Column

Geen bom kan de ontroering van het concertbezoek tegenhouden

De aanslag in Manchester is gericht tegen de warmte, het mededogen, de ontroering en de extase.

Ik werd een uur geleden wakker met 22 doden in mijn bed, terwijl ik met een hoofd vol documentaire over het Deense restaurant Noma in slaap was gevallen. Daar lag ik. En daar lagen zij, de ouders, radeloos op de grond voor een wezenloze hal in Manchester. Ik heb de ogen gesloten en wachtte op wat er door mijn hoofd zou gaan stormen.

De eerste gedachte verraste mij. Wanneer was ik eigenlijk voor het eerst alleen naar een concert gegaan? Van Tanja, mijn vriendin, wist ik het precies. Ik schreef niet zo heel lang geleden over die lieve, lieve foto van Tanja, met een heel klein kinderhoofdje tussen allemaal Herman Broodfans. Haar vader stond buiten te wachten, wist ik. Onzichtbaar op de foto, maar zeer aanwezig.

Maar ikzelf? Tijdens welk concert heeft mijn vader buiten op mij staan wachten? Ik kan mij dat niet herinneren, waarschijnlijk omdat het ook niet is gebeurd. Ik ging met tante Els naar mijn eerste concert. Roxy Music in het Concertgebouw. Ik herinner mij elke seconde. Ik zag en rook, als een pasgeboren hertje, alles voor het eerst. De walmen voorbijdrijvende hasj, allemaal mensen die niet op mijn ouders leken, een elektrische gitaar, Bryan Ferry en tante Els haar glimmende ogen.

Dat beviel mijn moeder helemaal niet, toen ik er de volgende ochtend tijdens het ontbijt enthousiast over vertelde. 'Jaja, nou weten we het wel, het was mooi. Eet ook die korsten op!' Ik voelde toen wat ik nu honderd keer beter begrijp. Ze had spijt. Zij had moeten meegaan. Dan had ze opzij kunnen kijken naar mij en dan had ze haar kind langzaam weg zien zakken in vervoering en geluk.

Een paar jaar later ging ze met mij naar de film Easy Rider, maar het was al te laat. Ik was te oud. Ik was al 15. De maagdelijkheid van het nieuwe was er een beetje af.

De aanslag maandagavond in Manchester is gericht tegen warmte, mededogen, ontroering en extase. Alles wat wij eigenlijk niet zouden mogen voelen. Het is een aanslag die net zo goed bij het schoolzwemmen, de afscheidsvoorstelling op de basisschool, de eerste voetbaltraining of de eerste schooldag had kunnen plaatsvinden. De tegenstander - mensen die wel geloven, maar niet in een God - raken waar het pijn doet.

Ik zie nu, terwijl ik dit schrijf, de foto's voorbijkomen. Hollende kinderen met een opgerolde poster in hun hand. Dat is vreselijk, maar ook prachtig. Want over dertig jaar staan zij zelf hun kinderen op te wachten als er een bandje speelt. Ik denk dat helemaal niets, geen spijkerbom of automatisch geweer, dat gaat tegenhouden.

Er is niets mooier dan samen in een zaal van dezelfde muziek houden. Ik zag Daniel Romano in Paradiso, Amsterdam en ik wilde daarna zes boeken schrijven. Ik zag Gavin Friday ooit in de Roxy, leunend op een piano zingen over de dood, de dood en de dood en daarna wilde ik de geboorteplaats van Jacques Brel bezoeken. Het waren concerten die mij in beweging brachten. Die mij de goede kant op stuurden. Weg bij mijn ouders.

David Bowie in Ahoy. Dat denderende begin. Bowie in een wit overhemd met een zwart vestje en dan de eerste zin: 'The return of the thin white duke.' Ik heb het een half jaar lang aan mijn moeder zitten vertellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden