Gedicht

Daags na het Boekenbal vierde Jules Deelder in drie zalen van Hotel New York zijn zestigste verjaardag. Toch is hij pas in november jarig, nog een lange weg te gaan....

Onderweg naar Rotterdam kwam ik langs vliegveld Zestienhoven. Die naam wordt niet veel meer gebruikt, geloof ik, we moeten het nu Rotterdam Airport noemen. Maar uit de verte heeft het niets van een luchthaven, het doet vooral denken aan van die stoffige vliegveldjes op Griekse eilanden.Het was nacht.

Amper onder de grote matrixborden die bij Overschie de snelheid reguleren, kijk ik altijd even naar rechts. Het komt op dat moment trouwens goed uit dat je hier niet harder mag. Aan een loods een honderdtal meters van de weg hangt een gedicht van Jules Deelder, in roze neon: Heelal.

Hoe verder men keek, hoe groter het leek

Dit is een magistraal gedicht. Om te beginnen is het kort. Ten tweede is het helder en duidelijk, kom daar eens om bij gedichten. Ten derde: je kunt het onthouden, wat handig is.

Ten vierde: het rijmt. Van Sinterklaas en Jean Pierre Rawie weten we hoe belangrijk dit is. Daar komt bij dat het rijm in dit gedicht een achteloze, bijna toevallige indruk maakt en zo hoort het, sterker nog: je kunt dit gedicht niet zonder rijm in elkaar krijgen.

Ten vijfde: er staat iets in dit gedicht. Wat? Hoe verder men keek, hoe groter het leek. Dat staat er. Niet meer, maar ook niet minder. Ten zesde kun je er om lachen, wat van veel poëzie niet gezegd kan worden, maar ten zevende kun je het ook schouderophalend afdoen als een open deur. Persoonlijk hou ik van open deuren, mits goed ingetrapt.

Ten zevende: de verpletterende eenvoud van het gedicht. Acht woorden slechts, geen van alle moeilijk. Eén woord twee keer gebruikt: hoe.

Ten achtste: je kunt er ondanks alles tóch meer in lezen. Lijkt het op het eerste gezicht over de sterrenkunde of de ruimtevaart te gaan, je kunt net zo goed stellen dat het over heel het leven gaat. Waar je je ook in verdiept, het wordt altijd meer en groter naarmate je verder, langer, dieper en beter kijkt. Nieuwsgierigheid is genoeg om in het onmetelijke terecht te komen, kijken, kijken, kijken – daar gaat het om.

Ten negende: de instinker. Waarom niet de boel dichtgetimmerd met: hoe groter het bléék? Boem klaar, inpakken wegwezen. Waarom alles op losse schroeven als het ook muurvast had kunnen zitten? Zo zeker en duidelijk als het gedicht er dus uit ziet, zo peilloos is het in wezen. Je kunt heel ver en heel diep het heelal, het leven, de jazz en Rotterdam in kijken, uiteindelijk is alles schijn, vergeefs en zinloos.

Tot slot, ten tiende, gaat het gedicht over zichzelf. Hoe langer je naar die acht woorden kijkt, hoe meer ze lijken te zeggen. Daarmee is het is even gedoemd als de menselijke inspanning waar het over gaat.

Dit alles overdacht ik tussen het Kleinpolderplein en de Erasmusbrug en toen was ik er. Enkele minuten later kon ik de 59-jarige niet-jarige dichter feliciteren met zijn zestigste verjaardag over driekwart jaar. Een beetje verwarrend was het wel, maar dat maakte het niet minder feestelijk.

Meer over