Geestig in mineur

De Nederlandse pianiste Ida Rosenheimer overleefde het concentratiekamp Theresienstadt en schreef daarna als Ida Simons de schitterende roman Een dwaze maagd. Ten onrechte vergeten, nu opnieuw ontdekt.

Ida Simons: Een dwaze maagd

*****


Cossee; 206 pagina's; euro 19,90.


Op een lenteavond in 1931 maakt een jonge pianiste haar debuut in Diligentia, de concertzaal aan het Lange Voorhout in Den Haag. Naar het optreden van de 'jeugdige kunstenares' is uitgekeken: 'de roep die van haar spel uitgaat, reikt tot ver over de grenzen', schrijft het Nieuw Israëlietisch Weekblad in een voorbeschouwing. 'Door haar bescheidenheid en buitengewone godsdienstzin, heeft zij ook in niet-Joodsche kringen veler hoogachting verworven.'


Daags na het concert publiceert het dagblad De Tijd een recensie van het optreden (ondertekend door een niet nader bekende 'B.') die zo hardvochtig is geformuleerd, dat het eerder een afrekening lijkt: 'Ida Rosenheimer is beslist nog een kind, zoodat wij niets meer behoeven te schrijven. Zij speelde onervaren, onmuzikaal, zonder eenige neiging naar reflexies, en met een onbeholpenheid, die medelijden opwekte. Neen, hierover schrijven gaat niet, dat was mis, totaal mis.'


Hoe het net 20-jarige talent die woorden te boven is gekomen, weten we niet. Maar als ze vier jaar later in de Kurzaal het tweede pianoconcert van Liszt speelt, hoort de criticus van De Telegraaf zowaar een 'kloeke pianiste', die het er 'kranig heeft afgebracht'. Hetzelfde jaar is ze de soliste in Schumanns pianoconcert in a mineur, onder de grote dirigent Bruno Walter in het Amsterdamse Concertgebouw. Ditmaal is de lof preciezer: 'Zij heeft een mooien aanslag, die in het lyrisch element excelleert', schrijft De Telegraaf, 'technisch was haar vertolking gaaf, uitermate correct en soepel.' Eén ding blijft volgens de krant te wensen over: haar toucher dient 'aan kracht te winnen'.


Kortom, Ida Rosenheimer gaat het eind jaren dertig niet slecht. Na haar studie bij Paul Loyonnet in Parijs en Jan Smeterlin in Londen lijkt een carrière buiten Nederland niet uitgesloten. Van huis uit heeft ze een internationale oriëntatie meegekregen. Ze is in 1911 geboren in Antwerpen als enig kind van een Duitse vader en een Nederlandse, in Londen geboren moeder, met wie ze in haar jonge jaren Engels spreekt. Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, vlucht het jonge gezin naar Scheveningen. Na een intermezzo in het broeierige Berlijn van de jaren twintig groeit Ida Rosenheimer verder op in Den Haag. Ze trouwt er in 1933 met de begaafde jurist David Simons en vier jaar later wordt hun enig kind geboren, Jan. De bevriende tekenaar Alfred Mazure, schepper van de stoere stripheld Dick Bos, maakt schetsen voor het geboortekaartje.


Eind jaren dertig treedt Ida Rosenheimer diverse malen op in Engeland, maar door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog moet ze haar carrière afbreken. Pas ver na de oorlog zal ze weer met succes van zich laten horen, maar dan onder een andere naam en in een andere discipline.


Als in 1942 de razzia's in Nederland hun hoogtepunt bereiken, weet het gezin Simons aan de deportatie naar de vernietigingskampen te ontkomen. Hun namen staan op de zogeheten lijst-Frederiks, een door secretaris-generaal K.J. Frederiks van Binnenlandse Zaken met goedkeuring van de Duitsers opgestelde lijst van 'verdienstelijke Joodse Nederlanders' die gespaard zullen worden - bis auf weiteres.


Ida wordt in december 1942 met man en kind geïnterneerd in Kasteel de Schaffelaar in Barneveld, een neogotisch bakbeest waar enkele honderden 'belangrijk' geachte Joden onder het mom van Duitse welwillendheid gevangen zitten. Eind september wordt de gehele 'Barneveldgroep' op transport gezet naar kamp Westerbork. Terwijl Jan met ernstige difterie in de ziekenbarak ligt, speelt zijn moeder tijdens 'Kammermusik Abende' voor medegevangenen. Met de violist Sam Tromp vertolkt ze werken van Mahler, Mendelssohn, Bloch en Anton Rubinstein - niet toevallig componisten die als Volljuden door de nazi's in de ban zijn gedaan.


Een jaar later, september 1944, worden moeder en kind gedeporteerd naar het Duitse 'modelkamp' Theresienstadt, samen met de eveneens uit Westerbork afkomstige harpiste Rosa Spier en de violisten Samuel Swaap, Sam Tromp en Herman Leydensdorff. De volwassenen moeten er tien uur per dag werken, de kinderen - zo herinnert Ida het zich later - 'zwerven er als straathondjes rond'.


Op 5 februari 1945 volgt een miraculeuze bevrijding. Op instigatie van SS-leider Heinrich Himmler wordt een groep gevangenen geruild voor vrachtwagens uit het neutrale Zwitserland. Rosa Spier, Samuel Swaap, Ida en Jan behoren tot de gelukkigen. De familie Simons kan in het Zwitserse Sankt Gallen op krachten komen en keert in de zomer terug naar bevrijd Nederland. 'Pa is nog mager, Ma is nog paffig van hongeroedeem, maar Jan zien er alweer best uit', schrijft Ida bij een foto voor het Haagse pension waar ze de eerste weken bivakkeren.


Al meteen in 1945 begint Ida Rosenheimer weer op te treden, samen met Samuel Swaap, de oud-eerste violist van het Concertgebouworkest en concertmeester van het Residentieorkest, die met haar in Barneveld en Theresienstadt zat. Ze onderneemt ook nog een tournee naar de Verenigde Staten, maar geleidelijk wordt duidelijk dat de kampjaren hun tol eisen. Het optreden valt haar zwaar, ze volgt een aantal rustkuren en moet ergens in deze tijd besloten hebben haar geluk voortaan te beproeven als schrijfster.


Bij wijze van vingeroefening publiceert ze in 1946 de dichtbundel Wrange oogst, onder het pseudoniem C.S. van Berchem. De opbrengst van de nauwelijks opgemerkte bundel bestemt ze voor het Rode Kruis. Onder hetzelfde pseudoniem volgt in 1956 Slijk en sterren, waarin het lange verhaal In memoriam Mizzi is opgenomen. Hierin verwerkt ze haar ervaringen in Theresienstadt, met een memorabele eerste zin: 'De waarheid moet maar eens gezegd: de kinderen vonden het leven in een kamp heerlijk.'


Maar ze vindt pas echt haar eigen stem in Een dwaze maagd, haar in 1959 verschenen eerste roman, die ze niet meer onder pseudoniem publiceert maar onder de auteursnaam Ida Simons. Een dwaze maagd behelst de losjes aaneengeregen herinneringen van een gevoelig, intelligent Joods meisje, een 'dwaze maagd', die opgroeit in Antwerpen, Den Haag en Berlijn. Ze droomt van een toekomst als concertpianiste, aanbidt haar oudere vriendin Lucie en krijgt in haar kleurrijke maar instabiele familie meer te verwerken dan goed voor haar is.


Dat laatste vent de schrijfster niet uit, maar maakt ze terloops voelbaar: 'Op zon- en feestdagen vochten mijn ouders als kat en hond. Hoewel ze anders redelijk met elkaar overweg konden, liep dat toch nogal op omdat joden met een dubbel stel feestdagen behept zijn.'


Onbetaalbaar is ook het portret waarmee de roman opent: 'Van jongsaf aan was ik eraan gewend mijn vader, ongeveer dagelijks, te horen zeggen, dat hij zijn medemensen ernstig benadeeld had omdat hij niet begrafenisondernemer geworden was. Naar zijn stellige overtuiging zou, onmiddellijk daarna, de bevolking van onze planeet louter uit onsterfelijken hebben bestaan. Hij was een sjlemiel en hij wist het.'


Net als Willem Elsschot vermengt Simons pijn, ontroering en ironie, in beknopte zinnen en gevatte typeringen (een barones oogt als 'een gepoederd pekineesje'), waarbij abrupte overgangen dwingen tot zorgvuldig lezen, omdat het belangrijkste misschien juist daar te vinden is. Een uitgekiende stijl, die je niet meteen verwacht van een beginnend romancière.


Een dwaze maagd wordt lovend ontvangen ('amusant en geestig, levendig en kernachtig', vindt de NRC, terwijl 'de grondtoon droef is, vol van deceptie als hoofdervaring van het leven'). Er volgen herdrukken en een Duitse vertaling (Die Stunde für Mitternacht), maar ondanks nog enkele latere heruitgaven en een aanprijzing in 2007 door Maarten 't Hart ('een van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur'), raakt Ida Simons nagenoeg vergeten.


Haar vroege, overwachte dood zal ermee te maken hebben. Ida Simons overlijdt kort na de verschijning van haar roman, op 27 juni 1960 in Den Haag. Ze is 49 jaar geworden.


Bij haar overlijden schrijft Kees Fens in De Tijd/ Maasbode: 'Bij het verschijnen van Een dwaze maagd was het [...] moeilijk aan een debuut te geloven. Zulke kwaliteiten vertoonde deze roman, die jammer genoeg nog steeds in kleine kring bekend is en zeker niet de waardering heeft gekregen die hem toekomt.' En: 'Ida Simons' debuut had grote verwachtingen gewekt. Dat die niet vervuld zullen worden, zal ieder die de betovering van een plotseling klinkende gave stem kent, met spijt, zo niet met droefheid vervullen.'


De Telegraaf resumeert in 1960: 'Mevrouw Simons was een zeer bescheiden vrouw. Zij liet weinig over zichzelf los en zij nam hoegenaamd geen deel aan het openbare literaire leven.' Een verklaring wellicht voor haar geringe reputatie, maar geen verontschuldiging voor de veronachtzaming van een uitzonderlijk talent.

HERUITGAVE

De heruitgave van Een dwaze maagd is een initiatief van uitgeefster Eva Cossée. Toen ze haar ouderlijk huis in Den Haag moest leegruimen, ontdekte ze in de kamers vol boekenkasten één boek dat ze nog kende uit haar jeugd. Ze vroeg zich af 'wat er over blijft van zo'n leeservaring van jaren terug', herlas het boek en raakte opnieuw onder de indruk van Simons' frisse, eigentijdse stijl en ironie. De nieuwe druk kreeg een nawoord van de neerlandica Mieke Tillema, die werkt aan een biografie van Simons.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden