Geen zin in schrijven staat gelijk aan geen zin in leven

Ik heb geen zin. Dat wil zeggen: ik heb in bijna alles zin, behalve in schrijven. Dan maak je maar zin, werd er vroeger tegen me gezegd. Dat ging over zoiets als huiswerk voor school maken, terwijl buiten je vriendjes voetbalden. Dus maakte je, na innerlijk tegengestribbel, zin. Als je er opgelucht mee klaar was, voetbalden de vriendjes niet meer. Je moest aan tafel en niet lang daarna naar bed. De volgende dag zou meer huiswerk brengen en zo zou het altijd doorgaan.

Schrijven is mijn huiswerk nu. Het verschil is dat ik me dit huiswerk zelf heb opgedragen en dat ik hoop dat het altijd zal doorgaan. Maar omdat ik het allemaal ongevraagd zelf heb bedacht, meen ik het recht te hebben een keertje geen zin te hebben.

Dat heb ik natuurlijk, maar het zit me niet lekker. Wat als dit geen zin hebben vandaag betekent dat ik nooit meer zin zal hebben, dit met het excuus 'heb ik niet genoeg geschreven'? Ik heb nooit genoeg geschreven. Ik sta nog maar aan het begin. Geen zin in schrijven staat gelijk aan geen zin in leven. Wat zou ik anders moeten? De hele dag degene die ik liefheb voor de voeten lopen. Vissen? Maar schrijven is vissen, geduldig vissen tot je beet hebt.

Eergisteren leverde ik een nieuwe bundel gedichten in bij mijn uitgeverij. Gisteren maakte ik plannen voor nieuw proza. Vandaag heb ik geen zin. Misschien ben ik gewoon woordmoe. Straks ga ik scrabbelen. Dan kan ik beter niet woordmoe zijn, wil ik winnen. En als ik verlies, mag het niet liggen aan gebrek aan woorden.

Om me opnieuw op te laden wend ik me tot de poëzie. Niet mijn eigen, want die ken ik. Het zou een herhaling van zetten zijn met grote kans op een patstelling - en daar bevind ik me nu al in. Nee, ik wend me tot de grote Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog, van wie onlangs de bundel Medeweten verscheen (Podium, 2015). Een en al vitaliteit, geen spoor van belachelijke woordmoeheid. Aanstelleritis. Door mijn schrijversader begint weer bloed te stromen.

'Bemind worden door een dichter' heet een gedicht waarin Krog vertelt over een ontmoeting op de Meir in Antwerpen met Veerle, de weduwe van Hugo Claus. Het begint zo:

'Net af van Meirstraat loop ek in Veerle vas / bruine hare, skewe mus, stewels, jas' ('Vlak bij de Meir loop ik Veerle tegen het lijf / bruin haar, scheve baret, laarzen, jas')

Het laatste gedeelte citeer ik in het Nederlands:

'en niemand weet dat zij ooit is besnuffeld / door goddelijke hersenen dat zij gerafeld / van passie uit haar lakens is getuimeld dat / zoveel geilheid in haar holtes is gedroomd / zoveel landschappen tussen haar benen open / gesnorkeld zijn dat elke dag elke dag op kon kantelen / gestuwd werd zij door / een begaafde onder de goden / nu is hij dood / ze heeft hem tot het einde toe bijgestaan / en loopt gewoon als gewoon mens tussen anderen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.