‘GA MEE IN DE VERWONDERING’

Na een kort intermezzo als cultureel makelaar is Edwin Jacobs – de belofte uit de provincie – terug in het museale veld....

Het Landschap met bruggetje van Paul Gabriël (1828-1903) hing al jaren op zaal in het Museum Jan Cunen in Oss, maar Edwin Jacobs – eerst conservator, later directeur – was er nooit toe gekomen het schilderij werkelijk te doorgronden. Totdat kunstenaar Jan Andriesse naast hem kwam staan en hem erop wees hoe Gabriël het bruggetje tot het hart van het werk had gemaakt: door de haakse hoek van de overspanning door te trekken in de weerspiegeling van het water. Er was een vierkant ontstaan.

Het zou niet lang daarna uitmonden in de tentoonstelling Schemering tussen licht en donker. Jacobs: ‘Andriesse is zelf een meester in de verbeelding van het licht. Zijn schilderij De Regenboog straalt zoveel licht uit dat het als het ware een tweede ruimte vormt. Bovendien bezit hij een groot reflecterend vermogen. Ik wist dat hij de aangewezen man was om de geschiedenis van de verbeelding van het licht in de schilderkunst in een expositie te laten zien. Vanuit onze collectie 19de eeuw, met Johan Barthold Jongkind en J.H. Weissenbruch, via Vincent van Gogh en Piet Mondriaan naar Jan Dibbets. Het was een eyeopener, een leerschool. Langs de blik van de kunstenaar werd je meegenomen in de kunst, volledig los van de datum waarop ze hun schilderijen maakten. Zo moet het zijn: geen beeldrijm, geen esthetisch spelletje, maar verwantschap zien vanuit de gedachte van de kunstenaar.’

Het waren dit soort exercities waarmee Jacobs (1960, Den Haag) in museale kring snel naam heeft gemaakt. Wat heet: kenners oordeelden dat wat in het Jan Cunen gebeurde, elders navolging verdiende. Exposities hedendaagse kunst in wat in de kern toch een streekmuseum is, kregen landelijke aandacht. Met buitenlandse instellingen als PS1 in New York, Kunst-Werke in Berlijn en het Musée de l’Élysee in Lausanne werden projecten uitgewisseld. De Raad voor Cultuur roemde de manier waarop het museum scholieren binnen de muren kreeg. Toen ze nog in functie was, bewonderde staatssecretaris van Cultuur Medy van der Laan hoe het Jan Cunen nieuwe doelgroepen wist te bereiken. De bezoekersaantallen klommen van 14 naar 40 duizend. Gloriemoment in 2002: niemand minder dan Rudi Fuchs, toen nog met onbezoedelde reputatie, schoof Jacobs naar voren als zijn troonpretendent in het Stedelijk Museum in Amsterdam. En dat allemaal bewerkstelligd vanuit Oss, toch niet bepaald, met alle respect, het epicentrum van de beeldende kunst.

Vorige week kwam het bericht dat Jacobs, na een kortstondig bestaan als ‘cultureel makelaar’ voor de gemeente Tilburg, weer terugkeert in de museumwereld: per 1 september is hij de nieuw directeur van De Lakenhal in Leiden, opvolger van Jetteke Bolten-Rempt. De wethouder van Cultuur Paul Jonas kent de cv: ‘Met Edwin Jacobs hebben we een creatieve man in huis gehaald, die vindt dat een museum midden in de maatschappij moet staan.’

In de tussentijd had Jacobs laten blijken dat de betrokkenheid nooit weg is geweest: hij is met directeur Stijn Huijts van het Domein in Sittard en Meta Knol van het Centraal Museum in Utrecht opsteller van het manifest Naar een mondig museum. Daarin werd de generatie ‘ouderwetse bestuurders’ in de grote musea in Den Haag, Amsterdam, Groningen, Rotterdam en Maastricht beticht van ‘masculien egocentrisme en dominant westers etnocentrisme’. Ze beheren ‘reservaten’, ‘witte sacrale ruimtes’, waarin ‘monoculturen’ dreigen te ontstaan.

Jacobs - glanzende schedel, zwarte borstelwenkbrauwen en een zorgvuldig getrimde aanzet tot een sikje - is onder de indruk van de reacties op zijn nieuwe betrekking. Vanmorgen nog, was hij in Amsterdam, bij de Mondriaan Stichting. ‘Iedereen was enthousiast, aardig. Hartverwarmend.’ Andere geldverstrekkers als het VSB-fonds en het Prins Bernard Cultuurfonds namen contact op. ‘Laat weten wat je gaat doen.’ Jacobs: ‘Wauw. Wauw.’

Het zijn dus al weer zijn laatste weken in het kantoortje in een voormalig jongerencentrum, tussen de kloeke Sint Jozefkerk, poppodium 013 en de parkeergarage Tivoli. Van hieruit zette hij in opdracht een centrum voor beeldende kunst in Tilburg op – het is geen gebouw, maar een groep curatoren geworden, voor wisselende programma’s en projecten. Manifestaties moeten aanhaken bij al bestaande activiteiten in de stad.

‘Ik denk dat ik het museale veld nooit heb verlaten. Ik zie de stad ook als een open museum. Net als een museum bezit ook een stad collecties van verhalen. Ik ben altijd geneigd om verbindingen te zoeken. Hoe werkt het als je iets bij elkaar zet? Dat ik ben teruggekeerd naar een gebouw, zit, geloof ik, in mijn natuur. Ik ontvang graag, zet graag een deur open: kom eens kijken wat hier gebeurt. Ga mee in de verwondering, in het avontuur.’

Zou u, gelet op alle loftuitingen, niet een grotere stap hebben willen maken? Is De Lakenhal niet simpelweg een wat groter Jan Cunen?

‘Nee. Er zijn parallellen, zeker. Beide instellingen hebben collecties over de geschiedenis van stad en streek, er zijn collecties oude en hedendaagse kunst. Ik proef dezelfde sfeer in de teams. Open, nieuwsgierig, meepratend. De kunsthistorische context in Leiden is natuurlijk groter, er is Nederlandse geschiedenis geschreven, het is de geboortestad van Rembrandt. Bovendien is er een krachtige museale omgeving, met Naturalis, Oudheden, Volkenkunde en Boerhaave. En er ligt een duidelijke opdracht van de gemeente. Breng museum en maatschappij dichter bij elkaar. Maak de instelling toegankelijker voor meer generaties. Breng de collecties oude en hedendaagse kunst meer met elkaar in evenwicht. Daarin schuilt genoeg uitdaging.’

Is het wel de taak van een stads- of streekmuseum hedendaagse kunst te laten zien?

‘Ik wil het publiek laten zien dat er nog altijd kunst wordt gemaakt, dat het niet is gestopt en gemummificeerd in een museum is opgeborgen. Maar let op: dat kun je niet vrijblijvend doen. Je bent geen specialist, zoals het Van Abbemuseum in Eindhoven dat is, of De Pont, hier in Tilburg. Het is mij niet te doen om volledigheid, of een selectie te maken van het nieuwste. Alles wat in het Jan Cunen gebeurde lag versleuteld in de collectiestukken. Die voorwaarde moet er zijn. En binnen het team was er de overtuiging dat je met de huidige kunstenaars de collectie oude kunst tot leven kunt brengen.’

Intussen klaagden politici en heemkundigen in Oss dat de archeologische collectie er maar bekaaid af kwam.

‘Ik vertaalde het ruimer dan het tonen van objecten en documenten. Ik wist dat er een volledige collectie was, met veel schoonheid. Maar ik wilde er meer mee doen. Zo was er het project Ossensia, genoemd naar een boekwerk van de stadarchivaris Jan Cunen over het ontstaan van Oss. Mensen uit de wijken, verzamelaars, heemkundigen, iedereen die een relatie voelde met de geschiedenis van de stad, kon een bijdrage leveren. Dat leverde feiten op, geschreven verhalen. Als het archief ons bezocht om foto’s te laten zien, kwamen er tientallen mensen die de herkomst bespraken, en wie er allemaal op stonden. Het museum is een platform geworden. Je nodigt publiek uit om iets te laten ontstaan. De wijk kwam het museum in, kunstenaars gingen de wijk in. Er is een film van gemaakt, er is een mooie roman geschreven, er kwamen exposities. Niet alles was artistiek misschien even geslaagd, maar het proces van het maken was belangrijker.’

Heeft u het recept voor het succesvolle museum?

‘Wauw. Pfff. Ik heb nooit een schema gehad, een strategie, of een concept. Wel ben ik ervan overtuigd dat, al klinkt het misschien wat wollig, dat cultuur bijdraagt aan een vollediger leven. Het museum is een heel krachtig podium om die overtuiging uit te dragen. Dat komt omdat de objecten die er staan zo krachtig zijn. Een sleutel ligt volgens mij in een relatie met het onderwijs.

Op scholen in Oss trof ik leerkrachten aan met dezelfde opvattingen. Dat het niet ophoudt bij wiskunde en Frans. Er waren docenten die een boek belangrijk vonden, of een gedicht. Er is een uitgebreid educatief programma opgezet, op maat, naar eigen inzicht, voor kinderen vanaf 4 jaar, voor vmbo’ers, voor vwo’ers. Heel specifiek, van lesbrieven tot voorstellingen in het museum die een vol weekeinde duurden. Je hebt die programma’s al, in het Koninklijk Instituut voor de Tropen bijvoorbeeld, of het Amsterdam Historisch Museum, of het Openluchtmuseum in Arnhem. In het museum als het onze was zoiets minder voor de hand liggend.

‘Maar feit is dat nu eenderde van de bezoekers scholier is. Oh jawel, we hebben ze aan de balie gehad, die pubers. Waar gáát het over? Zoiets kan toch iedereen! Maar ze zeiden ook: het is wel apart. Anders. En dat werd een motivatie om terug te komen. Met hun ouders. Ja, onze Jan had gezegd: er hangt nou toch zoiets geks! En dan kwamen de buren. Er kwam een lagere middenklasse naar het museum. Toegegeven: ze kwamen ook omdat het gratis was. Het is altijd gratis geweest. Dat is belangrijk.’

Uw collega’s voelen er niks voor. Het kost veel geld, doelgroepen met weinig interesse komen toch niet.

‘Ik heb de Britse situatie bestudeerd, waar alle belangrijke musea gratis zijn. Daar staat òns nationaal bezit. Toegankelijk voor iedereen. Los van achtergrond, sociale klasse, opleiding of wat dan ook. En daar heb je belastinggeld voor over. Zo. Báf. De Ossenaar is er 4 of 5 euro per jaar aan kwijt. Het is goed uit te leggen. Het is een principiële keuze. Een krachtige investering in een breed publiek. Een bijdrage aan een maatschappelijk bewustzijn.

‘Of het koudwatervrees van de musea is? Misschien. Ik vind: laten we het gewoon maar eens doen. Het verdunt de allure en de status van het museum echt niet.’

Tegelijkertijd slaagde u er in de collectie uit te breiden.

‘Daar waren niet echt budgetten voor. Veel verwervingen kwamen voort uit opdrachten, uit tentoonstellingen. Het werk bleef daarna gewoon op zaal. Ik heb nooit iets gekocht om het vervolgens in depot te zetten. De praktijk is dat negen van de tien aankopen door musea wel in de kelder belanden. Ik moet trouwens zeggen dat de fondsen en de provincie me altijd buitengewoon genereus hebben behandeld. Misschien heeft het geholpen dat ik geen onderscheid wil maken tussen educatie, presentatie en acquisitie. Educatie leidt tot presentatie, presentatie kan leiden tot verwerven. Een aankoop moet heel precies zijn, functioneel. Dat is herkend, kennelijk. Maar we maakten het ook waar: er kwam publiek op af.’

Dat moet je ook de ‘blanke mannen’ nageven – Kees van Twist, Wim van Krimpen, Sjarel Ex, Gijs van Tuyl – op wie u in dat manifest de pijlen richtte. Hun musea staan ook op de kaart.

‘Het was niet bedoeld ze als karikatuur weg te zetten, om ze te kwetsen. Ze hebben veel klaargespeeld, ja. Misschien hadden we andere bewoordingen moeten kiezen – er zijn wat begrippen uitgelicht die een eigen leven zijn gaan leiden. De groep opstellers was eerst groter. Conservatoren, enkele directeuren van kleinere musea. Maar een aantal zag er om persoonlijke redenen van af, anderen mochten niet van hun directeuren. Het manifest was opiniërend bedoeld. Niet als sluitstuk, als guillotine.’

Maar wat doet de gevestigde orde dan zo verkeerd?

‘Ik denk dat er meer avontuur is in de wereld dan wat er in hun instellingen te zien is. Moet je iemand als Erik van Lieshout in het Museum Boymans Van Beuningen laten zien, die al eerder in het Groninger Museum exposeerde, en in Den Haag? Urban, van de straat ja, maar ook bourgeois, een Viva-kunstenaar. Kom op, er is toch meer te vinden? De interculturaliteit van de samenleving weerspiegelt zich totaal niet in hun musea. In het Tate Modern bijvoorbeeld is de aandacht ervoor structureel in het beleid ingebouwd. Het rouleren van dezelfde namen blokkeert zulke nieuwe terreinen. Als Van Krimpen keuzes maakt uit depots van buitenlandse musea, is dat misschien wel voldoende voor veel mensen, hij garandeert de binding met het publiek. Daar is niks op tegen, nee. Maar is het spannend? Verrassend? Waar is het experiment? Mijn hersens knetteren al mijn schedel uit bij de gedachte wat ik straks allemaal kan doen met de andere musea in Leiden. Thema’s als, nou, ja, olie bijvoorbeeld. Je zou in gezamenlijke programmering best kunnen uitleggen waarom de oorlog in Irak eigenlijk is begonnen. Museum in maatschappij, maatschappij in museum.’

In de reacties op het manifest hoorde je: laat ze het zelf maar eens zien.

‘Je kunt het ook omdraaien: ga maar eens terug naar de provincie. Zie het maar eens te rooien met de krappe budgetten. Misschien ligt het ook wel aan ons zelf, dat we niet genoeg in beeld raken. Maar we lopen niet weg voor verantwoordelijkheden. Ik was bijvoorbeeld zelf in de race voor het Centraal Museum in Utrecht. De keus viel op een ander.’

Blijft het Stedelijk een droom?

‘Wauw. Wauw. Jawel. Ik was verbijsterd toen ik hoorde dat Rudi Fuchs mij genoemd had. Natuurlijk is het een droom. Maar er zullen velen met mij dromen. Er is veel talent, in binnen- en buitenland.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden