'Gastarbeider' wilde maar wat graag komen

De opvatting dat de gastarbeiders eertijds als moderne slaven naar Nederland werden gehaald, leidt een taai bestaan. Volgens Will Tinnemans staat die onjuiste zienswijze een goed minderhedenbeleid in de weg....

BIJNA tien jaar geleden luidde David Pinto op de Forumpagina een discussie in die de gemoederen nog lang zou verhitten. Immigranten worden in Nederland 'doodgeknuffeld', was de stelling waarmee de auteur protesteerde tegen de betutteling van buitenlanders door overheid en welzijnswerk.

In de jaren erna discussieerden politici, wetenschappers en journalisten op het scherp van de snede over de koninklijke weg naar integratie van minderheden. Over één conclusie waren vriend en vijand het eens: de softe aanpak - het 'doodknuffelen' - was mislukt, het werd tijd voor een volwassener benadering.

Pinto's discussiebijdrage leek het einde te markeren van de victimisatie van arbeidsmigranten. De zielige buitenlander, ten prooi gevallen aan de moderne slavernij van de rijke westerse landen, was lang genoeg de knuffel geweest van kerkelijke en linkse weldoeners.

We zouden het voortaan hebben over volwassen mensen die de ingrijpende keuze hadden gemaakt om elders voor zichzelf en hun kinderen een beter bestaan op te bouwen dan op dat moment in hun land van herkomst mogelijk leek.

Maar het beeld van de gastarbeider als moderne slaaf is kennelijk onuitroeibaar. De 25-jarige Zohra Acherrat-Stitou kwam woensdag 5 maart in deze krant uitgebreid aan het woord over de vraag waarom zoveel Marokkaanse jongeren ontsporen. Ze voelen zich slachtoffer, mishandeld, onbegrepen, niet veilig, antwoordde de psychiater-in-opleiding.

Die rol nemen ze niet zelden over van hun ouders, voor wie het slachtofferschap werkte als zelfbescherming tegen de boze buitenwereld waar ze geen greep op hadden. De kinderen zijn boos op de Nederlandse samenleving die hun ouders heeft gebruikt en op hun ouders die zich daar niet tegen hebben verzet .

Maar die ouders waren toch juist ondernemende mensen, eerder moedig dan geneigd tot slachtofferdom?, opperde de verslaggeefster. Nee zo was het volgens Acherrat-Stitou niet: 'Ze werden geronseld, ze namen niet zelf het initiatief.'

De versie die Zohra Acherrat-Stitou geeft van de recente arbeidsmigratie, is hoogst aanvechtbaar. In de jaren zestig sloot de Nederlandse overheid - in nauw overleg met de werkgevers en zonder noemenswaardige tegenstand van werknemersorganisaties - wervingsakkoorden met de landen rond de Middellandse Zee.

De arbeidskrachten die via wervingskantoren werden geselecteerd op leeftijd, gezondheid en vakbekwaamheid, waren al snel in de minderheid bij de zogeheten 'spontanen', die op eigen gelegenheid de weg naar West-Europa vonden.

Voor de werkgever had spontane arbeidsmigratie grote voordelen. Er zaten geen maanden tussen de aanvraag bij het wervingskantoor en het moment dat de buitenlander aan het werk kon; spontanen waren onmiddellijk en zonder keuringen en antecedentenonderzoek beschikbaar. Ze waren bovendien goedkoper, omdat de huisvestings- en voedingsclausules uit de wervingsakkoorden niet op hen van toepassing waren.

Tussen 1964 en eind 1966 kwamen er ongeveer 15 duizend buitenlanders via de wervingsbureaus naar Nederland, terwijl Sociale Zaken in diezelfde periode ruim 65 duizend nieuwe arbeidsvergunningen afgaf. Tijdens de recessie van 1966 tot 1968 werden de wervingsactiviteiten op een laag pitje gezet: er kwamen in die jaren zo'n 5.500 buitenlanders via officiële werving naar Nederland, terwijl er in dezelfde periode ruim 40 duizend nieuwe arbeidsvergunningen werden afgegeven.

Er gaapte gedurende de hele jaren zestig dus een enorme kloof tussen de aantallen officieel geworven buitenlanders en de aantallen buitenlanders die voor het eerst een vergunning kregen om in Nederland te werken.

Een contract via een wervingsbureau bood weliswaar goede arbeidsvoorwaarden, huisvesting, voeding en vaak zelfs reisgeld voor een jaarlijkse vakantie in het land van herkomst, maar de wachttijden waren lang. Er zaten soms enkele jaren tussen de aanvraag en de toestemming om te vertrekken.

Om die wachttijden te omzeilen, namen vooral Turken en Marokkanen het heft in eigen handen. De spontanen vielen uiteen in twee groepen. De omvangrijkste categorie reisde als toerist naar Nederland en zocht - net als illegale immigranten nu - via familie, vrienden of kennissen onderdak en werk. Hadden ze eenmaal een baan, dan kregen ze doorgaans probleemloos een werk- en verblijfsvergunning.

Een relatief kleine categorie arbeidsmigranten meldde zich in eigen land bij een arbeidsmakelaar, ook wel 'ronselaar' genoemd. Ze waren niet bereid om nog langer te wachten op officiële werving, maar durfden evenmin te gokken dat ze het als 'spontane' arbeidsmigranten wél zouden redden. De ronselaar zorgde er tegen - soms forse - betaling voor dat zijn klanten in het gewenste land werden afgeleverd. Als de arbeidsmigrant een flinke toeslag betaalde, kon het arrangement ook een baan bevatten.

De spontanen tastten diep in de buidel voor hun reis en het verblijf in de aanvangsperiode. Om aan geld te komen, verkochten zij soms hun vee. Het feit dat ze vee hádden, was echter al een teken van welstand. De arme sloebers die moesten vertrekken om te overleven, waren juist aangewezen op de officiële werving via de overheid. Alleen al in Turkije stonden in die jaren miljoenen kandidaten voor vertrek naar West-Europa op wachtlijsten.

De spontane arbeidsmigratie leidde eind jaren zestig tot TBC-besmettingsgevaar - de gezondheidskeuring was immers weggevallen -, veroorzaakte gevaarlijke toestanden in pensions, en bracht de autochtone arbeiders in een nadelige concurrentiepositie.

De regering trof, mede onder druk van de vakbonden, maatregelen om de spontane instroom tegen te gaan. Vanaf 1969 nam het belang van de spontane instroom af ten gunste van de officiële werving. Halverwege de jaren zeventig kwam die ten einde.

Maar veel Turken en Marokkanen lonken nog altijd naar West-Europa. In Marokko of Turkije is een bruid met een verblijfsvergunning voor een West-Europees land ook nu haar gewicht in goud waard.

De Nederlandse overheid en het bedrijfsleven hebben nooit noemenswaardige aantallen gastarbeiders 'geronseld'. Zowel de geworven als de spontane buitenlandse werknemers zijn uit vrije wil hierheen gekomen, benijd door tal van landgenoten die gedwongen achterbleven. Niemand hield hen tegen als ze terug wilden.

Duizenden 'gastarbeiders' zijn inderdaad naar hun land van herkomst teruggegaan nadat ze in West-Europa met hard werken veel geld hadden verdiend. Zo'n honderd- tot honderdvijftigduizend buitenlandse werknemers kozen er begin jaren zeventig echter aarzelend voor om in Nederland te blijven en hun gezinnen hierheen te halen. Door de groeiende werkloosheid, culturele en religieuze verschillen en discriminatie waren de vooruitzichten in Nederland misschien niet ideaal, maar toch nog altijd beter dan in de straatarme dictatuur die Marokko was of in het indertijd politiek en economisch uiterst labiele Turkije.

Natuurlijk zijn de scores van allochtonen in de werkloosheids- en criminaliteitsstatistieken verontrustend. Maar misschien moeten we dat accepteren als een tijdelijke, maar onvermijdelijke fase in het grillige in- en aanpassingsproces van migranten.

Misschien moeten we ons in de tussentijd wat meer richten op de groeiende aantallen kinderen van de oorspronkelijke gastarbeiders die weten door te dringen tot hogescholen en universiteiten, die zich manifesteren als schrijver of die zich anderszins opwerpen als spreekbuis voor de groep waaruit ze voortkomen.

Gelukkig wordt in steeds bredere kringen erkend dat het specifieke minderhedenbeleid plaats moet maken voor een algemeen achterstandsbeleid, gericht op ontplooiing en sociale mobiliteit van allochtone en autochtone individuen. Alleen zo'n beleid kan op den duur voldoende mensen voortbrengen als Zohra Acherrat-Stitou.

Aan het blijven herhalen van een onjuiste weergave van hun eigen migratiegeschiedenis kunnen immigranten en hun nakomelingen hooguit een verklaring voor stilstand of zelfs achteruitgang ontlenen, maar zeker niet de trots en eigenwaarde waar ze zo dringend behoefte aan hebben.

Will Tinnemans is journalist en auteur van Een gouden armband. Een geschiedenis van mediterrane immigranten in Nederland (1945-1994).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden