Gedogen in je eentje is niet zinnig

Terwijl het bezit van softdrugs werd gedoogd, groeide Nederland uit tot spil van de West-Europese drugshandel.

TOINE SPAPENS

De Global Commission on Drug Policy constateerde recentelijk dat de war on drugs is mislukt. Juist het Nederlandse beleid van regulering van softdrugs zou een voorbeeld kunnen zijn van hoe het wel zou kunnen. En dat terwijl de regering net heeft besloten dat een wietpas de verkoop van softdrugs in coffeeshops aan banden moet leggen, en de georganiseerde misdaad achter de wietteelt hard moet worden aangepakt.

Dat lijkt dus tegenstrijdig, zo constateerden ook Bert Wagendorp en Carlijne Vos in de Volkskrant van vorige week vrijdag. Waarom het gedoogbeleid (deels) gaan terugdraaien, terwijl anderen nu eindelijk beginnen te vinden dat er wel wat inzit?

Het antwoord is dat de aanpassingen niet voortkomen uit een late bekering tot de war on drugs. Ze worden noodzakelijk gevonden omdat de wereld om ons heen is veranderd, en de oorspronkelijke veronderstellingen achter het gedogen niet meer opgaan.

Het Nederlandse softdrugsbeleid dateert van 1976, toen in de Opiumwet het verschil werd gemaakt tussen soft- en harddrugs. Het bezit en gebruik van softdrugs werden gedecriminaliseerd. Even later besloot het openbaar ministerie ook de verkoop van gebruikershoeveelheden niet langer te vervolgen.

De coffeeshops waren toen in opkomst. De gedachte was dat het drugsgebruik in Nederland vrij beperkt was, en dat de verkooppunten kleinschalige winkeltjes zouden blijven die niet of nauwelijks interessant waren voor criminelen. Een ander argument voor het nieuwe beleid was dat het tot een scheiding zou leiden van de markten voor hard- en softdrugs, en dat de verslavingsproblemen beter zouden kunnen worden tegengegaan.

Dit was echter geen 'echte' regulering: de beruchte 'achterdeur' werd niet geregeld, de eigenaren van coffeeshops werden in het begin niet gescreend, en evenmin was er goed zicht op de drugsmarkt. De gevolgen bleven niet uit. De 'penoze' dook vrijwel direct op de import van softdrugs. Het project Emergo - ter verbetering van de leefbaarheid van het postcodegebied 1012, ofwel De Wallen - laat zien dat dit ook gold voor een deel van de coffeeshops in de Amsterdamse binnenstad, waar het drugstoerisme ze extra lucratief maakte. Later, toen de gemeente antecedenten begon te screenen en de wet Bibob ging toepassen, was het te laat. Toen stonden de shops al op naam van (ex-)vrouwen, concubines of andere 'schone' vrienden en familieleden, of waren de voormalige bajesklanten al 'respectabele' burgers geworden.

De handelsmarkt groeide verder in de tweede helft van de jaren negentig. Door de toegenomen welvaart en open grenzen werd het voor inwoners van de buurlanden steeds eenvoudiger even naar Nederland te komen, hier drugs te kopen en ze mee terug naar huis te nemen. Sommige coffeeshops in de grensstreken groeiden uit tot mega-ondernemingen, maar er ontstond bovendien een parallelle verkoop, ook van harddrugs, in drugspanden, alsmede 'kilohandel': de wekelijkse boodschappenkarretjes van dealers in heel Noordwest-Europa.

Al die middelen moeten natuurlijk ook ergens vandaan komen. De omvang van de wietteelt in ons land kan dan ook onmogelijk los worden gezien van de export. Dat geldt evenzeer voor de drugsimport. Een voorbeeld is Marokkaanse hasjiesj, die eerst via Spanje, Frankrijk en België naar Nederland komt, om dan weer grotendeels retour te gaan naar Frankrijk, omdat we zelf liever Nederwiet gebruiken. Een door mij geïnterviewde drugsdealer was er helder over: 'Ik kan in Nederland heel gemakkelijk in contact komen met leveranciers.'

Het Nederlandse drugsbeleid wordt over het algemeen als succesvol gezien, omdat het aantal inheemse softdruggebruikers niet hoger is dan elders in Europa en het aantal verslaafden zelfs betrekkelijk laag. Wat echter lange tijd niet werd meegewogen is dat we ook zijn uitgegroeid tot dé marktplaats voor drugs voor een groot deel van West-Europa. De wietpas is dan ook vooral een poging om de scheve verdeling in de (West-)Europese handelsmarkt voor verdovende middelen weer (enigszins) recht te trekken. Wanneer je niet meer bij een coffeeshop terecht kunt, heeft het immers weinig zin meer om al die kilometers te rijden: een illegale dealer heb je thuis om de hoek ook.

Om daadwerkelijk effect te sorteren, zullen de dealpanden en de kilohandel moeten worden aangepakt. Net zolang totdat ook de grotere inkopers tot de conclusie komen dat zij beter in eigen land zelf wietkwekerijen kunnen opzetten, en de harddrugs rechtstreeks uit de bronlanden halen.

Vanzelfsprekend zou het ook een oplossing zijn - en een veel betere bovendien - wanneer de rest van de Europese Unie een met Nederland vergelijkbaar reguleringsbeleid gaat voeren. Bewegingen in die richting zijn wel zichtbaar, maar het zal nog jaren duren voordat het zover is.

Tot dat moment is het zinvol om het gedoogbeleid te beperken. Uiteraard tenzij we met z'n allen vinden dat het geen probleem is dat vele Nederlanders op de een of andere manier bij drugsgerelateerde criminele activiteiten betrokken zijn, en dat elke verkochte 'groene' Mercedes en drugstoerist die ons land bezoekt vooral de economie stimuleert.

De auteur is als criminoloog verbonden aan de Universiteit Tilburg. Hij verrichtte onderzoek naar wietteelt, georganiseerde criminaliteit in de grensstreek, en was betrokken bij het project Emergo in het Wallengebied.

undefined

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden