Gebrek aan krijgslust in ‘verwend’ Europa

Tientallen oorlogen zijn in Europa uitgevochten, maar na 1945 werd het continent het vreedzaamste ter wereld. Historicus James Sheehan legt uit waarom Europeanen niet meer ten strijde willen trekken....

Peter Giesen

Amerikanen komen van Mars, Europeanen van Venus, schreef de Amerikaanse neoconservatief Robert Kagan in 2002. De ondertoon was duidelijk: Europeanen zijn watjes. Dat geluid is vaker te horen. Europa dreigt een historisch themapark te worden, waar de inwoners te verwend zijn om tegen het islamitisch gevaar te vechten, schreef de historicus Walter Laqueur vorig jaar in The Last Days of Europe, een ‘grafschrift voor een oud continent’. ‘Europa is een bij uitstek kwetsbaar continent, omdat het te decadent en nihilistisch is om in de eigen democratische idealen te geloven’, meende de jurist en NRC-columnist Afshin Ellian.

In The Monopoly of Violence – Why Europeans Hate To Go To War neemt de Amerikaanse historicus James Sheehan het voor Europa op. Ooit spraken de Europeanen zonder enige schroom de taal van het geweld. Miljoenen Europeanen vonden de dood in de loopgraven van Passchendaele en Verdun, bij bombardementen op Londen en Dresden, in de concentratiekampen van Hitler en Stalin. Na 1945 transformeerde het gewelddadigste continent binnen enkele decennia tot het vreedzaamste continent. De Europeanen leverden daarmee een enorme prestatie. Een belangrijk ideaal van de Verlichting, de eeuwige vrede waar de filosoof Immanuel Kant al in 1795 schreef, ging daarmee in vervulling. De tragiek is uiteraard dat het geweld buiten Europa onverminderd doorgaat, iets waar de vreedzame Europeanen zich vaak geen raad mee weten. Maar toch: de pacificatie van Europa is een opmerkelijk historisch fenomeen, dat niet zo maar als ‘verwendheid’ kan worden afgeschreven.

In een uitermate levendige stijl, met veel aandacht voor anekdotes en kleurrijke citaten, schetst Sheehan hoe Europa in de 19de en 20ste eeuw lange tijd heen en weer werd geslingerd tussen vredeswil en krijgslust. In het grootste deel van de geschiedenis werd de oorlog simpelweg beschouwd als een fact of life. Maar tijdens de Verlichting rees de gedachte dat een permanente vrede mogelijk was, als alle staten zich maar redelijk zouden gedragen. Europa leek ook aardig op weg te zijn. Tussen 1648 en 1789 vochten de Europese mogendheden 48 oorlogen uit, tussen 1814 en 1914 slechts vijf. Tussen 1871 en 1914 was het vrede in Europa.

Voor optimistische economen was oorlog een achterhaald verschijnsel. Door vrijhandel raakten de nationale economieën steeds meer met elkaar verweven. ‘De gelukkigste oorlog is nog een misfortuin’, stelde de Franse econoom Jean-Baptiste Say. ‘De kosten van verovering wegen nooit tegen de baten op’. Duitsland verdiende meer aan de handel met Zuid-Amerika dan aan de verovering van Elzas-Lotharingen in 1871, rekende de Britse journalist Norman Angell voor. Kortom: rationele mensen voeren geen oorlog.

Maar de 19de eeuw was ook de eeuw van de natiestaat, waarin elke mannelijke burger de heilige plicht had om voor zijn vaderland te doden en desnoods te sterven. In dat klimaat van fervent nationalisme maakten militairen en patriotten zich zorgen over de toenemende vredeswil. ‘Pacifisme leidt tot geestelijke bloedarmoede’, meende de Duitse krijgshistoricus Friederich von Bernhardi. ‘Het markeert een verval in geest en politieke moed.’ Ook progressieve denkers, zoals de Amerikanen John Dewey en Walter Lippmann, geloofden dat de natie bij tijd en wijle een oorlog nodig had om zichzelf te revitaliseren. Zonder krijgsgeweld zou de burger wegzakken in gemakzucht en materialisme. Ook destijds werd geweld gelegitimeerd met de hoogste geestelijke waarden, terwijl de vredeswil werd gezien als een teken van verwendheid en nihilisme.

De patriottische angst voor het ‘decadente’ pacifisme bleek in 1914 geheel ongegrond. De vredeswil bleek geen partij voor de nationalistische geestdrift. Jonge mannen spoedden zich naar het front, grote intellectuelen bejubelden de oorlog vanuit hun leunstoel. ‘Heel mijn libido is nu voor Oostenrijk-Hongarije’, zei Sigmund Freud in Wenen. De Duitse socioloog Max Weber vond de oorlog prachtig. Zijn Franse collega Emile Durkheim meende dat de oorlog ten goede zou komen aan de gemeenschapszin waarover hij zich als socioloog altijd zo druk maakte.

De Europeanen vielen in 1914 ten prooi aan een klassieke en gevaarlijke verleiding: de gedachte dat een oplossing om de hoek ligt door een korte, doeltreffende oorlog. Maar de euforie van 1914 liep uit op moorddadige patstelling. Daardoor raakte de patriottische verheerlijking van de oorlog in veel landen in diskrediet.

Maar vooral in de verliezende landen trokken sommige partijen een geheel andere conclusie uit de grote Europese slachting. Voor nazi’s en fascisten bewees de oorlog hoe voos het liberale en humanitaire vooruitgangsgeloof van de 19de eeuw was geweest. In deze keiharde, darwinistische wereld telde slechts één ding: de sterkste zijn. In het geweld school de verlossing. Alleen wie zijn tegenstanders verpletterde, zou overleven en een nieuwe wereld kunnen creëren.

Tijdens het Interbellum wilden de meeste Europeanen vrede. De oorlog kan echter niet geleidelijk worden afgeschaft, zoals de slavernij. In de jaren dertig probeerden Engeland en Frankrijk krampachtig een nieuw conflict uit de weg te gaan. Bijna tegen elke prijs wilden zij oorlog vermijden. Maar zolang één partij op oorlog aanstuurt, is vrede onmogelijk.

De Tweede Wereldoorlog werd nog erger dan de eerste, vooral omdat er voluit tegen burgers werd gevochten. Alleen al bij het beleg van Leningrad kwamen ruim een miljoen mensen om het leven. De geallieerden lieten zich evenmin onbetuigd: ze bombardeerden Hamburg en Dresden en gooiden atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Een Amerikaanse officier vatte de mentaliteit van de totale oorlog aardig samen: ‘Er zijn geen burgers in Japan. We willen de vijand opzoeken en vernietigen, in zo groot mogelijke aantallen, in zo kort mogelijke tijd.’

Na 1945 was de geopolitieke situatie ingrijpend veranderd. De nieuwe breuklijn liep niet meer tussen de verschillende Europese landen, maar tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. De afzonderlijke Europese landen waren te klein om een vuist te maken. Hun zelfstandige militaire rol was uitgespeeld. In de schaduw van de supermachten bouwden Europa zijn eigen vredeszone. De Europese landen ontwikkelden zich tot ‘burgerstaten’, waar economische groei en sociaal welzijn belangrijker zijn dan militaire macht.

Sheehan construeert een wel erg rechte lijn tussen de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de Europese afkeer van krijgsgeweld. De werkelijkheid was kronkeliger. Direct na de Tweede Wereldoorlog stond het pacifisme - ‘het gebroken geweertje’ - in een kwaad daglicht. De appeasement had Hitler immers vrij spel gegeven. Die fout mocht ten opzichte van Stalin niet herhaald worden. Daarnaast probeerden landen als Nederland en Frankrijk met geweld hun koloniale rijk te redden.

De diepe afkeer van oorlog ontstond pas in de jaren zestig, toen de dooi in de Koude Oorlog intrad, een jonge generatie kritische vragen ging stellen en de oorlog steeds meer werd vereenzelvigd met de holocaust, die als een unieke misdaad werd gezien. De Europese burgerstaten kwamen tot volle wasdom, toen de Sovjet-Unie niet meer als een reële bedreiging werd gezien. Toen kon ook de angst voor een kernoorlog worden verdrongen, schrijft Sheehan, ‘zoals we ook weten dat we een hartaanval of een hersentumor kunnen krijgen – maar doorgaans leven alsof dat niet het geval is’.

De Europese Unie is tegenwoordig het grootste economische blok ter wereld, goed voor een kwart van het mondiale Bruto Nationaal Product. Vaak wordt geopperd dat Europa ‘onaf’’ is, zolang het geen geopolitieke rol kan spelen die bij zijn economische positie hoort.

Maar Europa zal nooit een supermacht als Amerika worden, stelt Sheehan. De Europeanen willen geen enorm militair apparaat waarmee die macht kan worden afgedwongen. De collectieve herinnering aan de oorlog is in Europa veel sterker dan in Amerika, waar sinds de Burgeroorlog geen slag meer op eigen bodem is geleverd. Hoewel de Amerikanen ook geleden hebben in twee wereldoorlogen, bleef de oorlog buitengaats. Europeanen zijn daarentegen opgegroeid met de beelden van platgebombardeerde steden, een lijdende burgerbevolking en concentratiekampen.

Europese burgers hebben ook geen zin om meer belasting te betalen voor de peperdure militaire technologie die een supermacht nodig heeft. Maar wat nog belangrijker is: een slagvaardig militair apparaat vraagt om meer Europese integratie, terwijl de meeste Europeanen vinden dat de Unie al te veel macht naar zich toe trekt.

Vaak wordt gedacht dat militaire macht min of meer vanzelf uit economische macht voortvloeit. Historisch gezien is dat onjuist. Statenbonden kunnen zich ontwikkelen tot een supermacht, zoals Duitsland in de 19de eeuw en de Verenigde Staten in de 20ste eeuw. In beide gevallen kwam daar oorlog aan te pas. De militaire macht van Duitsland was het product van de agressieve hegemoniale politiek van Pruisen onder Bismarck. In de Amerikaanse Burgeroorlog onderwierp het Noorden het weerspannige Zuiden.

Maar de Europese Unie is nu juist bedoeld om te verhinderen dat lidstaten zo'n hegemoniale politiek voeren, aldus Sheehan. De Europese samenwerking was een poging te ontsnappen aan de destructieve tegenstellingen van het verleden. Anders dan de oude natiestaten is Europa niet gebouwd om over leven en dood te beschikken. De Europese Unie is een verbond van consumenten, niet van onderdanen die bereid zijn om voor Europa te sneuvelen.

In zijn even briljante als compacte studie plaatst James Sheehan de Europese vredelievendheid in historisch perspectief. Overtuigend laat hij zien welke prestatie Europa heeft geleverd, maar ook welke beperkingen aan het Europese project kleven. Juist omdat Europa zijn bloeddorstige aandrift heeft verloren, staat het vaak weerloos ten opzichte van tegenstanders die net zo gemakkelijk sneuvelen voor ideaal of vaderland als de Europeanen in 1914. In de Balkanoorlogen van de jaren negentig bleek hoe machteloos en besluiteloos Europa kan zijn. Uiteindelijk moesten de Amerikanen en de NAVO een einde maken aan de genocidale praktijken in Europa’s achtertuin.

Hoe moet Europa verder leven als eiland van vrede in een gewelddadige wereld? In een wat onbevredigende epiloog komt Sheehan daar ook niet helemaal uit. Europa kan zich niet terugtrekken uit de wereld als een gated community, stelt hij. Omdat het ook geen supermacht kan zijn, zit er weinig anders op dan aanschurken tegen de militaire macht van de Verenigde Staten. Maar, zoals Sheehan zelf overtuigend aantoont, de burgerstaat Europa denkt nu eenmaal heel anders over oorlog en vrede dan de supermacht Amerika. Bovendien is het meer martiale antwoord van de VS in Irak en Afghanistan tot dusverre allerminst een succesnummer gebleken.

Van een historicus als Sheehan kan ook moeilijk worden verwacht dat hij een uitweg schetst uit dit strategisch labyrint. Zijn prestatie is al bijzonder genoeg: het vaak zo ongrijpbare concept van de Europese identiteit krijgt zowaar heldere contouren door zijn meeslepende geschiedenis van oorlog en vrede.

Zoals elk serieus historisch werk biedt The Monopoly of Violence geen pasklare lessen uit het verleden. In de jaren dertig deden de Europeanen te weinig tegen Hitler. De Tweede Wereldoorlog had misschien voorkomen kunnen worden als het nationaal-socialistische kwaad tijdig was gekeerd. Sindsdien is deze les uit de geschiedenis tot vervelens toe herhaald door de voorstanders van gewapend ingrijpen bij latere conflicten, van Vietnam tot Irak.

Maar de Europese geschiedenis laat ook zien hoe rampzalig een oorlog kan uitpakken, hoe groot de menselijke offers zijn en hoe catastrofaal de onvoorziene gevolgen. De opkomst van Hitler en Stalin kan immers niet los worden gezien van de Eerste Wereldoorlog, waarin Europa zijn eigen orde vernietigde omdat geweld als een vorm van verlossing werd gezien. De oorlog werd gelegitimeerd met ‘hogere’ geestelijke waarden als patriottisme en opofferingsgezindheid, die even later in de loopgraven razendsnel in diskrediet raakten.

Er kan altijd een moment komen waarop Europa opnieuw tot een oorlog wordt gedwongen door partijen die niet geloven in de eeuwige vrede van Immanuel Kant. Wanneer dat moment aanbreekt, kan niet uit het verleden worden afgeleid. De geschiedenis maant slechts tot voorzichtigheid. Als de Europeanen destijds wat meer aan hun huisbakken comfort hadden gehecht, was het continent wellicht een verschrikkelijke eeuw bespaard gebleven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden