.

Tijdmachine

De deur klikt open. Bovenaan de steile trap - wat een klim voor een oude dame - staat de blondine. Ze blijkt makelaar en heeft de opdracht gekregen het huis na bijna honderd jaar familiebezit te verkopen. Bij de eerste stap in de woonkamer is het alsof een tijdmachine ons honderd jaar terug in de tijd heeft geslingerd. De ruimte staat vol meubelen uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Op de buffetkast prijkt een verbleekte zwart-witfoto van een kersvers bruidspaar. Wanneer zou die genomen zijn, eind 19de eeuw? Aan de muur een afbeelding van het 'Nationaldenkmal Niederwald' anno 1883 en een bordje uit 1945 met de juichkreet 'Nederland zal herrijzen'. Langs de ramen hangen bejaarde overgordijnen. Het bollende plafond lijkt elk moment in te kunnen storten. Op het zachte bordeauxrode tapijt in de achterkamer staat een antieke Wertheimtrapnaaimachine. In het simpele keukentje valt mijn oog op een voorraadkast met op de porseleinen laatjes in sierlijke letters geschreven: 'versche eieren', 'havermout' en 'kaneel'. Via een smal trapje komen we op zolder. De twee kleine slaapkamers worden gevuld met grote houten ledikanten. En ook hier wijzen, net als op de eerste verdieping, grote kruisbeelden indringend op de zondigheid van de mens.

'Mevrouw Hemes heeft haar hele leven in dit huis gewoond. Haar vader kwam begin vorige eeuw als arbeidsmigrant uit Duitsland naar Amsterdam', vertelt de makelaar. Of ze is verhuisd of overleden, weet ze niet. Gefascineerd door het interieur en snakkend naar uitsluitsel over een mogelijk even luguber als tragisch lot van een door mij verwaarloosde buurvrouw, besluit ik op onderzoek uit te gaan. Wie is of wás mijn buurvrouw, was ze zo eenzaam als ze leek en ben ik inderdaad ernstig tekort geschoten?

null Beeld Eddo Hartmann
Beeld Eddo Hartmann

Grijze muis

Slechts één keer in de afgelopen twintig jaar hebben we elkaar gesproken.

Twee jaar geleden loopt ze op een doordeweekse dag in het voorjaar over de stoep naar haar woning. Klein van stuk, kort vlassig haar, een rommelig gebit, voorover gebogen en zoals altijd gekleed in grijze en beige tinten: rok, blouse, colbert, jas, platte schoenen. Een onopvallende verschijning. Een grijze muis. Ze houdt halt voor haar deur, een gevulde boodschappentas in de hand. Dit is het moment, doe nou eindelijk iets! 'Als ik een keer boodschappen voor u kan doen', zeg ik, 'dan belt u maar aan.' Met het hoofd schuin omhoog neemt de buurvrouw mij eens rustig op. 'Dat is vriendelijk, maar ik red mij wel. Wie bent u eigenlijk?'

En daar zal het bij blijven.

'Greetje was de laatste jaren aan het dementeren', vertelt haar 93-jarige kwieke en charmante zus Lies in haar ruime flat in de buurt van Arnhem. Gezien haar leeftijd is zij het eerste logische familielid om de zoektocht mee te beginnen. De makelaar heeft het contact gelegd. Hoe verward het brein van Greetje was, daar had de familie weinig zicht op. Tot zus Lies en haar dochter Sylvia de verstokte vrijgezel in november vorig jaar verrasten met een logeerpartij. Ze zagen dat de altijd zo geordende Greetje om de haverklap iets kwijt was. De wasdroger puilde uit met plastic tassen vol vuil, stinkend wasgoed. Ze kon zich niet meer herinneren wat er vijf minuten daarvoor was gezegd of gebeurd. Een medisch onderzoek gaf de diagnose: dementie. Lies en Sylvia waren er snel uit: Greetje moet naar een verpleeghuis. Maar de 87-jarige piekerde er niet over haar woning te verlaten. Dit was het huis waar ze is geboren en een leven lang haar veilige, teruggetrokken bestaan leidde - eerst samen met haar moeder en sinds haar dood, in haar eentje. Een geliefde heeft ze nooit gehad. Als iemand daar voorzichtig naar viste, zei Greetje afwerend: 'Oeh, een man, oeh.'

null Beeld Eddo Hartmann
Beeld Eddo Hartmann

Het gelukkigst was ze de jaren dat haar vader nog leefde en op de begane grond van hun woning zijn reparatiebedrijf voor drukpersen van de Duitse firma Johannisberg runde. Vader Jacob boerde goed en was de gangmaker in huis. Wekelijks ging het gezin naar de revue in de Stadsschouwburg en als enige in de straat kende het huis de luxe van een badkuip en centrale verwarming. Vader zag in zijn geboorteland met afgrijzen de opkomst van het nationaalsocialisme met Adolf Hitler aan, en vroeg de Nederlandse nationaliteit aan. Een jaar nadat het gezin de felbegeerde naturalisatiepapieren had ontvangen, stierf Jacob Hemes onverwacht. Zes weken later, in september 1939, viel Hitler Polen binnen. Op de drukpersen die Jacob monteerde en repareerde, zouden korte tijd later Nederlandse verzetsbladen worden gedrukt.

Zouden het die voor het gezin Hemes voorspoedige en vrolijke jaren twintig en dertig zijn geweest waardoor het huis van Greetje altijd de sfeer van die tijd is blijven ademen? Nooit heeft ze ook maar iets aan het interieur willen veranderen, vertelt zus Lies. De meubels, de familiefoto's, de snuisterijen op de schoorsteenmantel, de overgordijnen, de piano, het bad op pootjes, de bedden. Alles bleef op zijn plek. Ook toen hun moeder in 1982 overleed en sommige familieleden verlangden naar een tastbare herinnering uit de woning, moest van Greetje alles onaangeroerd blijven. Zelfs de vluchtkoffer, die moeder en dochters tijdens de Tweede Wereldoorlog bij een luchtalarm meenamen naar een onderduikadres, is altijd in de achterkamer blijven staan. Bij het leegruimen van de volgepakte woning vonden de nabestaanden ook een brandkast vol oude documenten, waaronder handgeschreven bankafschriften uit de jaren dertig, brieven van Duitse familieleden uit die tijd, de 'Militärpaß' van vader Jacob Hemes en notarisakten van de eerste bewoners van het huis uit begin 17de eeuw.

Nooit één somber woord

Hulpeloos en eenzaam was mijn oude buurvrouw niet geweest. Iedereen in de familie bekommerde zich om tante Greetje, vertelt haar Amsterdamse nicht Titia. Ze wekte de indruk het prima naar haar zin te hebben in haar uppie. Wekelijks hingen familieleden aan de lijn, maar nooit kwam er één somber woord uit Greetjes mond. 'Ik vond haar eenzaam, maar daar dacht ze zelf anders over', zegt zus Lies. Titia's moeder Hanni (91), de (onlangs overleden) middelste van de drie zussen Hemes, vertelt dat Greetje in hun jeugd het 'zwakke zusje' was. 'Te vroeg geboren en met een broze gezondheid moesten we voorzichtig zijn met haar. Moeder was altijd met haar bezig. Die zorgzaamheid is gebleven.'

Na de dood van haar man probeerde moeder Hemes het bedrijf van haar man voort te zetten. Maar ook in Nederland brak de oorlog uit. Werknemers vertrokken en het ooit florerende bedrijf ging ter ziele. Magere jaren braken aan, waarin de vier vrouwen zuinig leefden van de spaarcenten die Jacob had nagelaten. Zoals veel Amsterdammers in de oorlogsjaren leden ze regelmatig honger. Als er niets te eten was, stapte oudste zus Lies op de fiets met houten banden. Op het platteland ruilde ze kleding van haar vader voor voedsel. 'Jij hebt mijn leven gered', bleef Greetje haar zus een leven lang zeggen.

null Beeld Eddo Hartmann
Beeld Eddo Hartmann

Hoewel het gezin al voor de oorlog in de buurt bekendstond als uitgesproken anti-nationaalsocialistisch, werd de moeder van Greetje met haar zware Duitse accent tijdens de bezettingsjaren wantrouwend bekeken. Aan welke kant stond zij? Het versterkte haar behoefte teruggetrokken te leven. Zodra de meisjes een mulo-diploma op zak hadden, gingen ze op zoek naar een baan. Greetje ging naar kantoor. De inkomsten waren voor de huishoudpot.

Toen haar twee grote zussen na de oorlog trouwden en het ouderlijk huis verlieten, moest Greetje haar moeder beloven altijd thuis te blijven wonen om voor haar te zorgen. En dat deed ze. Moeder en dochter leefden bijna veertig jaar lang in symbiose, als een echtpaar. Ze sliepen samen op de achterkamer op de tweede verdieping. Buiten kantoortijden was Greetje altijd thuis bij haar moeder.

'Ga toch je eigen leven leiden', adviseerde oudste zus Lies wel eens. Maar Greetje vond het wel makkelijk zo. Als ze uit haar werk thuiskwam, stond het eten klaar: stoofvlees met groente en Klöße, Duitse aardappelbollen. Het overige deel van het huishouden kwam voor Greetjes rekening. Haar zussen noemden haar extreem proper, een pietje-precies, die altijd aan het poetsen was. 'Waste iemand voor haar af, dan deed ze het daarna nog eens over. Het kon haar niet schoon genoeg zijn', aldus zus Lies.

Greetje hield vast aan de gewoonten waarmee ze was opgegroeid. Twee keer per week zilver poetsen. Elke week vier kilometer te voet op en neer naar het graf op begraafplaats Sint Barbara om eerst vader en daarna ook moeder te gedenken. En op zondag naar de mis in de katholieke kerk. Maar de kleine wereld om haar heen veranderde in de loop der jaren ingrijpend. De vertrouwde kapper, bakker, melkman, stoffeerder, sigarenwinkel, stomerij en ijzerhandel: allemaal verdwenen ze uit de straat. Voor haar dagelijkse boodschappen moest ze uitwijken naar de schaarser wordende middenstanders in omliggende straten. Haar leven lang zag ze nooit een supermarkt van binnen.

Non

Ook de katholieke kerk om de hoek verloor zijn functie. De kerk waar ze de laatste jaren kwam, bestond vooral uit Surinaamse en Antilliaanse leden. Stilletjes schoof ze op zondagochtend in de achterste bank. In de nabije Jordaan, met z'n dure appartementen en hippe winkeltjes, kwam ze liever niet. In haar jeugd was het een vervuilde achterstandsbuurt, en in haar hoofd was dat zo gebleven. Eigenlijk, zegt nicht Sylvia uit Canada, was Greetje een non. 'Diepgelovig, goedhartig en teruggetrokken levend in haar eigen kleine, kalme wereld. Alleen, maar niet eenzaam.'

Toch blijft de vraag knagen of er de laatste, wat warrige jaren van Greetje Hemes iemand uit de buurt naar haar omkeek. Is mijn gevoel nalatig te zijn geweest op zijn plaats? Had ze burenhulp nodig gehad bij het beklimmen van die steile trap met haar boodschappentas of het vervangen van een peertje in de badkamer? Een rondje langs buren moet opheldering geven. En zo spreek ik opeens allerlei straatgenoten die ik alleen van gezicht ken. De een na de ander blijkt haar dood niet te hebben opgemerkt, en vertelt dat zonder een spoor van de gêne die ik voel. Een 77-jarige man met de sticker 'camera bewaking' op zijn voordeur, vertelt al zeventig jaar in de straat te wonen. 'Oh, is ze overleden. Ik heb haar nooit gesproken. Ik bemoei mij met niemand.'

null Beeld Eddo Hartmann
Beeld Eddo Hartmann

Alleen de vrouw pal tegenover Greetjes huis en haar buurman ter linkerzijde blijken van haar heengaan te weten. Beiden maakten vaak op straat een praatje met haar en hielden een oogje in het zeil.

De overbuurvrouw weet dat ze wekelijks naar een gymclub ging, dat ze thuiszorg had en dat de groenteboer een straat verderop boodschappen aan huis bezorgde.

Bij mevrouw Hemes thuis was het altijd zomer. Groenteverkoper Dyon voelde elke keer als hij de steile trap van mevrouw Hemes besteeg een hittewalm op zich afkomen. 'Haar elektrische kachels brandden het hele jaar', weet hij te vertellen over de vele keren dat hij haar boodschappen aan huis bezorgde. Een dienst die het familiebedrijfje haar al ruim dertig jaar bewees. De laatste jaren steeds vaker. Om hulp vragen deed Greetje makkelijk. Of Dyon even de deksel van de jampot kon opendraaien en meteen ook maar de dop van het melkpak. Als er een lampje stuk was of de bel het niet meer deed, klopte ze aan bij de fietsenmaker met zijn kale kleurrijk getatoeëerde hoofd, die zijn nering op de begane grond heeft. Geregeld hoorde hij getik en 'help, help!' Dan had de buuf zich buitengesloten op haar platje en kon hij haar komen bevrijden. Dat deed hij graag, want ze was een 'aardige en goudeerlijke vrouw'.

Warm bed

Aanspraak en hulptroepen had de buuf dus genoeg. Mijn hulp was helemaal niet nodig.

Zou mijn calvinistische schuldgevoel dan nog een vruchtbare bodem vinden in de omstandigheden waaronder mijn buurvrouw stierf? Voor uitsluitsel moet ik bij Greetjes grote zus Lies zijn.

Het is zo gegaan.

Na de jaarwisseling zou de dementerende Greetje ondanks haar verzet echt naar een verpleeghuis moeten verhuizen. Maar eerst waren daar nog de Kerstdagen. Traditioneel bracht ze die door bij haar oudste zus Lies. Ze reisde met begeleid vervoer naar Arnhem. In de loop van dinsdag 23 december kwam ze daar doodmoe aan. De zussen kletsten wat, aten samen en dronken voor het slapen gaan nog een glas rode wijn. 'Tegen twaalven gingen we naar bed', vertelt Lies. 'Slaap maar lekker uit', zei ze voordat haar zusje de deur van de logeerkamer achter zich dicht trok.

De volgende ochtend om half tien had het Lies lang genoeg geduurd. Ze klopte op de slaapkamerdeur. Het bleef stil. Een kwartier later klopte ze nog een keer, iets harder nu. Omdat ze weer geen reactie kreeg, besloot Lies om het hoekje te kijken. Haar zusje lag met gesloten ogen in bed. Terwijl ze zachtjes weg sloop, keek Lies nog even om. Het voelde raar, anders dan anders. Ze keek naar haar borst, zette een stap dichterbij, keek geconcentreerder. Greetje ademde niet meer.

Op de dag dat ik de blondine op het platje vroeg of er iets met de buurvrouw was, was ze al een half jaar dood. Niks koude badkamervloer, maar een warm bed in het huis van haar grote zus.

Ik hoor de opluchting in mijn stem als ik Lies zeg dat haar zusje gelukkig niet moederziel alleen in haar eigen huis is overleden. In een buurt waar dat niet meteen zou zijn opgemerkt. De dokter die de lijkschouwing deed, had Lies al getroost. 'Bij u voelde Greetje zich veilig. Ze dacht: laat ik hier maar sterven.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden