Gebabbel als ode aan gekabbel

Een traktatie, vindt Arjan Peters de tweetalige presentatie van de dialoog tussen twee wasvrouwen van James Joyce. Bij hem krioelt elk woord van de betekenissen.

Al was James Joyce nog jong toen hij Dublin verliet, hij bleef zijn geboortestad trouw in zijn geschriften. Hij zat in de jaren twintig in Parijs, toen hij de twintig pagina's schreef die het slot vormen van Boek I van zijn roman Finnegans Wake (voltooid in 1939). Het gaat om Anna Livia Plurabelle, een dialoog tussen twee wasvrouwen aan weerszijden van de rivier Anna Liffey. Als de nacht valt, veranderen de vrouwen in een boom en een steen.

Het volkse gebabbel tussen de vrouwen was een poging woorden ondergeschikt te maken aan het ritme van het water, zoals de eminente Joyce-vertalers Bindervoet en Henkes uitleggen in het nawoord bij de eerste afzonderlijke, tweetalige editie van de dialoog. Na het middernachtelijk voltooien van de eerste versie liep Joyce naar een van de bruggen over de Seine, 'en hij legde zijn oor te luisteren aan de rivier. En hij hoorde dat het wel goed zat.'

Toch zou hij nog jaren aan de tekst blijven peuteren, waarin hij ongeveer 800 namen van rivieren heeft verstopt. In de Nederlandse vertaling zitten zelfs 1.052 namen van rivieren. Omdat bij Joyce elk woord krioelt van de betekenissen, wordt de vertaler van Finnegans Wake tot artistieke vrijheid gedwongen. Wanneer je James Joyce recht wilt doen, moet je van zijn tekst durven afwijken. De tweetalige presentatie is een traktatie. 'As he warned her niver no, niver to, nevar' wordt 'wat hij haar gewaterschuwd had om van z'n levis nevis, van z'n ljungan, neva nooit neath'.

'Tell me moher. Tell me moatst.' 'Vertel vardar. Vartel het vertest.'

De vrouwen palaveren over ene Anna Livia, de vrouw van een kroegbaas, maar hun ritmische gebabbel is ook een ode aan het gekabbel van de Liffey, de rivier die dwars door Dublin stroomt. Het water uit de jeugd van Joyce, dat hij niet kon mislopen, al was het maar om de godvergeten stank. Want zo filmisch als de dialoog in Anna Livia Plurabelle golft en deint, zo onromantisch was de werkelijkheid.

In de wandelgids Bloomsday (2004) van Kees Tamboer vond ik een beschrijving van de Liffey en van de stad die alle zintuigen op de proef stelde, maar met name de reuk: 'De riolering van de plees werd niet geventileerd en alle afvoerpijpen loosden op de Liffey.' Tussen de woningen waren slachthuizen gevestigd, vervuilde vrouwen verkochten vlees op straatmarkten, aan alles was gebrek, behalve huisvuil.

Lady Frances Morgan muntte in 1875 de term 'dear, dirty Dublin'. Die alliteratie nam Joyce op in Ulysses (1922), boven het 48ste fragment in hoofdstuk 7. In de vertaling van Paul Claes en Mon Nys uit 1994 werd dat 'dierbaar duf Dublin' en dan heb je de 3 d's gehonoreerd, maar in hun artistieke vrijheid hebben de vertalers dan wel de drekkigheid achter de dufheid verborgen.

Bij Joyce moet je dirty verbinden met zoiets als de vuile was buiten hangen. Tenminste, dat zeg ik nu, onder de indruk, om niet te zeggen onder invloed, want na Anna Livia Plurabelle cheb ik een zwaaks voor koeterweels, uiterwaard.

James Joyce: Anna Livia Plurabelle

Rainbow Essentials; euro 12,50.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden