Gaza is alle aanspraken op de toekomst kwijt

Terwijl de Israëliërs zich na de Gaza-oorlog opmaken voor de verkiezingen van dinsdag, verwachten de Gazanen niets meer van hun toekomst, merkt Abdelkader Benali....

Plotseling komt hij naast me zitten, Mohammed, die de hele tijd naar ons, buitenlandse bezoekers, heeft gekeken, en voor het eerst begrijp ik wat die uitdrukking, the comfort of strangers, precies betekent. Dat een volslagen vreemdeling naar jouw verhaal wil luisteren en speciaal om die reden is gekomen, biedt op zijn minst een vorm van vlucht.

De familie Abedrabbo woont in de wijk Jabalja, niet ver van de Israëlische grens. Jabalja is een van de zwaarst getroffen gebieden door de invasie van Israël in de Gazastrook. Overal waar ik kom, lukraak binnenstap, word ik ontvangen en krijg ik een kopje thee of koffie. Ze weten waarvoor ik kom. The comfort of strangers. Ik ben die vreemdeling bij wie ze zich comfortabel kunnen voelen. Van ver weg gekomen. Luisterend. Alle tijd van de wereld.

Die andere vreemdelingen, die aan de andere kant van de grens wonen en met wie veel Palestijnen zich tot voor kort verstaan hebben, de Israëliërs, leven op een andere planeet en zijn toch zeer aanwezig. Een generatie die met hen werkte, maakt plaats voor een generatie die geen andere affiniteit heeft met de overkant dan als vaste waarborg voor blokkades, agressie en oorlog. Je zou kunnen zeggen dat met deze laatste oorlog Gaza door Israël definitief naar een ander universum is verbannen. Een universum waar alleen vreemdelingen zich op hun gemak voelen.

‘Jullie hebben een risico genomen door hier te komen’, vertelt een schoolhoofd in Khan Younis, Zuid-Gaza, mij. ‘En mochten jullie hier sterven, dan gaan jullie meteen naar het paradijs, want dan zijn jullie martelaren.’ Ze is serieus.

En ik besef nu pas het houvast dat wij vreemdelingen deze mensen bieden wanneer we aankondigen eerder weg te gaan dan verwacht omdat de Egyptische autoriteiten de terminal Rafah gaan sluiten. ‘We hebben gehoord dat de Egyptenaren de boel willen sluiten. Klopt het? Als jullie weggaan, komt de oorlog terug.’

Maar voorlopig zijn we in Jabalja, waar we aanschuiven bij de familie Abedrabbo, die doet alsof het leven geen keer neemt. Mohammed is naast me komen zitten in de hoop dat ik iets meer kan meenemen dan alleen maar ooggetuigenverslagen. Hij wil weten of ik in staat ben zijn gewicht te verplaatsen.

De lichtjes van de Israëlische nederzettingen lichten op. De soldaten die hier over straat hebben gelopen, zijn waarschijnlijk op vakantie in Thailand. Het was geen gemakkelijke oorlog.

Niet toevallig lopen de getroffen wijken langs de grens met Israël. Gaza moet op afstand worden gehouden, het liefst nog een stukje verder dan de vorige keer. Volgens Israëlische autoriteiten werden hiervandaan Qassam-raketten en katjoesja’s afgevuurd. De bewoners snappen het niet. ‘We hebben hier geen strijders.’

In tegenstelling tot Zeitoun, Midden-Gaza, dat ook zwaar is getroffen en waar een familie van 29 mensen is omgekomen bij een Israëlische aanslag, hangen hier geen verse posters van martelaren. Maar dat zijn nu nog maar details, waarover niemand wil praten. Het kan toch niet meer worden teruggedraaid. In het geschonden landschap lopen horden mensen op zoek naar hun bezittingen. Ze proberen die onder het puin vandaan te halen. Ik vermoed dat ze dit doen omdat ze iets moeten doen. Ze claimen zo hun bezittingen terug.

Er wordt een kraan gevonden. Een satellietschotel. Er rijdt een witte pick-up rond met een man die beschadigde goederen opkoopt. ‘Het zou wel mooi zijn als ik een koelkast kon opkopen. Maar het beste is toch een watertank van plastic. Die smelten we om tot een nieuwe watertank.’ Zo maakt hij zijn winst.

Een boomlange jongen met grote handen, waar de vingers als dikke worsten aanhangen, spreekt me aan. ‘Ik wilde basketbal spelen in Tel Aviv. Maar het mocht niet van mijn vader. En bij nader inzien zou dat toch onmogelijk zijn. Israël is onze aartsvijand.’

Israëlische soldaten hebben in verschillende huizen voor moslims blasfemische teksten en voor Palestijnen discriminerende kreten en tekeningen achtergelaten, als teken dat er achter alle oorlogspropaganda en strategische overwegingen ook een echte diepe wrok en afkeer zat. Opvallend dat nergens ‘Hamas’ staat gekalkt, maar wel ‘Arabieren’, ‘moslims’.

De bufferzone die Israël noodzakelijk acht voor zijn veiligheid, is er door de militaire interventie toch gekomen. Het zal zeker jaren duren voordat het hier is herbouwd. En misschien wordt het wel nooit meer opgebouwd. Gaza lijkt alle aanspraken op de toekomst verloren te hebben.

Toen het Israëlische leger op 4 januari zijn grondoffensief begon, heeft het de huizen aan de weg naar Gaza neergehaald. Mohammed is op bezoek gekomen bij zijn familie. Hij woont in een niet-getroffen gebied. Wat hij aantrof, was een huis van drie verdiepingen dat met dynamiet was neergehaald. Het huis waarin drie families wonen, heeft zijn familie 100 duizend dollar gekost. Op de derde verdieping, die naar beneden is gekomen en als een slecht geschudde speelkaart over de eerste twee ligt, hokt de familie nu overdag. ’s Avonds trekken ze in Jabalja bij een andere familie in. Vanuit deze verdieping zien we het licht van de Israëlische nederzettingen. Op het grote opgemaakte bed zitten de kinderen naast hun moeders. Een van hen leert de letters van het Arabische alfabet. ‘De kinderen gaan morgen naar de kleuterschool. Ze worden om acht uur opgehaald’, zegt Hitaam. ‘De school is een paar dagen geleden opengegaan.’

De volgende dag gaan we mee naar de kleuterschool. ‘Toen de oorlog begon, waren ze hier op school. Ik heb geprobeerd zo lang mogelijk te doen alsof er niets aan de hand was’, vertelt Umm Mohammed, het blije, superenergieke hoofd van de school. ‘Een kind had zijn vader verloren bij een aanval. Ik vertelde de kleuter niet dat zijn vader was geraakt, maar dat hij ziek was geworden. Deze kinderen hebben al zoveel te verduren. Na het staakt-het-vuren wilden we zo snel mogelijk aan de slag, maar we konden de ouders niet vinden. Het heeft ons twee dagen gekost om iedereen op te sporen.’

De meeste kinderen dragen geen uniform. ‘Dat komt niet doordat ze geen geld hebben. Dat komt door de blokkade die Israël heeft ingesteld toen Hamas aan de macht kwam. Er is een nijpend gebrek aan katoen.’ De driehonderd kinderen herhalen in koor de zinnen die ze moeten leren. ‘We zijn vandaag op school.’

We drinken onze thee bij de familie Abedrabbo. Voor de ruïnes worden vuurtjes gestookt. Mensen zoeken elkaar op. Een straffe wind komt van alle kanten naar binnen. De vrouwen zijn open, geven op elke vraag antwoord.

Mohammeds bruine ogen kijken me strak aan. Hij heeft een rossig baardje. Kringen om de ogen. Vermoeid. Een man die geen kindertijd, geen jeugd heeft gehad.

Hij zegt: ‘Jij komt uit Nederland? Journalisten hebben Gazanen uitgenodigd naar hun land. Kun jij me uitnodigen naar Nederland? Ik kan schilderen, verven en houtbewerken. Neem me mee. Neem ons mee. Er is geen toekomst hier. Marokko is ook goed.’

Mohammed noteert mijn telefoonnumer. Het zal tot niets leiden, maar het is goed dat we contact hebben gemaakt.

The comfort of strangers.

We hebben afgesproken bij de familie Hamid thuis. Hamid is ook zijn huis kwijt. Vandaag heeft de pater familias de kat teruggevonden. Tijdens de Israëlische grondinvasie moesten ze dagen binnenblijven zonder toegang tot water of eten. Nadat ze van de Israëliërs hun huis mochten verlaten, is hij eerst ingetrokken in het huis van zijn ouders, om daarna een appartement te huren, niet ver van de moskee waar hij bidt.

‘Het kost een paar honderd dollar per maand.’ Ze wonen er net. In een kamer staan vijf, zes koffers. ‘Met kleding. Allemaal geleend. Als er weer iets gebeurt en we hiervandaan moeten evacueren, nemen we ze mee.’

Hamid loopt in geleende kleding die niet bij zijn status hoort. Een ambtenaar gebombardeerd tot landloper, met verantwoordelijkheid voor een hele familie.

Hij heeft zijn zwagers op bezoek bij wie het ongeloof over wat er is gebeurd en de schok van het verlies nog niet helemaal zijn ingedaald. Die gevoelens worden voor het moment gedragen door berusting.

Elk slachtoffer dat ik spreek, verhaalt van zijn verlies zoals een Venetiaanse koopman vertelt over de boten die zijn uitgestuurd en niet zijn teruggekomen: zich er altijd van bewust dat anderen meer hebben verloren, het leven hebben gelaten. In wat ze vertellen klinkt de hele tijd door dat zij nog geluk hebben gehad. Dat ze het kunnen vertellen, is een vorm van overleven.

Een van hen, de 33-jarige, zwaarlijvige Jael Najjar, heeft een kind aan de hand zonder tanden en met een spierwitte huid. ‘Ik zou hem naar Israël willen brengen voor medische behandeling, maar dat kost 15.000 dollar.’

De familie Abedrabbo, waarvan Hamid een lid is, is gelieerd met Fatah, de partij van Mahmoud Abbas. ‘Ik werkte voor de veiligheidsdienst van de overheid hier in Gaza. Na de machtsovername van Hamas vorig jaar droeg Fatah mij op thuis te blijven. Zij betalen mijn loon door, maar werken doe ik niet.’

Lipton-thee gaat rond. De kinderen struikelen over elkaar.

‘Wat verwachten jullie van de Palestijnse autoriteiten?’

‘Niets.’

‘Wat verwachten jullie van Hamas?’

Geen antwoord.

‘Wat verwachten jullie van Obama?’

‘Niets.’

Het is weer even stil.

Dan begint iemand te vertellen over een getroffene, waarna een ander aanhaakt. In Gaza lokt de ene dode de andere uit.

Daar moet de vreemdeling het mee doen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.