Geen levend wezen te bekennen

Fotografe Annie Leibovitz verwierf in de jaren zeventig wereldfaam met haar portretten van beroemdheden. In haar nieuwste werk staan voorwerpen centraal. Een wonderboek dat zwijgt van leven.

John Lennon naakt en liggend in foetushouding naast een geheel geklede Yoko Ono. Whoopi Goldberg, onderuitgezakt in een bad gevuld met, wat zal het zijn, melk, en met alleen haar armen, benen en gezicht vrij. Bette Middler, letterlijk liggend in a bed of roses. Een naakte, hoogzwangere Demi Moore. Het zijn maar wat voorbeelden van de fameus geworden en exuberante portretfoto's die Annie Leibovitz sinds de jaren zeventig maakte voor tijdschriften als Rolling Stone en Vanity Fair.


Het (over)gestileerde en tot in de perfectie geënsceneerde (groeps)portret werd Leibovitz' handelsmerk. Zélf werd de fotografe op haar beurt een sterk merk. Beroemdheden uit de showbusiness, politiek en popmuziek die in aanmerking kwamen om door Leibovitz te worden gefotografeerd, stegen daardoor automatisch hoog op de vip-lijsten. Voor deze gelukkigen werd zelfs een nieuw werkwoord uitgevonden. Je was niet zomaar door Annie Leibovitz gefotografeerd, nee: one had been Leibovitized. Ge-Leibovitizeerd - het klinkt in het Nederlands als een zware medische ingreep, maar het was, voor wie de Leibovitizering onderging, een kardinale ballotage. Het betekende vaak de finale bekrachtiging van een schier onaanraakbare sterrenstatus.


Maar de fotografe wilde het midden jaren negentig anders. De portretten werden soberder en de perfectionistische glamourfotografie mengde zich met autobiografische documentairefoto's, onder meer resulterend in A Photographer's Life (2006), een even monumentaal als hoogstpersoonlijk boek waarin portretten van the rich and famous werden afgewisseld met uit de heup geschoten 'slordige' snapshots van vrienden, famillieleden, kinderen en dierbaren. Aan het einde van dit boek diende zich een - ook voor de fotograaf zelf onverwachte - zwarte ontknoping aan: het overlijden van de vrouw die al jaren haar geliefde was, Susan Sontag.


Op de foto's van Sontags ziekbed en overlijden werd destijds uiteenlopend gereageerd. Waar de één oordeelde dat Leibovitz haar levenspartner ook postuum recht deed door middel van de zeer nabije portretteringen, raakte de ander ongemakkelijk bij het zien van met name de foto's van Sontag vlak ná haar dood, opgebaard en door Leibovitz niet wezenlijk anders gefotografeerd dan destijds die supersterren voor de Vanity Fair. Sommige foto's van de opbaring werden door Leibovitz bewerkt met een soort roestbruine kleurlaag. Dat - monumentaal bedoelde - neppatina wekte de indruk dat Leibovitz wilde benadrukken dat hier niet een tijdgenoot van onszelf, maar een verre legende uit de jaren twintig van de vorige eeuw of zelfs verder terug het leven had gelaten. Het was alsof Leibovitz de doodsportretten door een Biotex-wasje genaamd Man Ray en Felix Nadar had gehaald, met onbedoeld bombastische en zelfs naar kitsch neigende gevolgen.


Waren haar befaamde portretfoto's vaak zorgvuldig uitzinnig, de foto's van Sontag in A Photographer's Life werden door de uitzinnig ogende bewerkingen kunstmatig ingetogen. Getructe introversie was het resultaat. Dat kon nooit de bedoeling zijn geweest.


Maar dat was 2006. Drie jaar later kwam Annie Leibovitz op een voor haar (en ook voor ons, Leibovitz-volgers, om het in het twitteriaans te zeggen) onfijne manier in het nieuws vanwege een dreigend faillissement. De geplaagde fotografe dreigde als gevolg van onhandig afgesloten leningen bij de Art Capital Group, in wezen een opgepimpte pandjesbaas in topkunst, zelfs de rechten op haar eigen foto's te verliezen. Deze schuldeiser claimde 24 miljoen dollar - waarbij wij Leibovitz-volgers eens te meer beseften dat ook fotografen net als succesvolle beeldend kunstenaars, failliet of niet, zich in andere, exorbitant vermogende sferen bevinden.


Hoe Leibovitz de financiële malheur uiteindelijk het hoofd bood, is nooit helemaal duidelijk geworden. Dat is, lijkt me, ook niet echt interessant nu, na enkele jaren van stilte, het boek Pelgrimage is verschenen, ook in een speciale Nederlandse uitgave.


In het licht van haar oeuvre is Pelgrimage een verbluffend boek, al was het maar omdat er geen portret in staat. Sterker, nergens in het boek treffen we een levend wezen aan.


Terwijl zij in haar hoogtij-jaren als celebrityportrettiste werkte met een keur van assistenten die deed denken aan een crew op een filmset, maakte Annie Leibovitz de afgelopen jaren in haar dooie eentje, incidenteel in gezelschap van haar - jonge - kinderen, inderdáád een pelgrimstocht door de Verenigde Staten en Europa. Een tocht die haar voerde langs huizen van bewonderde historische personages, variërend van Georgia O' Keeffe en Charles Darwin tot Sigmund Freud en Elvis Presley. Onderwijl fotografeerde Leibovitz landschappen, decors, interieurs en, ja, 'dingen' - voornamelijk memorabilia.


Ze schreef verhalen over de verschillende pelgrimages en zie: de fotografe heeft ook talent voor schrijven. Maar de soepele en bescheiden teksten vormen niet de kapitale kracht van Pelgrimage. De foto's van voorwerpen, hedendaagse stillevens, vormen het wonder.


Wát fotografeerde zij zoal? De enig overgebleven jurk van Emily Dickinson, in frêle close-up. De Indiase deken van Annie Oakley, een Amerikaanse scherpschutter en deelneemster aan de shows van Buffalo Bill. Die deken is griezelig accuraat gefotografeerd en oogt als een doek van kunstenaar Kenneth Noland. Verder ademen de interieurfoto's, maar vooral de stillevens een sereniteit waarnaar Leibovitz gedurende de jaren dat zij werkte aan A Photographer's Life moet hebben gezocht - en die zij nu, na de pelgrimages, heeft gevonden.


Veel voorwerpen in Pelgrimage staan onder geruisloze spanning. We zien een close-up van een tv-toestel uit de jaren vijftig, ooit in bezit geweest van Elvis Presley. The King schoot in de jaren zeventig een kogel door het beeldscherm. De gehavende oude televisie is een - onnadrukkelijke -metafoor voor de Elvis Presley in zijn nadagen.


De dingen doen in Pelgrimage het werk; de dingen zijn de personages. Nog een greep: opgestapelde dozen uit de studio van Martha Graham. Een platenspeler uit Graceland. De sofa van Sigmund Freud uit zijn werkkamer in Londen, waar hij zijn laatste jaren sleet.


Die sofa kan iedereen bezichtigen in de wijk Hampstead in Londen, waar het woonhuis van de familie Freud is opgewaardeerd tot museum. Ook ik bekeek bij een bezoek eens die sofa. Maar ik kan niet kijken zoals een fotograaf dat kan. Het stilleven dat Leibovitz er met haar loepzuivere fotografenblik van maakt, verschaft die sofa een bijna absolutistische allure: we kijken dankzij Leibovitz naar De Sofa, naar het sofa-geworden idéé van de sofa, de sofa waar in één keer de gehele mensheid zich te rusten mag leggen voor een eeuwigdurende, troostende en helende psychoanalyse.


Ik besef: dit worden misschien te grote en lyrisch-luidkeelse woorden voor de strenge 'stiltefotografie' die Leibovitz prijsgeeft. Zelf gaf de fotograaf een 'klein' en nuchter antwoord op de voor de hand liggende vraag waarom er nérgens ook maar één mens is te zien in Pelgrimage: 'Ik heb een beetje het gevoel dat ik het wel gehad heb met mensen.'


Dat klinkt als een opmaat tot misantropie en cynisme, maar de rest van het antwoord kan dienen als verklaring voor de bezieling die veel van de stillevens in Pelgrimage doorzinderen: 'Maar je kunt je niet afwenden van mensen. Ze zijn er altijd, ook als ze er niet zijn. Ook in foto's van dingen gaan soms mensen schuil.'


Door die laatste zin van Leibovitz kwam een herinnering boven aan een gedicht van Bernlef uit een bundel uit 1983, Winterwegen. Meer in dingen dan in mensen, heet het. Ik herinner me dat dit gedicht onder jonge dichters - en ik was toen een van die jonge dichters - een heel boekje opleverde, waarin de jongeren van toen zich fel keerden tegen Bernlefs programmatisch te noemen gedicht. De eerste drie regels ogen tenminste als een credo:


'Omdat de dood in mensen huist


de buitenkant van dingen is


kan ik alleen in dingen leven zien.'


Bernlef was 46 jaar toen hij dit gedicht publiceerde; ikzelf was net twintig geworden toen ik het voor het eerst las. Ik vond die verheerlijking van dingen destijds moeilijk navoelbaar gezemel van een vroegoud besje. Inmiddels ben ik twee jaar ouder dan Bernlef toen hij het gedicht publiceerde en in de loop van de jaren ben ik van het gedicht gaan houden. Het is een liefde die vergezeld ging van een toenemende hechting aan de dingen. Niet aan het ding als bezit, maar aan het ding als levenselixer, aan het 'stug en tegendraads bestaan' (Bernlef) van het ding. Je wordt ouder, dierbaren gaan dood - en de dingen blijven. Dingen kunnen troosten. Hun 'tegendraads bestaan' verzoent je met het eigen bestaan, waarin tegendraadsheid ooit automatisch een kwaliteit was maar dat verandert, als je tenminste niet oppast en uitkijkt, in een soort mentale bochel.


Dat gaat (en hoort) nu eenmaal zo als je 20 bent: dan associeer je tegendraadsheid uitsluitend met kabaal en misbaar. Dat in stilte en in dingen ook tegendraadsheid kan schuilgaan, wil er bij de 20-jarige niet in. Maar Bernlef had er de leeftijd en bijbehorende ervaring voor om te durven erkennen dat de dingen een even verstild als verhevigd leven kunnen verbeelden. Bernlef schreef erover, en Leibovitz tóónt het.


In het voorwoord in Pelgrimage memoreert Leibovitz dat zij en Susan Sontag ooit een boek wilden samenstellen over schoonheid, The Beauty Book. Sontag was er niet meer, dus stond Leibovitz er alleen voor. Pelgrimage is de concretisering van dat Beauty Book. Met in het binnenste van al die stillevens een onzichtbaar maar wél voelbaar kloppend hart.


Aldus maakte de grand old lady van de exuberante portretten van supersterren een boek waarin alles, van subliem landschap tot skelet van een ratelslang, schijnbaar stil en sereen is. Maar de stilte bij Leibovitz is niet zomaar stil. Het is een stilte waarin het schone én het subversieve elkaar niet uitsluiten. Ook stilte kan subversief zijn - of 'tegendraads', zoals Bernlef het verwoordde. Pelgrimage is een wonderboek dat, zogezegd, zwijgt van leven. En het zwijgen is hier een onnavolgbaar geruisloos zinderen. Joost Zwagerman


Pelgrimage, Annie Leibovitz, Bezige Bij, 246 pagina's, 49,90 euro, ISBN: 9023469062

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden