Geen swing zonder tuba

Bekend is hij door 'Hello, Dolly' en 'Blueberry Hill'. Maar daarmee werd Louis Armstrong nog niet de eerste klassieke figuur van de jazz....

Louis Armstrong zelf wilde er nog wel eens luchtig over doen, maar de Franse musicoloog-jazzcriticus André Hodeir omschreef Armstrongs soli uit de jaren twintig met de Hot Five en Hot Seven als 'de triomf van de individuele persoonlijkheid over de groep'. Hodeir vond het net te ver gaan hem uit te roepen tot de uitvinder van de swing, hét ritmische wezenskenmerk van de jazz, al zou je dat 'luisterend naar deze platen wel denken'. Armstrong liep zeker 'tien jaar voor op de ritmische ideeën van zijn medemuzikanten', onder wie toch grote namen als klarinettist Johnny Dodds en trombonist Kid Ory. Hodeirs conclusie: 'Louis Armstrong was de eerste grote klassieke figuur van de jazz.'

'Ik dacht nergens aan in die dagen', zei Armstrong in 1966 in een interview met het blad Life. 'Ik probeerde alleen maar de muzikanten te behagen. En zij waren degenen met vrijkaartjes, die niets betaalden. Het gewone publiek dacht dat ik een maniak was of zoiets, totaal losgeslagen. I was only standing on my head, blowing my brains out, to please the musicians. Die platen zijn niet waardoor ik vandaag beroemd ben. Sinds Hello, Dolly kennen meer mensen mij dan ooit tevoren. En mijn grootste hits zijn allemaal dingen als Mack the Knife en Blueberry Hill.'

Maar bij een andere gelegenheid kon hij, sprekend over de Hot Five en Hot Seven, zijn trots toch niet bedwingen: Didn't nobody play like that then, ain't nobody played like that since.

Deze opnamen, zo'n zestig in totaal, zijn in de loop der decennia vele tientallen malen uitgebracht: op de oorspronkelijke 78-toerenplaten, op 25 cm-lp, op ep, op 30 cm-lp, op cassette, en sinds het midden van de jaren tachtig ook op cd. Elke serieuze jazzliefhebber zal ze in één of meer versies in de kast hebben staan, en bij elke nieuwe editie rijst dus de vraag: is het de moeite waard deze muziek nogmaals aan te schaffen?

Het dubbele Armstrong-jubileumjaar 2000-2001 (de trompettist hield zelf altijd vol dat hij op 4 juli 1900 was geboren, maar na zijn dood in 1971 vond een onderzoeker in New Orleans het doopbewijs met de ware datum 4 augustus 1901) is voor de platenmaatschappij Columbia aanleiding geweest om The Complete Hot Five and Hot Seven Recordings opnieuw uit te brengen, op vier cd's in een rijk geïllustreerd boek van 84 pagina's.

Sinds het begin van het lp-tijdperk zijn eindeloze discussies gevoerd over de vraag hoe om te springen met deze opnamen uit de oertijd van de grammofoonplaat. Sommige puristen vinden nog steeds dat de ware schoonheid van deze muziek slechts tot haar recht komt via het originele schellak. Op sommige momenten in de historie viel daar iets voor te zeggen. In de jaren zestig en zeventig bezondigden diverse platenmaatschappijen zich aan edities in absurde 'nepstereo'. Later deed de Australische geluidstechnicus Robert Parker een meer sophisticated poging tot kunstmatige stereo, die evenmin een natuurlijk klinkend resultaat opleverde. En ook de eerste cd-uitgaven van de Hot Five en Hot Seven in de serie CBS Jazz Masterpieces waren eind jaren tachtig berucht om hun abominabele geluidskwaliteit.

Daarentegen verscheen op CBS al in 1971 de dubbel-lp The Genius of Louis Armstrong 1923-1933, die alom werd geprezen voor de uitstekende klank dankzij de toen nieuwe Dolby-techniek. En de Britse jazzkenner-geluidstechnicus John R.T. Davies kwam een jaar of tien geleden op het verzamelaarslabel JSP Records met zijn vier cd's omvattende collectie Louis Armstrong Hot Fives and Sevens, die prat ging op the best possible sound quality. De nieuwe complete Columbia-editie claimt eveneens the finest possible sound, maar voegt daar eerlijkheidshalve aan toe: 'het resultaat is subjectief'. Tijd dus voor een, ook subjectieve, drievoudige luistertest van lp anno 1971, cd anno 1991 en cd anno 2000.

De eerste conclusie luidt, dat voor dit soort heruitgaven de lp definitief is voorbijgestreefd door de cd. De eerste Hot Five-stukken uit 1925-'26 waren akoestisch opgenomen; bij de Hot Sevens uit 1927 werd al gebruik gemaakt van de elektrische opnametechniek. Maar zowel Cornet Chop Suey (1926) als Potato Head Blues (1927) klinkt op de lp beduidend doffer en vlakker dan op de beide cd-edities. Ook de scheiding van de instrumenten in de ritmesectie is op de lp veel minder helder dan op de cd's.

De vergelijking tussen de twee cd-versies levert minder eenduidige resultaten op. Er komt een duidelijk smaakverschil naar voren tussen John R.T. Davies en de reissue-producers van Columbia. Davies geeft de lage tonen graag wat extra nadruk en streeft in het algemeen naar een aangenaam in het gehoor liggend geluidsbeeld, ook als dat soms ten koste gaat van het onderscheid tussen de instrumenten. De mannen van Columbia lijken te streven naar een zo clean mogelijke, haast klinische geluidsweergave, met een accent op de hoge tonen waardoor Armstrongs cornet hier en daar schel en geknepen klinkt.

Maar het is te simpel om dit verschil te generaliseren tot een algemeen oordeel over de beide edities. De relatieve kwaliteit wisselt van opname tot opname, en soms zelfs binnen één vertolking. Het geluid van Potato Head Blues heeft zowel bij Davies als bij Columbia naast sterke ook zwakke kanten. Armstrongs befaamde stoptime-chorus klinkt op Columbia absoluut superieur: helder en majestueus. Daarentegen komt het stuwende effect van Pete Briggs' tuba bij Davies veel duidelijker naar voren. Op Columbia wordt de tuba zo ver weggedrukt dat het ten koste gaat van de swing.

De verklaring is waarschijnlijk tweeërlei. Columbia kon profiteren van de tussen 1991 en 2000 aanzienlijk voortgeschreden digitale geluidstechnologie en beschikte vermoedelijk over beter uitgangsmateriaal. Anderzijds kon John R.T. Davies met zijn eenmansbedrijfje alle tijd voor de remastering nemen, tot de muziek in zijn liefhebbersoren optimaal klonk. Bij het Columbia-concern is studiotijd (veel) geld, waardoor op zeker moment een financiële grens zal zijn gesteld aan de mogelijkheden tot klankverbetering.

Uiteindelijk gaan alle bespiegelingen over zulke details natuurlijk voorbij aan de essentie, en dat is het magistrale spel van Louis Armstrong. Potato Head Blues, Cornet Chop Suey, maar ook Hotter Than That, West End Blues en Weather Bird zijn in elke geluidsweergave verpletterende staaltjes van muzikaal meesterschap. De magie van de jazz wordt misschien het beste gedemonstreerd in Twelfth Street Rag, ook in 1927 al een hopeloos afgezaagd deuntje. De manier waarop Armstrong zich in zijn expositie vrolijk maakt over het triviale melodietje en het in dezelfde beweging herschept tot een wonder van ritmisch raffinement, moet je driekwart eeuw later nog altijd horen om te kunnen geloven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden