Column

Geen medelijden met de man alleen

Kan de man alleen geen kant op als zijn vrouw van huis is? Welnee.

Beeld Robin de Puy

Ineens was ze weg. De buurvrouw van schuin tegenover, naar wie ik zwaaide als we beiden op ons balkon stonden. Soms kwam er een kort gesprekje bij, kort vanwege de afstand en het gebrekkige gehoor van de buurvrouw. Duim omhoog bij mooi weer, comme ci, comme ça-handen en een schattende blik naar boven bij naderend ontij.

Maar nu was ze weg. Aan de lijn hing al weken geen was meer. De geraniums kregen al tijden geen water en de asbak, waar ze elke dag zo'n zes of zeven sigaretten in uitdrukte, bleef leeg. Het enige licht dat ik 's avonds achter de half dichtgetrokken gordijnen bespeurde, was het geflikker van een televisiescherm.

'Weet u waar ze is?', vroeg ik de buurvrouw onder ons, want in Betondorp blijven zulke zaken nooit lang onbesproken.

'Wist je dat niet?', zei die terwijl ze omhoog keek en haar hand op de wasmand liet rusten. 'Die ligt in het ziekenhuis. Ze is aangereden, vlakbij het Tropenmuseum. Een hele klap hoor: ze heeft een verbrijzelde knie en moet wekenlang revalideren.'

Ik keek naar het lege balkon en dacht aan het Tropenmuseum. Ik was er één keer geweest, in groep 6, schoolreisje. Ik herinnerde me maskers en plaggenhutjes en Arno Spronk die bepaalde wie er wel en niet in de hut mocht. Later zou Arno Spronk een ijssalon beginnen op het dorp, daar was wel iedereen welkom.

'Wel sneu, hoor', onderbrak de onderbuurvrouw mijn gepeins terwijl ze een theedoek vastknijperde aan de wasmolen. 'Ook voor haar man, die moet zichzelf nu zien te redden. En je weet hoe hij is.'

Ik wist het, de buurvrouw had zich er weleens over beklaagd. Haar man mankeerde van alles, 'hij deed alleen nog maar zitten', ze kwamen nergens meer. Ja, heel af en toe schoven ze nog weleens op het bankje langs de doorgaande weg, honderd meter verderop, maar echt opknappen deed je daar niet van. Hij ook niet, had ze tegen hem gezegd, hij moest juist in beweging blijven. Maar dan bromde hij wat en richtte hij zich weer op de televisie. Gék werd ze ervan.

En daarom was het zo wonderlijk dat ik de buurman de volgende dag tegenkwam bij de Vomar, dik 3 kilometer verderop. Hij was met de tram gegaan, geen probleem, toch juist een leuk stukkie? Terwijl hij honderduit kletste over het weer dacht ik in zijn shopper blikken bier en gedroogde worst te zien, en als vanzelf gingen de gedachten naar mijn eigen man en hoe ik het huis had aangetroffen na een korte opname in het ziekenhuis. Ribbelchips tussen de kussens van de bank, de kachel op 25 graden en het raam open, zodat er gewoon weer binnen gerookt kon worden.

Geen man om meelij mee te hebben.

Naarmate de week vorderde hadden we dat ook niet meer met de buurman. We zagen hem met blote bast op het balkon. Hoorden hem praatjes maken met de andere buurvrouw. Schoon beddengoed hing nog steeds niet aan de waslijn, maar zijn grote witte onderbroeken wel, als vrijheidsvlaggen wapperden ze in de wind.

Die middag belde ik de buurvrouw in het ziekenhuis. Ze lag op zaal en verveelde zich verschrikkelijk. 's Ochtends deed ze oefeningen, 's middags keek ze tv en 's avonds at ze wortelen met appelmoes. Ze hoopte dat ze snel naar huis kon, want ze maakte zich zorgen om haar man. 'Weet je wat het is', zei ze. 'Hij kan geen kant op zonder mij.'

Ik heb het maar zo gelaten.

Reageren? eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden