Gebouwd voor u

Wat maakt Europese architectuur tot Europese architectuur? Mede-oprichter Hans Ibelings van het architectuurtijdschrift A10 vond het antwoord en beschrijft de opvallendste Europese gebouwen. De laatste A10 die onder zijn hoede is gemaakt, ligt nu in de winkel.

Alweer een school? Nog een bibliotheek? Na ongeveer anderhalf jaar A10 viel het me pas op. Scholen, bibliotheken, raadhuizen, musea, theaters, culturele centra, woningbouw, de inrichting van een plein of een park. Uit alle delen van Europa kreeg ik steeds dezelfde soort architectuur onder ogen. Een leuk restaurant of café was er ook wel, af en toe een mooie villa, heel soms een bijzonder kantoorgebouw. En heel, heel zelden een fabriek of een supermarkt die het publiceren waard was. Maar het beste van wat alle correspondenten van A10, van IJsland tot de Oekraïne, mij voorlegden, was publieke architectuur. Gebouwen voor de samenleving. Openbaar, collectief.


Begin 2006 realiseerde ik me ineens wat er Europees is aan de Europese architectuur: dat het voor en door de samenleving was. En daarin is Europa uniek. In bijvoorbeeld de Verenigde Staten houden architecten zich vooral bezig met het privé-woonhuis en kantoorgebouwen. Of een met privégeld gebouwd museum of universiteitsgebouw. Elders is het niet veel anders.


In Europa ontwerpen architecten voor de samenleving. Dat is al bijna twee eeuwen zo. Het zit zo diep in hun systeem dat veel architecten vinden dat een gebouw niet alleen voor hun opdrachtgever is, maar ook voor alle mensen die erlangs lopen, voor de stad. Voor de meeste ontwerpers is architectuur van iedereen en gaat het iedereen aan.


Nergens anders is er ook zo sterk het idee dat de architectuur vorm en uitdrukking geeft aan de samenleving. Of hoe de maatschappij er uit zou moeten zien. Dictators en democraten, kapitalisten en socialisten: overal in Europa werd, en wordt, de architectuur het vermogen toegekend de samenleving gestalte te geven. En nergens wordt het zo vanzelfsprekend gevonden dat alles wat ons omringt ontworpen is, of ontworpen zou kunnen worden.


Daarmee had ik - tot mijn opluchting - een deel van het antwoord gevonden op een terloopse vraag die me al langer achtervolgde. Toen het eerste nummer van A10 verscheen, had iemand (een filosoof, maar dat terzijde) me erop gewezen dat de ondertitel van het blad new European architecture niet zonder betekenis kon zijn. Ik had immers niet voor 'nieuwe architectuur in Europa' gekozen, maar nieuwe Europese architectuur. Dat betekende volgens hem dat ik een verplichting had de lezers te gaan vertellen wat er Europees is aan de architectuur in Europa. Dat architectuur in Europa veelal een publiek karakter heeft, is al heel lang het geval, maar het gekke is dat het zelden of nooit met zoveel woorden door iemand wordt gezegd.


Niet overal is even veel behoefte aan publieke architectuur in het hedendaagse Europa. Inwoners van ex--communistische landen lijken er nog altijd een zeker allergie voor te hebben na decennia opgelegde collectiviteit. Niet de overheid, maar de vrije markt domineert daar. In plaats van echt openbare gebouwen als buurthuizen en bibliotheken worden daar vooral grote winkelcentra gebouwd, min of meer publieke ruimten, maar van een andere soort, omdat economische motieven er zwaarder wegen dan sociale.


Voor architecten met hun maatschappelijke engagement is het doorgaans lastiger daar iets van te maken. Wat het in het oostelijk deel van Europa ook niet eenvoudig maakt voor architecten, is dat er doorgaans minder geld is. (In een land als Servië kost de architect omgerekend naar zijn honorarium per vierkante meter gebouw minder dan de vloerbedekking die er ligt).


Architectuur gedijt het best in welvarende landen. Ierland is een prachtig voorbeeld. Toen het land aan het einde van de 20ste eeuw ineens schatrijk werd, dook even plotseling overal bijzondere nieuwe architectuur op. Sinds de economische recessie en alle bezuinigingen van de afgelopen jaren is deze golf ook weer even plotseling voorbij.


Geld of niet, goede ideeën zijn er overal. Waar weinig geld is, is er vaak enorm veel inventiviteit en zie je dat alle creatieve energie zich samenbalt in dat ene project dat wel tot stand komt. En soms is daar niet meer voor nodig dan verf, om de asfaltvlakte van een busstation onder een brug in Bratislava op te frissen door het groen te schilderen.


Waar weinig architectuur is, werkt de omkering van de wet van de afnemende meeropbrengst: hier kan één goed nieuw gebouw een enorme uitstraling hebben, en een werking hebben die groter is dan het perceel waarop is gebouwd. En dat is zeker zo bij publieke projecten, of het nu een bibliotheek in Grosuplje (Slovenië) is, een cultureel centrum in Cartaxo (Portugal) of een sporthal in Tartu (Estland). Dit zijn maar enkele van de vele honderden voorbeelden van de verrassende, originele gebouwen uit alle hoeken en gaten van Europa die de samenstelling van elk nummer van A10 tot een feest maakten.


Het frappante aan zulke gebouwen is dat ze de omgeving een enorme impuls geven, maar als je kijkt naar hun verschijningsvorm, dan hadden ze net zo goed ergens anders kunnen staan. Die Sloveense bibliotheek had ook in een Duits stadje kunnen staan, dat Portugese culturele centrum ook in Nederland, en die Estlandse sporthal ook best in Engeland. In dat opzicht bevindt de Europese architectuur zich in een groot hier en nu.


Gelijkvormigheid is in de architectuur niet van vandaag of gisteren, maar nu is de architectonische cultuur internationaler dan ooit, en daarmee ook de homogeniteit. Dat maakt meestal niets uit, want de meeste mensen zien alleen de school bij hun in de buurt, en niet al die scholen die er op lijken in Finland, Duitsland of België.


Als je een architectuurtijdschrift maakt, of leest, valt het echter wel op. Net als alle trends die voorbij trekken, in slowmotion omdat architectuur zo'n trage business is. Zoals appelgroen, oranje en rood, de combinatie van roodbruine baksteen met geroest staal, totaal betonnen interieurs, opengesneden gebouwen, kloeke monolieten, huizen uit een stuk met puntdaken, door en door zwarte gebouwen, gevels van geperforeerd metaal, zeefdruk op glas, heel veel hout, heel veel niet-rechthoekige vormen, afgerond of juist met scherpe hoeken.


Die gelijkvormigheid komt voor een deel voort uit de 'globalisering van Europa'. Begin jaren negentig hadden de meeste architectenbureaus vrijwel alleen werk in eigen land, en landgenoten als medewerkers en collega's. Twee decennia later hebben veel bureaus een internationaal personeelsbestand en een internationaal werkterrein. Slovenen bouwen in Frankrijk, Fransen in Hongarije, Denen in Estland, Spanjaarden in België en ga zo maar door. Deze Europese eenwording is misschien niet tot stand gekomen, maar wel gemakkelijker gemaakt door al die verschijnselen die met een E beginnen: de Europese Unie met het vrije verkeer, Erasmus-uitwisselingen voor studenten, Europese aanbestedingen voor bouwprojecten, e-mail en easyJet.


Even internationaal is nu de E van economische recessie en van eurocrisis. Tot 2008 was vrijwel iedereen in de wereld van de Europese architectuur happy, nu is een groot deel van Europa ondergedompeld in een diepe crisis. Er zijn uitzonderingen, Zwitserland en Noorwegen natuurlijk, maar ook Polen, Duitsland en Estland doen het nog goed op gebied van de architectuur. En in grote delen van Centraal Europa, en ook in Italië, zeggen architecten laconiek dat ze niet veel anders gewend zijn dan crisis. Maar in Spanje en Nederland zijn de klappen hard aangekomen. Uit een enquête van The Architects' Council of Europe bleek dat 51 procent van de architecten vindt dat hun bureau er slecht of zeer slecht voorstaat: geen geld, geen gebouwen en dus geen werk voor architecten.


Achter de donkere wolken van de crisis doemt nog zwaarder weer op. Na twee eeuwen is de groei uit de Europese bevolking. In sommige landen is de bevolking al aan het krimpen. Juist de aanhoudende groei van de bevolking is altijd de brandstof geweest waarop de motor van de bouwindustrie draaide. Krimp betekent dat er nauwelijks meer heeft te worden gebouwd. Zeker niet omdat elke gemeente in Europa na twee eeuwen bouwwoede al een bibliotheek, museum, cultureel centrum, gemeentehuis en een theater heeft.


Dit betekent niet het einde van de architectuur, want er blijven altijd vragen waar architecten ruimtelijke en bouwkundige antwoorden op moeten geven. Maar het betekent wel dat het hier in Europa onherroepelijk minder wordt. En of het elders op de wereld beter wordt? Architectuur is geen kwestie van communicerende vaten - als hier minder wordt, komt er elders meer - en bovendien is het de vraag of er aan de architectuur die in Europa zo lang heeft kunnen floreren elders even veel behoefte is.


Hans Ibelings

Hans Ibelings begint eind maart met The Architecture Observer, 'a multiform tool for architectural criticism', dat bestaat uit een website (architectureobserver.eu) en boeken. Op 1 mei verschijnt daarvan de eerste: over architectuur en crisis.


Vijf benaderingen die richtinggevend kunnen zijn voor de toekomst van de Europese architectuur:


1 Hergebruik Carlos Arroyo, gemeentehuis Oostkamp (België). Voor een publiek gebouw is een hal van een voormalig distributiecentrum van Coca-Cola een onverwachte huisvesting. Aan de hal, die veel te groot was voor wat er komen moest, is nauwelijks iets veranderd. In de hal zijn 'wolken' gemaakt van gespoten gips, die kleine delen van de totale ruimte afscheiden. Foto Miguel de Guzman


2 Ingrijpen zonder te bouwen Vallo Sadovsky, plein onder de Nieuwe Brug, Bratislava. Met groene verf is duizend vierkante meter asfalt beschilderd om het busstation onder de oprit van de brug te transformeren. Deze ongevraagde actie met minimale middelen is niet alleen een instant verbetering van een grauwe omgeving, maar ook een oproep dit busstation serieus te gaan aanpakken. Foto Vallo Sadovsky Architects


3 Aanbouw Lacaton & Vassal, woongebouw, Parijs. In een flatgebouw uit de jaren zestig zijn de woningen een slag groter gemaakt door aan elk appartement een serre te bouwen. Tijdens de bouw kon iedereen er blijven wonen. Economisch, efficiënt en duurzaam. Foto David Boureau


4 Transformatie Stefan Forster, woningbouw in Halle-Neustadt. Anonieme Plattenbau uit de DDR-tijd is grondig aangepakt. De betonconstructie is bewaard, maar verder is alles veranderd. Van de krappe, uniforme appartementen zijn grotere woningen gemaakt, soms van twee verdiepingen. Benedenwoningen hebben eigen tuinen gekregen, bovenwoningen een dakterras. Foto Jean Luc Valentin


5 Voortbouwen Pedra Líquida, hotel in Porto. Een honderd jaar oud woonhuis dat werd verbouwd tot hotel brandde kort voor de oplevering vrijwel volledig af. Daarop besloten de architecten, die het hotel zelf ontwikkelden en exploiteren. om helemaal opnieuw te beginnen in beton. Maar wel achter de oorspronkelijke gevel die gespaard bleef, en met handhaving van de oorspronkelijke indeling met een groot trappenhuis in het midden en per verdieping een voor- en een achterkamer. Foto Albert Plácido


Top-5: spannende architectuur in Europa


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden