Geen wolkje aan de lucht

Eerst werd er vooral veel gestorven. Aan de Côte d'Azur verbleef je als je oud of ziek was. Daarna kwam het omslagpunt, en als vliegen naar de stroop kwamen ze richting Méditerranée....

WIE wel eens een voet heeft gezet op de Promenade des Anglais kan het zich niet voorstellen, maar anderhalve eeuw terug heette de Côte d'Azur geen Côte d'Azur, wat wil zeggen dat de Franse Middellandse-zeekust niet gold als bron van vertier. Nice was tot 1860 Italiaans en dus Nizza, en voor het overige was het landschap woest en ledig. De spaarzame vissershuizen keken niet naar het water, maar landinwaarts. De zee in zijn algemeenheid gold als noodzakelijk kwaad, en dat ging ook op voor de mediterrane variant. Zoals de historicus Alain Corbin het uitdrukte, 'in het Paradijs bestond geen zee'.

Voor 'touristen' - degenen die de klassieke 'Tour d'Italie' ondernamen - fungeerde de Franse Middellandse-zeekust als doorgangsplaats. De blijvers waren hoofdzakelijk ouden van dagen en tuberculoselijders. Nice en Menton stonden met hun milde winter-klimaat vooral bekend als plaatsen waar veel gestorven werd. 'Ze lijden, ze sterven, want dit verrukkelijke en lauwwarme land is óók het hospitaal van het wereldje en het fleurige kerkhof van de aristocratie', schreef Guy de Maupassant.

Lijden en sterven doet de welgestelde grijze golf er tot vandaag de dag. Maar niet langer in het treurige idee dat de Côte d'Azur uitsluitend dient als sanatorium. Halverwege de negentiende eeuw voltrok zich een radicale verandering in de beeldvorming. Tamelijk plotseling mocht de Middellandse Zee zich in een lyrisch enthousiasme gaan verheugen.

De schrijfster Georges Sand - in 1861 nog wel naar Toulon getogen om haar tyfus te bezweren - juichte over 'dit alles, zo pittoresk, zo hartverscheurend mooi, zo zacht, bruusk, suave, ruim en contrastrijk dat je je voorstellingsvermogen moet vullen met de gelukkigste kleuren.' Precies op dat omslagpunt begint de tentoonstelling Méditerranée, de Courbet à Matisse, in het Parijse Grand Palais. Ruim tachtig schilderijen omspannen zeventig jaar 'Méditerranée-beleving', te beginnen met Gustave Courbets Le bord de la mer à Palavas. Het was in 1854 dat voor het eerst een doek vol zee werd geschilderd, zonder nut of noodzaak, zonder speciaal onderwerp en zonder dat er andere zaken bijgesleept werden als bijvoorbeeld een verwijzing naar de antieken. Voor een grijsgroene zee staat een op bescheiden formaat afgebeelde man, die met z'n hoed een eresaluut brengt aan de einder. Courbet zal later zeggen dat de zee hem 'dezelfde emoties brengt als de liefde'.

Meer rechtvaardiging dan zo'n schilderij van Courbet plus uitleg is voor een Méditerranée-tentoonstelling niet nodig, zou je zeggen. 'Ik stelde me een genoeglijke, plezierige wandeling voor, langs een moment in de kunstgeschiedenis dat nog niet eerder is bestudeerd', schrijft samenstelster Françoise Cachin in de catalogus. 'Ik wilde laten zien hoe de Middellandse Zee met name voor schilders uit het noorden een openbaring was. En ik wilde wat verrassen met werk dat zelden in Parijs te zien is.'

Allemaal nobele doelen, en een plezierige wandeling is het zeker geworden. Toch werd het óók een rare tentoonstelling, al kon ik niet meteen benoemen waarom. Daar hangen Courbet en Picasso, broederlijk naast elkaar, Renoir, Monet, Signac, Bonnard, Derain en Matisse, tot Dali aan toe. Als vliegen naar de stroop kwamen ze richting Méditerranée. Stuk voor stuk juichten ze over het licht, de kleuren, het verpletterende blauw van zee en lucht. 'De artiesten die afstand hadden genomen van de academische schilderwijze zochten naar nieuwe uitdrukkingsmiddelen', schrijft Cachin in de catalogus. 'Ze experimenteerden in de Midi met kleuren en vormen die hun manier van schilderen zou vernieuwen: daarover gaat de tentoonstelling.'

Ik kuier overeenkomstig de opdracht van mevrouw Cachin door het Grand Palais, en zie inderdaad hoe elke schilder op zijn manier probeerde de overmacht aan licht en kleur te temmen. Monet maakte een reis van Marseille naar Genua, en schreef opgetogen: 'Ik ben in een sprookjesland terechtgekomen. Ik weet niet hoe ik moet kijken, alles is superbe en ik zou alles willen doen. Ik ga het gevecht aan met de zon. Wat een zon hier! Je zou hier met goud en juwelen moeten schilderen! Het is fantastisch... Het is geen gewoon blauw, rose, goud, maar goeie god, wat een moeilijkheid!'

Monet werkte vooral in Antibes. Cézanne deed dat in zijn geliefde havenplaatsje l'Estaque, om de hoek bij Marseille, waar hij bezoek kreeg van Renoir, óók al uitbundig over 'dit mooiste land van de wereld en bovendien nog nauwelijks bewoond... alleen maar wat vissers en bergen... dus geen muren, geen of bijna geen huizen.. alleen maar het platteland tot aan de voordeur.'

In 1891 besloot Signac terug te gaan naar het zuiden. 'Ik heb m'n buik vol van Bretagne', schreef hij. 'Teveel regen.' Hij ontdekte Saint Tropez. 'Geluk.' Daar trok hij zijn kunstbroeders Camoin, Marquet, Picabia, Matisse en Bonnard naartoe. Bonnard ging in 1927 naar Saint Tropez en zou er tot zijn dood blijven wonen. De neo-impressionisten, Bonnard, de Fauvisten, allemaal maakten ze hun reis naar de Midi die hen veranderde. 'En hun werk zal nooit meer hetzelfde zijn', schrijft Françoise Cachin in de inleiding.

Alle dagen feest in de Midi, is de boodschap. Behalve dan bij Vincent van Gogh, want zijn Visserschepen aan het strand is het enige werk waar de zon niet schijnt. En zoals de zon aan de Promenade des Anglais nooit ondergaat, zo valt in het Grand Palais na de historische inleiding waarin het zeegezicht van Courbet z'n plaats vindt, elke ontwikkeling weg. De relaties tussen de schilders, hun samenklonteringen, de vraag waarom de betovering van de Midi na 1920 weer ophield, allemaal kwesties die in de helblauwe lucht blijven hangen.

De ruim tachtig werken zijn ingedeeld in 'kusten', 'rotsen', 'mythologie', 'door de bomen gezien', 'stadsgezichten', 'havens, vissers, zeilen', 'overdaad' en 'uitzicht op zee'. Indelingen hebben altijd iets willekeurigs en voorlopigs, maar je kunt je in dit geval met recht afvragen wat 'de kunstgeschiedenis' uit Cachins inleiding opschiet met de naast elkaar geëtaleerde rotspartijen van Cézanne, Renoir en Monticelli plus het op de wand uitgeserveerde Picasso-citaat 'ik houd van armoedige en verlaten landschappen, van naakte rotsen'.

Matisse schilderde zijn hotelkamer in Nice met gesloten luiken, Dali beeldde een meisje af dat door een raam naar buiten kijkt. Maar wat hebben de twee werken gemeen, afgezien van 'het motief van het raam', zoals in de uitleg staat? Interessanter was geweest te laten zien hoe de Côte d'Azur zich gaandeweg ontwikkelde van woestenij tot strandgenoegen. Hoe de schilders samen met de toeristen de even heilzame als prikkelende werking van de zon - de zonnerevolutie - meemaakten, zodat het gebruikelijke wintertoerisme ruim baan maakte voor de zomervakantie. Wat het belang was van de spoorlijn die in 1856 Marseille bereikte, in 1864 Nice en in 1878 de Italiaanse kustplaats Ventimiglia. En hoe op de schilderijen de van top tot teen gejurkte dames met hun parasolletjes gaandeweg plaats maakten voor steeds spaarzamer geklede baadsters.

Om kort te gaan, je kunt moeilijk om de indruk heen dat mevrouw Cachin éérst een lijstje heeft gemaakt van haar favorieten, om er daarna een thema bij te flansen. Nu ik toch bezig ben: waarom eigenlijk de Middellandse Zee, terwijl Cachin zelf in haar inleiding schrijft dat veel schilders de zee al hadden ontdekt alvorens naar het zuiden af te reizen. Courbet bijvoorbeeld schilderde al in 1841 in Le Havre, terwijl Trouville en Etretat ook gekende schilderskolonies waren. De impressionisten bonden de strijd met hún licht aan in Parijs en omgeving, en veel minder aan de Côte d'Azur.

Er is genoeg moois te zien in het Grand Palais. Maar je kunt er óók naar kijken als naar een potje power play van de almachtige directrice van de Franse nationale musea, met 32 nationale musea onder zich en ruwweg duizend kleinere kunstinstellingen. Over een paar maanden gaat Françoise Cachin met emeritaat. Ze is zelf opgegroeid in Saint-Tropez, in het huis dat door grootvader, de schilder Paul Signac, in 1897 werd gekocht. Deze expositie is het afscheidscadeau dat ze zichzelf en het publiek aanbiedt. Met dat publiek komt het wel goed - elke tentoonstelling waar impressionisten en postimpressionisten hangen, is goed voor dikke rijen.

In de kunstkritiek zijn de meningen daarentegen verdeeld. 'Het beeld van een boerse, paradijselijke Middellandse-Zeekust dat nog altijd door ons hoofd spookt, dat beeld danken we aan Renoir, Monet, Matisse, Bonnard, Picasso', schreef de krant Le Figaro. 'Haast u naar het Grand Palais.'

Het oordeel van Libération was daarentegen moordend. 'Het lijkt op een schilderstentoonstelling, het is in werkelijkheid een toeristische operatie.' Dat laatste gaat wat ver, maar een lucht je zit er wel aan. De onderneming van mevrouw Cachin wordt zwaar gesubsidieerd door het imperium LVMH (Louis Vuitton-Moët Hennesy) van luxemagnaat Bernard Arnault. Daar mankeert niks aan, hij steunt al jaren grote tentoonstellingen. Maar lees het voorwoord dat Arnault in de catalogus schreef, en waar hij het schilderij Luxe, calme et volupté van Matisse in de aandacht aanbeveelt - overigens óók het favoriete werk van president Chirac.

'Hier wordt een geraffineerde levenskunst afgebeeld, met aan de horizon de droom van simpel geluk, zo goed vertaald in de van Baudelaire geleende titel. Hetgeen ten diepste aansluit bij de waarden die onze groep wil hooghouden en overal in de wereld verbreiden.'

Onze groep. Waar houdt de kunst op, en begint de reclame-operatie? Bij wijze van vernissage had dezelfde Arnault een tochtje over de Seine geregeld in een rondvaartboot die voor de gelegenheid was herdoopt in Méditerranée. De beau monde was met z'n tweehonderdvijftigen op komen draven, in die typisch Franse mengeling van (rechtse) politici, haute industrie, en (lagere) kunsten.

ALAIN Delon, weer wat ouder en gekreukelder dan de vorige keer, zat naast de vrouw van wapen-, vliegtuig-, mediamagnaat Lagardère. De gasten kregen een diner voorgeschoteld, de servetten waren bedrukt met een werkje van Bonnard, en, aldus het verslag in Le Figaro, 'het tableau verlengde het vakantiegevoel, net als de aanwezige dames dat deden. Keizerin Farah Diba zat naast Hélène Arnault, in het zwart'.

Na lezing over de Bonnard-servetten, wist ik wat er mis was met 'Méditerranée, de Courbet à Matisse'. 'Het beeld van een boerse, paradijselijke Middellandse-zeekust' is niet meer het enige dat door ons hoofd spookt. Je kunt tegenwoordig niet meer naar Vincent van Gogh kijken zonder de wetenschap in je achterhoofd dat er stropdassen worden bedrukt met zijn kerkje in Auvers. Precies zo kun je geen Côte d'Azur meer zeggen zonder je te realiseren dat in Saint Tropez tegenwoordig maatregelen worden genomen tegen de overdaad aan patserhelikopters, en zonder het besef dat Johnny Halliday er vlootschouw houdt met zijn zeewaardige jacht en zijn Laetitia.

Wat deed de Middellandse Zee met die schilders, was de vraag van Françoise Cachin. Die vraag kun je niet loszien van de kwestie wat de Middellandse Zee met de toeschouwers doet. Honderdvijftig jaar nadat Renoir 'alleen maar vissers en bergen zag', is de hele regio net als de aanpalende Provence volgeplempt met precies de cremekleurige huisjes met rode dakjes die Cézanne al in zijn Vue sur l'Estaque had afgebeeld. Toen waren het vissermannen met eerlijke knuisten. Nu hebben ze allemaal een waterscooter in de schuur. Goede smaak en de Méditerranée gaan niet meer samen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden