Ga het gesprek aan over de rommeligheid van de wereld

Wat is het grootste probleem van Nederland en hoe gaan we dat oplossen? Die vragen stellen de Volkskrant en De Balie aan bijzondere denkers en doeners. Rechtsfilosoof en lid van DEGAS (Dutch Expert Group Aviation Safety) Marjolijn Februari:'Beschouw regels weer als richtsnoer voor het handelen, en niet louter als criteria voor beoordeling achteraf.'

Het belangrijkste politieke nieuws van de afgelopen jaren lijkt me het bericht dat 2,2 miljoen mensen in Nederland een IQ hebben onder 85. Nu is het praten over intelligentie een van de laatste taboes, maar het bericht verdient toch aandacht, want het verklaart veel. Pers en politiek lijken vooral beducht voor deze groep, en voor de overige miljoenen met een lage intelligentie, vanuit de gedachte dat uitleg en overleg hier geen zin hebben. Vandaar de neiging van politici steeds mee te gaan met de hitte van het moment, zonder gebeurtenissen in een breder verband te willen en te durven zien. De angst voor het gesundes Volksempfinden maakt de politieke stemming volatiel, om het maar eens deftig te zeggen.


Aan de andere kant is de wereld van bestuur en beleid, waarover ik het wil hebben, nu juist geneigd tot formalisering en regulering. Ze wordt bevolkt door koelbloedige mensen die met behulp van abstracties greep op de samenleving proberen te krijgen. Zodra deze twee gevoelstemperaturen elkaar raken, de politieke onrust en de bestuurlijke controlebehoefte, versterken ze elkaar. Op ieder opvlammen van onrust in de maatschappij wordt gereageerd met bestuurlijke controle, regulering, straf.


Toen aan het begin van deze eeuw opwinding ontstond over machinisten die stopseinen over het hoofd zien, werd dit in de nieuwe Spoorwegwet meteen maar tot strafbaar feit verklaard. Een beslissing die niet gemakkelijk valt te begrijpen als je bedenkt dat machinisten nooit moedwillig een sein zullen negeren. Bovendien leert een berekening dat machinisten gemiddeld één stopsein missen in de tien jaar, dat wil zeggen minder dan één op de miljoen seinen. Hoe zou straf nog iets kunnen verbeteren aan deze voortreffelijke prestatie?


Sinds het treinongeval van vorig weekend in Amsterdam weet iedere krantenlezer dat de veiligheid alleen nog kan worden verbeterd door een systeem dat treinen automatisch tot stoppen brengt - en dat zo'n systeem te veel geld kost. De opwinding aan het begin van de eeuw had dus eigenlijk moeten leiden tot een gesprek over deze tragische politieke afweging; de minister had moeten uitleggen waarom een oplossing te duur is en waarom we de kans op ongevallen helaas moeten accepteren. Ik geef toe, een lastig gesprek dat een minister kennelijk niet wil voeren met een bevolking die daarvoor te dom wordt geacht. In plaats daarvan werd de schuld dus, via de strafwet, afgewenteld op de arme machinist. Opwinding gedempt, probleem niet opgelost.


Tot zover vertel ik niets nieuws. Natuurlijk is het volop bekend dat de overheid steeds strenger controle probeert uit te oefenen via regulering en straffen. Omdat in de samenleving geen lastig gesprek wordt gevoerd over de rommeligheid van het leven en over het feit dat daarin dingen mis kunnen gaan, groeit er een systeem van monitoring en standaardisering dat onmiskenbaar totalitaire trekken vertoont. Dat wil zeggen, de verantwoordelijkheid van mensen voor hun eigen gedrag verdwijnt, ten gunste van regels en protocollen die louter bedoeld zijn om achteraf verantwoording over dat gedrag af te leggen.


Stel dat het gesprek op verjaardagspartijtjes een graadmeter is voor de urgentie van maatschappelijke kwesties. Dan staat de narigheid die Nederlanders ondervinden van deze regels en protocollen bovenaan. De bureaucratische crisis houdt mensen duidelijk meer bezig dan de economische crisis. Aan de ene kant heb je de werknemers die moeten werken met de vermaledijde protocollen: zij lijden diep onder het verlies aan verantwoordelijkheid en plezier in hun werk. Aan de andere kant heb je de burgers die aan de protocollen worden onderworpen. De Nationale Ombudsman luidde onlangs de noodklok omdat de hele hulpverlening wordt georganiseerd rondom de procedures waaraan alleen de instanties behoefte hebben. Volgens hem moet dat precies andersom. 'De hulp moet worden aangeboden vanuit wat een hulpbehoevende het meest nodig heeft.' En toch, hoewel het besef dat dit anders moet met veel kabaal door de samenleving raast, is er nog steeds geen nationaal crisisplan.


Laat ik een kleine filosofische voorzet doen voor zo'n plan. Een paar weken geleden hoorde ik de wiskundige Dirk van Dalen zeggen dat een van de basisvragen van de wiskunde luidt: 'Waar hebben we het over?' Sommige wiskundigen vinden het niet nodig daarover na te denken, zolang je problemen maar netjes formuleert; maar anderen denken dat te ver doorgevoerde formalisering een verkeerd beeld van de werkelijkheid geeft en willen weten wat de betekenis van uitspraken is. Deze vraag - 'waar hebben we het over?' - bleef de afgelopen weken door mijn hoofd spoken en kleurde mijn idee voor Nederland.


Als het aan mij ligt stellen we de vraag ook bij bestuurlijke kwesties. Om niet stuk te lopen op de kunstmatigheid van de bureaucratische oplossing moeten we terug naar de werkelijkheid. Naar betekenis, inhoud. Waar hebben we het over, waar gaat het eigenlijk over, wat waren we ook alweer aan het doen?


En daarmee kom ik bij een persoonlijke fascinatie van me. Bij mijn vaste overtuiging namelijk dat niet het oordeel, maar het handelen weer centraal moet komen te staan in het denken. In de moderne tijd zijn we geneigd geraakt te denken dat regels louter zijn opgesteld om achteraf een oordeel te kunnen vellen over het gedrag van anderen - ze worden steeds minder vaak gezien als richtsnoer vooraf voor je eigen handelen. Toch zijn ze als richtsnoer bedoeld. Zoals de luchtvaartdeskundigen in mijn omgeving zeggen: 'Rules are tools.' Opgesteld om je instrumenten in handen te geven waarmee je beter kunt functioneren in de werkelijkheid. Zelfs het Wetboek van Strafrecht heeft niet primair tot doel te straffen, maar vertelt je welke dingen je in de praktijk van alledag beter wel en niet kunt doen. Daarin heeft het een belangrijke zelfstandige functie; we zwaaien tegenwoordig misschien liever met hersenscans dan met het wetboek, maar die hersenscans vertellen ons niet wat er van ons wordt verwacht.


Niet alleen juridische regels zijn 'tools'. Ook de moraal is allereerst een set van overtuigingen en normen die ons helpt iets te ondernemen. Moraal is gericht op de praxis, op het handelen. Als ze een slechte reputatie heeft, dan komt dat doordat het maatschappelijk debat over moraal alleen nog draait om oordeelsvorming achteraf. Voornamelijk om gezeur en gemopper dus. 'Niet langer het streven naar het Goede staat voorop', zegt de Franse filosoof Badiou in zijn essay L'éthique, 'maar het afrekenen met het Kwade.' Die sterke focus op afrekenen met het kwade ontneemt ons in toenemende mate onze vitaliteit. Het schiet niet op, zoals de jeugd zegt, om te blijven praten over wat is gebeurd en hoe dat tot stand is gekomen. Je zult af en toe iets moeten doen, anders heb je niets om achteraf te beoordelen.


Beschouw je regels weer als richtsnoer voor het handelen, en niet louter als criteria voor beoordeling, dan heeft dat een paar belangrijke bestuurlijke consequenties. Ik noem er twee. Ten eerste moet de controle op de naleving van regels dan ook weer in handen komen van mensen die verstand hebben van de praktijk. Zie je regels louter als beoordelingscriteria, dan kun je het toezicht wel overlaten aan mensen die verstand hebben van processen en protocollen. Maar zodra je het handelen weer centraal stelt zal ook het toezicht moeten uitgaan van de praktische basisvragen. Waar hebben we het over? Wat moeten we doen? Hoe kunnen we patiënten in de zorg het best van dienst zijn? En hoe kunnen we de veiligheid op het spoor en in de luchtvaart daadwerkelijk verbeteren - en niet alleen op papier?


Ten tweede zul je als bestuurder met de samenleving het lastige gesprek moeten aangaan over de rommeligheid van de wereld. En iedereen zal moeten erkennen hoe ongrijpbaar en weerbarstig de praktijk is. Zo kunnen we als vliegtuigpassagier wel én veilig én goedkoop én op tijd willen vliegen, maar het ligt voor de hand dat we uiteindelijk tussen zoveel tegenstrijdige eisen zullen moeten kiezen. Op papier was het wellicht een lumineus idee om reizigers compensatie aan te bieden voor de verloren uren als hun vliegtuig vertraging heeft. Maar in de praktijk knabbelt die compensatie aan de veiligheid. Luchtvaartmaatschappijen worden zo immers onder druk gezet ondanks lichte technische mankementen toch te gaan vliegen. Het lastige gesprek zal in dit geval moeten gaan over de afweging tussen veiligheid en passagiersrechten. Het heeft geen zin - het is zelfs gevaarlijk - om die verschillende belangen elk apart te bureaucratiseren. Je moet ze in samenhang zien.


Hoe diep de neiging tot oordelen in onze cultuur is verankerd liet de weerman deze week zien. 'Het is te koud voor de tijd van het jaar,' zei hij iedere dag. Onzin natuurlijk. Het is helemaal niet te koud voor de tijd van het jaar. Het is gewoon 15 graden. Je kunt zeggen dat dat koud is voor de tijd van het jaar. Maar 'te koud' maakt van die statistische norm een voorschrift waaraan niet is voldaan; een formulering die herinneringen oproept aan de klacht van Mark Twain dat iedereen weliswaar praat over het weer, maar dat niemand er iets aan doet. Als we niet heel snel terugkeren naar de werkelijkheid en snappen wat regels daarin precies doen, ben ik bang dat het demissionair kabinet binnenkort ingrijpt en een schuldige aanwijst. En daar kan het weer onmogelijk beter van worden.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden