Geen plaats van openbare vermakelijkheid

In 1962 opende burgemeester Van Hall de Hollandsche Schouwburg als monument. Zeventien jaar was er nodig voordat Amsterdam kon herdenken wat hier in de oorlog was gebeurd....

IN 1953 verhaalde het blad Ons Amsterdam van een bezoek aan de Hollandsche Schouwburg, het voormalige theater tegenover de dierentuin Artis. Theatertriomfen als die van Heyermans' Op hoop van zegen (1900) werden hier al lang niet meer gevierd. De naam Hollandsche Schouwburg riep uitsluitend gedachten op aan wat de Duitsers tijdens de oorlog Umschlagplatz Plantage Middenlaan 24 hadden genoemd, en dat was precies geformuleerd. Hier werden tienduizenden joden naartoe gebracht en weer weggehaald om naar Westerbork te worden getransporteerd, en vandaar naar Auschwitz of een ander vernietigingskamp.

Tien jaar nadat de deur achter de laatste gedeporteerde jood was gesloten, schreef Ons Amsterdam dat 'in de grote hal waar de houten vloer reeds was verwijderd, in de diepte een kelder vol water en puin gaapte'. De ramen waren dichtgetimmerd, de deuren verdwenen. 'Terwijl de zo gevreesde zwam in heksenkringen hier en ginds op intact gebleven vloergedeelten en lambrizeringen welig tierde.'

Kort daarvoor waren de beelden van de voorgevel gesloopt omdat ze in zo'n slechte staat verkeerden dat passanten gevaar liepen. De eigenaar in gebreke was de gemeente Amsterdam. Wie zou afgaan op het verslonsde en afgebladderde uiterlijk van de schouwburg zou denken aan een stiefkind, een sluitpost, of misschien domweg een vergeten onderdeeltje op de lijst van gemeentebezit.

Dat laatste is in ieder geval niet waar. Het verslag in Ons Amsterdam was het afsnijsel van een onderzoek dat de machtige gemeentelijke dienst Publieke Werken had ingesteld. 1953 was voor Publieke Werken een belangrijk jaar. De wederopbouw rukte op en de tekeningen lagen op tafel om van Amsterdam een echte city te maken. Voor de zonnige kantoren en de vierbaansweg op de kaart moest een ruïne plaatsmaken: de jodenhoek. De Hollandsche Schouwburg lag weliswaar buiten het epicentrum, maar het vonnis van Publieke Werken kende geen genade. Slopen.

De vooroorlogse eigenaar van de Hollandsche Schouwburg, Louis de Vries, was in maart 1940 overleden en had dus niet hoeven meemaken dat hij in zijn eigen schouwburg werd opgesloten. Sinds zijn dood was de hypotheek niet meer betaald, en op 5 juni 1944 ging de Hollandsche Schouwburg in Frascati onder de hamer. De gelukkige koper was de vleesfabrikant H. Linthorst uit Deventer. Het Algemeen Handelsblad schreef in zijn nieuwsbericht dat 'verschillende gezelschappen den schouwburg bespeeld hadden, waarna het gebouw, dat er thans verwaarloosd uitziet, lang leeg heeft gestaan.'

Wie in de oorlog alleen het Algemeen Handelsblad had gelezen, zou misschien niet beter hebben geweten, al was dat in Amsterdam lastig. Ruim 10 procent van de stad was onder de neuzen van de niet-joodse bewoners weggehaald. Buren, collega's, klas- of teamgenoten, vrienden. Als de achterblijvers bij de politie of het gemeente-vervoerbedrijf hadden gewerkt, meestal met hun medewerking.

Maar de oorlog ging voorbij en grosso modo had iedereen wel iets anders aan zijn hoofd dan terugdenken, laat staan terugdenken aan hetgeen de joden was overkomen. Een Nipo-enquête vlak na de bevrijding stelde de vraag: 'Is uw leven door de oorlog erg veranderd, of niet?' Voor 62 procent was het leven zijn gangetje gegaan. En van de 22 procent voor wie het leven door de oorlog ongunstig was beïnvloed, had 'slechts' 3 procent familieleden verloren. Bij elkaar kon het blijkbaar gebeuren dat, wederom in het Algemeen Handelsblad, op 15 oktober 1945 een kleine annonce te lezen stond. 'Zalen te huur voor Verg., Lezingen, Concerten etc. Te bevr: Piccadilly, Pl. Middenlaan 24, telefoon 53043.'

De opschudding kwam in de herfst van 1946. 'Piccadilly' had een jaar lang besloten voorstellingen verzorgd en vroeg nu bij de gemeente een vergunning aan om een openbaar theater of bioscoop te mogen beginnen. Een (nog besloten) voorstelling van Die Fledermaus van de Nederlandse Operette ging niet door. Dirigent Hans Krieg had de schouwburg tijdens de oorlog van binnen gezien en weigerde er op te treden. Na de mededeling van de gemeente dat 'een vergunning voor het houden van openbare vermakelijkheden niet bij voortduring geweigerd zal kunnen worden', liep de emmer over. Er waren in Amsterdam meer plaatsen geweest waar joden waren samengedreven, alvorens te worden gedeporteerd. Maar geen daarvan kreeg zo'n macabere klank als deze schouwburg, waar opnieuw gelachen en genoten dreigde te gaan worden.

De socialist Sam de Wolff bracht een comité bijeen van alle gezindten, met dominee Buskes, pastoor Nolet en opperrabbijn Tal, onder erevoorzitterschap van prins Bernhard. Een oproep verscheen in de kranten. 'De Hollandsche Schouwburg - marteloord voor tienduizenden Joden, laatste station op den weg naar Westerbork, Auschwitz, enz. - mag geen plaats van openbare vermakelijkheid worden.'

Drie ton was er nodig om het gebouw te kopen en het een waardige bestemming te geven. 'Beoogd wordt de vorming van een historisch centrum, waarin recht gedaan zal worden aan de beteekenis van de Joden voor de historie van het Nederlandsche volk. Tevens moet dit centrum een plaats kunnen worden ter eerbiedige gedachtenis aan hen, die ter dood werden gebracht.'

HET GELD was in een jaar binnen. Koningin Wilhelmina betaalde mee en verleende geestelijke steun door tijdens een bezoek aan Amsterdam even voor de schouwburg stil te houden. 'Buiten het protocol', schreef de secretaris van het comité, de journalist Johan Winkler, onder de indruk. Twee jaren van loven en bieden volgden, van gechicaneer door de Deventer vleesfabrikant inclusief een proces om de Schouwburg alsnog te mogen uitbaten en een antisemitische brief van de bedrijfsleider ('of is dit soms omdat hier Joodsch kapitaal in zit?'). Eind 1949 kon de Stichting Hollandsche Schouwburg zich eigenaar noemen.

Na de aankoop besloot het comité de schouwburg aan de gemeente over te dragen. Op voorwaarde dat vijfentwintig jaar lang het gebouw niet zou worden gebruikt voor 'enigerlei besloten of openbare vermakelijkheid'. Verder moest er een rouwkamer, een chapelle ardente, worden ingericht en zou er, overeenkomstig de joodse traditie, een eeuwige vlam branden, waarvoor de stichting ¿ 1000,- aan de gemeente ter beschikking stelde.

En toen werd het stil.

Amsterdam was begin jaren vijftig nog niet toe aan de tastbare, georganiseerde herinnering aan het vernietigde joodse leven. Het is nu moeilijk voorstelbaar, maar het dagboek van Anne Frank werd bij twee uitgevers geweigerd om ten slotte in 1947 in een oplage van vijftienhonderd te verschijnen. Die oplage deed er acht jaar over om verkocht te worden. Nog halverwege de jaren vijftig was er sprake van sloop van wat later het Anne Frankhuis zou worden.

Het verleden dat wel werd gememoreerd, werd in de eerste plaats bevolkt door heldhaftige vaderlanders. Zo was er de noeste Dokwerker, in 1952 aan het Jonas Daniël Meijerplein onthuld, die herinnerde aan de Amsterdammers van de februaristaking. Burgemeester d'Ailly hield de aanwezigen voor dat dit beeld 'niet het beeld is van een man, maar van de ziel van een volk, het Nederlandse volk, dat in de eeuwen van bewind van het Oranjehuis, deze beginselen door zijn vorsten heeft zien uitdragen'. Al in 1946 had koningin Wilhelmina de hoofdstad vanwege die staking het erepredikaat Heldhaftig, Barmhartig, Vastberaden geschonken.

Het eerste grote Amsterdamse gedenkteken van de Tweede Wereldoorlog was in februari 1950 onthuld; het was het monument aan het Weesperplein van 'de Joden in Nederland aan hun beschermers in de bezettingsjaren 1940-1945' - en herinnerde dus eveneens aan helden, niet aan slachtoffers. Vraag van het Nieuw Israëlietisch Weekblad aan de beeldhouwer, Joh. Wertheim, of alles op tijd af zou komen? 'Ja, indien we geen vorst meer krijgen.' Voorzichtige opmerking van de redacteur: 'dat volgens onze inlichtingen het verzet en de hulp aan ons in verhouding in Amsterdam niet het grootst was'.

Ook rituelen uit die periode gedenken niet de vermoorde joden. De jaarlijkse stille tocht op 4 mei trekt langs allerlei plekken des onheils, de gevangenis van het Kleine Gartmanplantsoen, de fusilladeplaatsen aan de Apollolaan of de Weteringschans - niet langs de jodenhoek.

Herdenken is voor de levenden, niet voor de doden. De gedachte aan honderdduizend verdwenen landgenoten paste niet in de marsorder van wederopbouw, nationale eenheid en brede coalitie van de eerste tien jaren na de oorlog. Terwijl het kabinet nog in Londense ballingschap verkeerde, was al duidelijk dat in bevrijd Nederland twee dingen voorkomen moesten worden: communisten aan de macht, en de politieke verdeeldheid van de jaren dertig die het land bijna onregeerbaar had gemaakt. De steeds herhaalde roep om nationale eenheid kon geen categorale uitzondering verdragen - ook geen joodse uitzondering. En dus hadden België, Frankrijk en Luxemburg de repatriëring van de overlevenden uit de vernietigingskampen wel georganiseerd, en Nederland niet.

De herdenkingen en monumenten uit dat eerste naoorlogse decennium waren van deze stramme eenheidsgedachte de spiegel. Vanaf oktober 1945 werden alle oorlogs- en vredesmonumenten per decreet aan voorafgaande ministeriële goedkeuring onderworpen. Monumenten voor of herdenkingen van herkenbare martelaren, concrete verzetsgroepen of -acties mochten niet (wat het koningshuis nog wel eens aan zijn laars wilde lappen - zie de solo-actie van koningin Wilhelmina in de Plantage Middenlaan). Wilde monumenten, opgericht zonder goedkeuring van de commissie, werden afgebroken.

De praktijk was een onafzienbare serie abstracte gedenktekens - brandende toortsen, duiven, handen - of sociaal-realistische beelden waarbij stoere mannen of vrouwen model stonden voor de strijd van een eendrachtig volk tegen de bezetter. De gevallenen waren nationaal, het verzet was nationaal. En het Rijksinstituut Oorlogsdocumentatie zou één nationale en officiële geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog afleveren.

De paar duizend joden die waren teruggekeerd uit Duitsland of uit de onderduik stonden ambivalent tegenover het Nederland dat ze aantroffen. Veel overlevenden voelden zich zodanig onwelkom, dat reeds in de zomer van 1945 een werkgroep het licht zag onder de noemer: 'Antisemitische stemming in Nederland?' Over de kampen werd ook door de joden gezwegen. Omdat niemand het horen wilde en omdat zij die het hadden meegemaakt er niet over konden praten.

Voorzitter Sam de Wolff van het schouwburgcomité was jood - maar dat impliceerde beslist niet dat de Amsterdamse joodse gemeenschap zich kon vinden in de gedenkplaats die zijn stichting zich had voorgesteld. Het Nederlands Israelietisch Kerkgenootschap had al tijdens de actie tegen de 'vermakelijkheden' laten weten: 'Afbreken en op de open plaats zomaar een gebouw, een flat, een school, het doet er niet toe wat, optrekken.' Een monument voor de slachtoffers paste eerder in de christelijke gedachte van dood en verrijzenis dan in de joodse traditie, die liever het levende jodendom viert. De zin 'dat in dit gebouw geen jood ooit nog een stap wil zetten' klonk regelmatig, ook in het Nieuw Israelietisch Weekblad, dat in 1952 pleitte voor een 'eenvoudig perk en een gedenksteen met eventueel een afbeelding van de schouwburg erop'.

INTUSSEN verslonsde de Schouwburg en paradeerden de ideeën voorbij. Er zou een universitaire collegezaal in gevestigd worden. Of zelfs een mensa. Het Rijksmuseum zou er schuttersstukken opslaan. Het Rijksinstituut Oorlogsdocumentatie zou er komen. De joodse bibliotheek Rosenthaliana. Een ideële boekerij van de Unesco. De gemeente zou het verhuren aan de Apostolische Gemeente - een voorstel dat comité-voorzitter Sam de Wolff tot woedende tranen bracht.

In 1953, acht jaar na de oprichting, klaagde de stichting dat ze driemaal met de burgemeester had geconfereerd en er nog steeds niets was gebeurd. Een nieuw actiecomité stond op. Prompt werd er een plan door de gemeenteraad aangenomen. De Hollandsche Schouwburg zou voor de symbolische somma van een gulden aan de jonge staat Israël worden verhuurd. Het idee van een 'levend joods monument' was afkomstig van A. van Santen, voorzitter van De Joodse Invalide en ook lid van het comité. In Het Parool zei hij: 'Het land heeft al tal van produkten die voor tentoonstelling in aanmerking komen. De voortbrengselen bijv. der Israelische schilders en beeldhouwers, maar ook het handwerk, dat er wordt gemaakt en dat op zeer hoog peil staat, speciaal bij het Yemenietische volksdeel, dat vele excellente edelsmeden, boekbinders e.d. heeft.'

De Israëlische ambassade was enthousiast. Er werd een verbouwingsplan uitgewerkt waarin het herstel van de Schouwburg vijf ton zou kosten, te betalen door Amsterdam. Opnieuw klom de joodse gemeente in de pen, en wederom niet als enige. Amsterdamse joden die zichzelf niet zagen als bewoner van Israël in permanente ballingschap, wilden er niets van weten. Bij nader inzien bleek Amsterdam geen geld te hebben. Israël liet weten onder deze ongelukkige omstandigheden het gebouw liever niet te aanvaarden.

Dit kon zo niet duren. Tegen 1955 werd in de gemeenteraad steeds vaker schande geroepen over de toestand van de Hollandsche Schouwburg. Het NIW begon te schrijven over het merkwaardige feit dat er wel twee monumenten voor de helden waren, maar geen enkel voor de slachtoffers van de jodenvervolging. Tijdens de dodenherdenking van datzelfde jaar, schreef de Volkskrant, kwamen voor het eerst duizenden mensen bijeen 'om één avond te verwijlen bij de Joodse landgenoten, die in de oorlog omkwamen'.

Met het openlijke besef dat er honderdduizend joden waren verdwenen, was de noodzakelijke voorwaarde voor een herdenking vervuld. De voldoende voorwaarde school in een verandering van de geestelijke conjunctuur: ofwel de joden moesten 'genationaliseerd' worden - en dus van hun 'status aparte' worden ontdaan, ofwel de strikte consensuscultuur van de wederopbouw moest worden doorbroken. Allebei gebeurde zo rond 1956 - het jaar waarin het laatste kabinet-Drees nog met hangen en wurgen tot stand kwam maar tegelijk vast stond dat het met rooms-rood gedaan was.

Met de toenemende welvaart staken de eerste tekenen van polarisatie de kop op. In de monumentensector was 1956 met de onthulling van het nationale monument op de Dam tegelijk het hoogtepunt en het einde bereikt van de kunstmatige eenheid van het 'Volk rond één vlag' - zoals het hoofdartikel van de Volkskrant elk jaar op 6 mei was gekopt, met als variatiemogelijkheid 'Eén rond de vlag'. Voor het monument op de Dam was het geld moeizaam bij elkaar gecollecteerd, met als achtergrondmuziek een slepend conflict met Indië- en Koreaveteranen die hun eigen plaats onder het gedicht van Roland Holst opeisten.

Tegelijkertijd werden de Nederlandse joden aanwijsbaar populairder. De joodse historicus Jacques Presser, die op dat moment zeven jaar werkte aan de geschiedenis van de moord op de Nederlandse joden, schreef in 1957 het boekenweekgeschenk. De nacht der Girondijnen beschreef de kampervaringen van een joodse geschiedenisleraar, en verscheen in een oplage van enkele honderdduizenden. Nieuwe abonnees van Het Parool kregen het boekje Voordat ik het vergeet van Meyer Sluyser cadeau, een reeks geromantiseerde anekdotes over de vooroorlogse jodenhoek. Premier Drees verzorgde het voorwoord ('dat de Joodsche bevolking dat in het algemeen onder moeilijke omstandigheden leefde maar er zich goedgehumeurd doorheen wist te slaan'). De sinaasappeljoden die de wereld van Meyer Sluyser bevolkten, vertoonden hetzelfde vrolijke exotische gedrag dat tegenwoordig op de Albert Cuypmarkt wordt gefilmd ten bewijze van de verrijking die de multiculturele samenleving ons brengt. Voor deze vorm van idealisering van het verleden bedacht de dwarsliggende hebraïst Jaap Meijer de term Meyersluyseren.

Iets spiegelbeeldigs gebeurde met Anne Frank. Het Achterhuis was inmiddels een internationale bestseller geworden, èn een (Amerikaans) toneelstuk dat ook in Amsterdam volle zalen trok. Het echte Achterhuis werd gered van de slopershamer. De Hollywoodproduktie die daarna tot stand kwam, vond hoofdredacteur Joop Lücker van de Volkskrant belangwekkend genoeg om zelf op de set te gaan kijken. In zijn kranteverslag stelde hij tevreden vast dat voor de hoofdrol toch maar mooi het katholieke meisje Millie Perkins was gekozen - een veelzeggende waarneming; een van de kritieken op het eindprodukt was dat het joodse karakter zorgvuldig uit het drama was verwijderd.

PRECIES dat gebeurde ook in Nederland. Anne Frank bleek een ideaal symbool voor hetgeen de Nederlandse joden was overkomen: zo maar een meisje, verstopt met hulp van goede Nederlanders, werd uiteindelijk het slachtoffer van slechte Duitsers. Na de première in het Amsterdamse City-theater, in aanwezigheid van een rabbijn, een dominee, een deken èn H.M. de koningin, werd staand het Wilhelmus ten gehore gebracht.

Zo waren althans de afwezige joden tegelijk nationaal bezit geworden en als curiosum benoemd tot een verrijking van de verzuilde samenleving. Niets stond een monument meer in de weg - behalve de levende joden. Op 26 november 1958 besloot de Amsterdamse gemeenteraad, na in besloten vergadering bijeen te zijn geweest, tot de verbouwing van de Hollandsche Schouwburg tot monument. Het raadslid Den Uyl (PvdA) bepleitte een spoedige beslissing 'en verder zo weinig mogelijk woorden meer gebruiken. Dan zal Amsterdam zo snel en geruisloos mogelijk van een schande zijn bevrijd.'

De wethouder zei dat hij 'de wensen van de verscheidene Joodse groeperingen tegen elkaar had willen afwegen'. Maar het Nederlands Israëlietisch Kerkgenootschap werd niet geconsulteerd en Henriëtte Boas schreef in het Handelsblad dat de 'voorgestelde oplossing, die bedoelt de omgekomen Joden te eren, zeer zeker niet de instemming heeft van de meeste nog levende Joodse Amsterdammers'.

De inrichting van het monument kwam opnieuw uit de burelen van Publieke Werken. De dienstorder 'slopen' van vier jaar eerder was kennelijk ingetrokken. Het voorstel had alles van een wonderlijk compromis: de Hollandsche Schouwburg zou tegelijk wèl en niet worden gesloopt. Het straatgedeelte met de voorgevel mocht blijven. Daarin zou de chapelle ardente worden ingericht, met de eeuwige vlam. Zoals het comité destijds had bedongen. De enige verwijzing naar de staat Israël werd een cactus, verdwaald in een hoek. De toneelzaal zou worden gesloopt, om plaats te maken voor een open plek en een herdenkingszuil. De gemeente betaalde 240.000 gulden voor de herinrichting.

Zeventien jaar na het eind van de oorlog, op 4 mei 1962, kon burgemeester Van Hall de Hollandsche Schouwburg openstellen als monument. Maar zelfs toen rustte er geen zegen op. In diezelfde periode was, onder invloed van het Eichmann-proces en de televisie-uitzendingen van dr L. de Jong over de bezetting, de discussie losgebarsten over de vraag of Nederlanders wel genoeg hadden gedaan voor hun joodse medeburgers. In 1963 stond de eerste protestbrief in Het Parool tegen de tekst op de plaquette in de schouwburg: 'Voormalige Hollandsche Schouwburg. Herdenkingsplaats van de in 1940-1945 gevallen Joodsche landgenoten.' Het zou nog een paar jaar duren voordat de vermoeide nationale consensus eindelijk was opgeblazen met de commotie rond Het Huwelijk en de Nacht van Schmelzer. In hetzelfde jaar 1966 ontstond een relletje over de plaquette. De term 'gevallen' was unzeitgemäss geworden. Die hoorde bij een denkwereld waarin werd gestorven voor het vaderland, abstract en zeker niet door toedoen van aanwijsbare daders en medeplichtigen.

Er kwam een actie, inmiddels de derde die verband hield met de Hollandsche Schouwbrug. Nico Scheepmaker schreef: 'Gevallen, gevallen, waarover gevallen? Over m'n neus, zullen ze bedoelen - zou Max Tailleur zeggen.' De plaquette moest plaatsmaken voor een nieuwe 'ter herinnering aan hen die van deze plaats werden weggevoerd'. Het boek Ondergang van de al genoemde historicus Jacques Presser vloog op dat moment bij tienduizenden de winkels uit - het boek waarmee Presser vijftien jaar geworsteld had omdat hij moest zeggen wat niet gezegd kon worden. Dat boek begon zo: 'Dit boek behelst de geschiedenis van een moord. Een moord, tevens massamoord, op nimmer gekende schaal, met voorbedachten rade en in koelen bloede gepleegd.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden