Geen schroom voor de dood Kunsthal etaleert menselijke resten

De 'mummie van Zwolle' is er te bewonderen, in het gezelschap van de Heilige Bernold, de grote teen van Cornelis de Witt, talrijke skeletresten en schedels....

LATEN WE beginnen met iedereen die, zonder enige vorm van inspraak, iets van zichzelf heeft bijgedragen aan deze tentoonstelling tot leven te wekken. De Kunsthal verandert daarmee op slag in een toren van Babel. Javaanse prinsen beklagen zich terstond over de Hollandse overheerser, die hen naar dit koude land meevoerde. Ze vinden weerklank bij Multatuli, die zich ook als spreekbuis van de naar dolken grijpende Papoea's ontpopt, angstig gadegeslagen door een gezelschap keurig gekapte Japanse dames.

Een zelden aanbeden heilige uit Utrecht wrijft zich de knokkels en ontfermt zich vervolgens over een Drentse deerne die in paniek raakt omdat ze nog nooit zo ver van huis was, althans bij haar leven. De gebroeders Johan en Cornelis de Witt vallen in elkaars armen. Luitenant-ter-zee Jan van Speijk vraagt zich af wat hem bezielde toen hij het bevel gaf zijn schip in de haven van Antwerpen op te blazen. Dan schudt hij verbolgen het hoofd over het rapalje dat in een donker hoekje de koppen bijeen steekt. Rottende gebitten ruikt hij, en wat hij ziet zijn nauwelijks genezen wonden, en kale schedels met sabelhouwen en sporen van kogelinslag.

Iedereen is blij weer uit de ogen te kunnen kijken. Het veenlijk slaat zijn buurman, de aangespoelde Eskimo, op de schouders en samen lachen ze om elkaars gelooide huid. De mummie van Zwolle, door prinses Marianne van Oranje in 1849 meegebracht uit Egypte, schudt wat overtollige botjes van zich af en schommelt dan naar het tempeltje, waar de mummie van Sensaos - een maagd van zestien jaren, twee maanden en negen dagen oud - met verbazing kijkt naar het wetenschappelijk verantwoorde portret dat het Leidse Rijksmuseum van Oudheden, Philips en TNO van haar maakten. Is zij dat mooi opgemaakte meisje met donkere huid en zwarte haren? Dat wil ze graag in een spiegel controleren.

De vreugdekreten overstemmen met gemak het zachte gesnik dat opklinkt uit een hoekje, waar een penetrante lucht vandaan komt. In stinkende plassen scharrelen tussen de glasscherven lijkwitte monstertjes rond. Een baby met een slurfje op het voorhoofd kijkt glazig naar een tweehoofdig gedrochtje, wezens met veel te veel tenen of met een ruggengraat als een hoepel liggen er nonchalant omheen. Die hadden beter met eeuwige rust kunnen worden gelaten.

'Heden mosselen, morgen gij', schreef Gerard Reve al eens. Over een tijdje zijn ook wij aan de beurt om de weg van alle vlees te volgen. Maar tot het zo ver is halen we doorgaans onze schouders op.

Toch worden we omringd door de talloze generaties die ons voorgingen. We lopen op hen, we ademen hen in, op hen bouwen we onze woningen en wegen. Er gaat geen week voorbij of ze dienen zich aan. Bij Hardinxveld-Giessendam werden in juni twee skeletten en de resten van een zevenduizend jaar oude kano gevonden. Op de Vinex-bouwlocatie bij Rijswijk werd in augustus op een plek waar een winkelcentrum was bedoeld een grafveld blootgelegd uit 3500 voor Christus. In Alphen aan den Rijn werden drie weken geleden bij bouwwerkzaamheden voor een nieuw centrum voor beeldende kunst skeletten uit de twaalfde of dertiende eeuw gevonden. Een loodgieter vond vorige week bij het Allard Pierson Museum in Amsterdam skeletresten van nonnen uit de vijftiende eeuw. In Zutphen en Apeldoorn, in Nijmegen en Swifterbant, onze voorgangers zijn overal.

Doorgaans worden die knekels in dozen geborgen, waarna niemand er meer naar omkijkt. Nederland heeft veertig depots voor stoffelijke resten die om wat voor reden dan ook in hun eeuwige rust zijn gestoord.

De dood is in onze contreien aan een revival bezig. Niet alleen worden we met hem geconfronteerd bij alle bouwprojecten waarvoor de bodem overhoop wordt gehaald. We kijken hem ook meer dan vroeger op eigen initiatief in het gezicht. Toen het nog de Here was die de dienst uitmaakte, waren wij voor zijn aangezicht allen gelijk. Maar naarmate de invloed van de kerken verder taant, neemt de behoefte toe om te benadrukken dat iedere dode uniek is. De rouwadvertenties in kranten leggen daarvan dagelijks getuigenis af. Schoorvoetend worden op steeds meer kerkhoven foto's en memorabilia toegestaan. Het uitvaartwezen is meer dan ooit bereid in te spelen op persoonlijke voorkeuren.

In de kunsten wordt die veranderende omgang met de dood weerspiegeld. Soms heel praktisch, door kunstenaars die op bestelling doodskisten ontwerpen, conform de wensen van de opdrachtgever. Fotografe Marrie Bot legde voor iedereen zichtbaar vast hoe nabestaanden met hun betreurden omgaan, In Museum Teylers in Haarlem is de tentoonstelling Naar het lijk te zien, met Nederlandse doodsportretten vanaf 1500.

Begin dit jaar stonden nieuwsgierigen desnoods een nacht lang in de rij voor het Techniekmuseum in het Duitse Mannheim, waar wetenschapper en duivelskunstenaar Gunther von Hagens zijn Plastinations-werke exposeerde. De door hem geprepareerde lichaamsdelen waren zodanig levensecht, dat het was alsof nu pas de werking van het menselijk lichaam inzichtelijk werd. Spieren, zenuwen en bloedbanen lagen bloot, duidelijker en vooral aangrijpender dan met een computersimulatie mogelijk is.

Botje bij botje, een tentoonstelling die vanaf vandaag in de Kunsthal in Rotterdam te zien is, strookt met die minder beschroomde omgang met de doden. Al is de verzameling die conservator Wim Pijbes en Indië-kenner Ewald Vanvugt bijeenbrachten, minder confronterend dan het werk van prof. dr. med. Von Hagens.

Achter deze tentoonstelling schuilt een legertje van naar schatting meer dan honderdduizend museale doden, opgesteld op planken, in depots en atoomvrije kelders van musea, rariteitenkabinetten en Wunderkammer. Van botsplinters tot geraamten, van teennagels tot vlechten, van stukjes huid tot foetussen in een weckfles - in alle denkbare gradaties van volledigheid is het voorgeslacht bewaard gebleven. En ook in alle denkbare gedaanten: gelooid, gedroogd, op brandewijn gezet, ontbot, ontveld, geprepareerd, vastgeschroefd, op een geborduurd kussentje gevleid of aan een haak gehangen.

Soms gebeurde dat om de wetenschap te dienen, soms als waarschuwing voor de overlevenden, maar minstens even vaak om hen tot steun te zijn. De mens gebruikt de restanten van zijn soortgenoten als drinkbeker en dolkheft, als schort bij een rituele dans, als talisman, pruikenmodel, zweep, fluit; of als bewijsstuk om aan te tonen dat wij hier heel wat intelligenter zijn dan zij aan de andere kant van de wereld.

Van al die vormen van recycling zijn in de Collectie Nederland voorbeelden aangetroffen, bij uiteenlopende instellingen als het Anatomisch Museum in Leiden, het Museum Vrolikianum in Amsterdam, Museum Nieuwe Land in Lelystad, het Catharijneconvent in Utrecht, het Nederlands Politie Museum in Apeldoorn en het Westfries Museum in Hoorn. De verscheidenheid van bruikleengevers geeft een indruk van de breedte van de expositie. Botje bij botje toont volkenkunde naast criminologie, anatomie naast archeologie, religieuze kunst naast huisvlijt.

Zelfs de moderne kunst is vertegenwoordigd. Een van de blikken merda d'artista, de kunstenaarspoep die Piero Manzoni in 1961 liet conserveren, wordt geëxposeerd - in een verpakking met remsporen. Maar ook de gortdroge alleroudste Hollandse keutels zijn er te zien; in Swifterbant heeft een verre voorouder vierduizend jaar voor Christus gehurkt.

De grimmigste resten zijn de tong van Johan de Witt en de grote teen van diens broer Cornelis, samen in een kistje met glazen deksel. Beide staatslieden werden in 1672 gelynched door 'het grauw'. Annie en Jan Romein beschrijven in Erflaters van onze beschaving hoe de Hollanders te werk gingen: 'De lijken werden met een algemeen salvo doorschoten, de kleren hun afgerukt en de naakte lichamen tot een bloederige klomp vlees verminkt en zo met de hoofden naar beneden aan de sporten van een galg gehangen als opengesperde koeien bij de slager. Het afbijten of afsnijden van de geslachtsdelen en het verkopen bij opbod van vingers en tenen ontbrak zelfs niet.'

Alleen de uitzonderlijken worden na hun dood geëtaleerd - dat is de les van deze tentoonstelling. Het zijn de voortreffelijken, zoals de martelaren van Gorkum of de heilige Bernold, wier botten, haren en lijkvocht worden aanbeden. Of het zijn de hooggeplaatsten, zoals de Javaanse prins Depati-foetoep-hoera of Johanna van Beieren, wier schedel of haarvlecht de verzamelaars bekoorde. Maar ook de gehaten wordt geen rust gegund: de schedels van vijanden werden gedroogd tot portable formaat, het lichaam van misdadigers was lesmateriaal voor aankomende chirurgijnen.

Maar de alleruitzonderlijkste, dat is natuurlijk de geliefde, die met zijn heengaan bij hen die blijven een leegte achterlaat. Opmerkelijk genoeg komen de meeste herinneringen aan geliefden uit landen hier ver vandaan: uit Indië of van de volkeren langs de Amazone, wederrechtelijk meegenomen door Hollandse avonturiers.

Nagels, (melk)tanden en haren zijn menselijke resten waarvoor de dood van betrokkene geen vereiste is. Integendeel, het haar van een dode wordt snel bros, maar bij leven afgeknipt haar gaat een eeuwigheid mee. Daarvan getuigen de mooiste blijken van liefde die op deze expositie te zien zijn: haarschilderijen heten ze, vlecht- en knoopwerkjes van mensenhaar die vooral in de negentiende eeuw in zwang waren. Soms zo klein als een broche of armband, en niet zelden voorzien van een miniatuur-fotootje.

Maar ook complete tafereeltjes van vergankelijkheid werden met louter haren verbeeld. Onder een stolp prijkt een kerkhofje van haren uit Hoorn, compleet met kapelletje, treurwilgjes en piëdestals met planten. En onwillekeurig denk je aan de moeder van de lieve Nelly uit Drenthe, die uit de donkere haren van haar dochter een kunstwerk van bloemen met parels knoopte, dat het bruine portretje omkranst. Dat is nog eens rouwverwerking: 'Bedroefde ouders, troost u dan, als gij uw kind niet ziet. Zij is bij God, die bij God juicht, verlangt naar d'aarde niet.'

H AARWERK IS een elegante manier om een geliefde te herinneren. Maar eigenlijk is er op Botje bij botje geen dode die niet voortleeft. Hij is weliswaar uit de tijd, maar daarmee is zijn invloed niet ten einde. Hij sluimert, zoals de dode zielen van de landarbeiders waarmee Gogol de goedmoedige Tsjitsjikow handel laat drijven. Of zoals de schimmen die de schrijver Juan Rulfo in de roman Pedro Páramo over het plein van het Mexicaanse dorpje Comala laat dwalen: 'En uit de muren leek gefluister te komen, het was alsof het uit de scheuren en barsten sijpelde. Ik hoorde het. Het waren stemmen van mensen, maar geen duidelijke: geheimzinnige stemmen, alsof zij terwijl ik voorbijging iets mompelden en tegen mijn trommelvliezen zoemden.'

Dergelijke gedaanten laat videokunstenaar Bill Viola verschijnen in de installatie Tiny Deaths, nog te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Vage gestalten, die een fractie van een seconde hel oplichten, een bijna concrete vorm aannemen en dan weer verdwijnen in de mist der tijden.

Die schimmen dwalen ook rond op Botje bij botje. De treffendste is de lijkschaduw van Elp: de afdruk van een mens, die in het zand bewaard is gebleven. Het lichaamsvocht is een verbintenis aangegaan met het zand, en kennelijk waren de chemische verhoudingen uitermate gunstig. Een hoofd, een gebogen arm en de kromming van een ruggegraat vormen een blijvend silhouet, suggestief als een Chinese calligrafie.

Aan zulke betekenisvolle overblijfselen ontleent deze tentoonstelling haar waarde. Ze stellen ons in staat de doden voor even tot een nieuw leven aan te sporen. En zij, op hun beurt, zetten ons aan het denken. Ze herinneren ons aan onze sterfelijkheid, maar ook aan dat onbegrijpelijke mechaniek dat ons voorlopig aan de praat houdt en waarvan we hopen dat het tot in lengte van dagen niet kapot zal gaan. Ze laten ons nadenken over orgaandonatie, over massagraven in Bosnië en over dierbaren die er niet meer zijn.

En ze dwingen ons gedachten te wijden aan de ethiek van het exposeren van menselijke resten. Want ook als de ziel allang het lichaam heeft verlaten, blijft het omhulsel van betekenis. Het protest van Arctic Peoples Alert tegen het tentoonstellen van de Eskimo-overblijfselen heeft de Kunsthal naast zich neergelegd. Maar Maori-hoofden en stukken huid uit concentratiekamp Dachau zijn om vergelijkbare ethische redenen niet tentoongesteld.

En zo wijzen de geëxposeerden ons uiteindelijk op de grillen van het lot, die je ontvelde schedel zomaar op een tentoonstelling kunnen doen belanden - zonder dat je zelfs maar de grijns van je kaken kan halen.

Botje bij botje. Menselijke resten uit musea. Kunsthal Rotterdam, tot en met 10 januari.

Ewald Vanvugt: Botje bij botje. Uitgeverij Jan Mets, * 24,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden