G-man Jerry Cotton

Hij heeft beroemdere collega's (Sam Spade, James Bond), maar geen van hen evenaart Jerry Cotton in oplagecijfers: wereldwijd werden van zijn avonturen 850 miljoen exemplaren verkocht....

In de film The Thin Man komt een sc voor waarin detective Nick Charles en zijn partner Nora de ochtendbladen doornemen, om te zien wat die schrijven over een schietpartij waarbij Nick betrokken was. Een serie vermakelijke oneliners volgt: 'I'm a hero, I was shot twice in The Tribune.' 'I read you were shot five times in the tabloids.' 'It's not true. He didn't come anywhere near my tabloids.'

Het verhaal van The Thin Man heeft weinig om het lijf, maar de razendsnelle dialogen in deze klassieke detective comedy zijn legendarisch. Sinds 1934 zijn ze steeds opnieuw bewerkt en herontdekt: eerst in vijf bioscoop-vervolgen, daarna als een tv-serie en ten slotte, begin jaren negentig, als Broadway-musical. Niet gek voor een verhaal van zo'n geringe komaf: The Thin Man is gebaseerd op het gelijknamige boek van Dashiell Hammett, de detectiveschrijver die zijn sporen verdiende in het goedkope pulpmagazine Black Mask.

Wie gelooft dat high culture en low culture niet zonder elkaar kunnen, heeft in Black Mask een mooi voorbeeld: een op krantenpapier gedrukt periodiek dat in 1920 begon als melkkoe van de literator H.L. Mencken (die er zijn chique Smart Set, 'a magazine of cleverness', mee financierde), dankzij schrijvers als Hammett en Raymond Chandler de kraamkamer van de hard boiled detective werd, en daarmee rechtstreeks verantwoordelijk is voor een reeks hoogtepunten van de Amerikaanse cinema, van The Maltese Falcon tot The Big Sleep.

Ook Europa kent zijn hard boiled pulphelden, en geen is er taaier en tijdlozer gebleken dan de oer-Duitse Jerry Cotton. Terwijl Sam Spade en Philip Marlowe sinds lang met pensioen zijn, levert 'G-man Jerry Cotton' nu al een halve eeuw lang ononderbroken strijd met de Newyorkse onderwereld.

Dat succes heeft ongetwijfeld te maken met de stripachtige eenvoud van Cottons avonturen. Anders dan Spade of Marlowe worstelt hij niet met existenti vragen of morele dilemma's. Hij ontdoet de stad van ongedierte, en that's it. Anders ook dan zijn Amerikaanse collega's heeft Cotton geen spatje glamour. Hij mag verreweg de best verkochte detective ter wereld zijn (de uitgever raamt de totale oplage van zijn verhalen op een duizelingwekkende 850 miljoen stuks), het heeft hem buiten zijn eigen lezerskring nauwelijks erkenning gebracht. In een standaardwerk als de Oxford Companion to Crime and Mystery Writing kom je hem niet tegen, hoewel die een apart hoofdstuk aan de krimi wijdt en zelfs melding maakt van marginalia als de 'thoroughly Dutch detective novels' van onze eigen Willy Corsari.

Cotton is een lowbrow-fenomeen. Zijn avonturen verschijnen in wekelijkse schriftromans (krantjes met een kleurige omslag en een nietje), die je vindt bij de sigarenboer en het benzinestation. Het is het domein van wat vroeger in beschaafde kringen Schund-of Hintertreppenliteratur heette. Voor de veronderstelde walm die daaruit opstijgt, knijpt de offici kunstkritiek sinds jaar en dag bij voorbaat de neus dicht, al zijn er uitzonderingen op die regel. Zo schreef E. du Perron in 1938 een doortimmerd pleidooi voor de stuiverroman ('Het sprookje van de misdaad'), waarin hij zonder din een verband legt tussen Dashiell Hammett, Lord Lister en de roman policier, en de grote 19de-eeuwse romans van Dickens, Balzac en Dostojevski.

Een curieuze uitzondering is ook het proza-experiment Kaleidiafragmenten van Jacq Firmin Vogelaar uit 1970, een ironische collage van literaire stijlen en taalregisters, waarin naast reclametaal ('Je fijn voelen, en dan Ravel: B & O') tevens het vermakelijk precies gekopieerde jargon van de schriftroman figureert: 'Een stekende pijn in het linkerbeen zweepte de jonge man voort. Opnieuw hamerde de tommygun. . .'

Het motto waarmee Vogelaar het fragment besluit ('Een distrigoroman. Altijd goed. Steeds aktueel. Altijd boeiend.') verraadt dat hij weet waarover hij schrijft: Distrigo is sinds decennia een van de belangrijkste uitgevers van schriftromans in het Nederlandse taalgebied. Naast Cotton-verhalen brengt de firma uit het Belgische Sint Niklaas ook cowboy-series als Winchester 44 en Hollister ('vrijbuiter, gunfighter en premiejager') op de markt.

Over de aard en omvang van die markt is weinig bekend. Distrigo geeft geen oplagecijfers, en instanties als de Stichting Speurwerk betreffende het Boek hebben evenmin gegevens paraat. Schriftromans worden, anders dan de vergelijkbaar 'triviale' pockets uit de Bouqetreeks, niet tot de boekensector gerekend. Dat er een toegewijd, zij het allicht slinkend en vergrijzend publiek voor bestaat, lijdt echter geen twijfel.

Een goed gesorteerd adres is Leeshal Oost, een antiquariaat in de Amsterdamse Dapperbuurt, waar wekelijks tientallen tweedehands schriftromannetjes van eigenaar wisselen. Er liggen stapels beduimelde afleveringen van Avondlectuur, Mammie en John Sinclair, detective van het paranormale. Een tweedehands Jerry Cotton kost er een kwartje. De keuze is beperkt, van de ongebruikelijke partij van achthonderdCottons waar de Leeshal onlangs de hand op wist te leggen, is weinig meer over. 'We krijgen ze verder nauwelijks binnen', verklaart de eigenaar. 'Jammer, want er is tamelijk veel vraag naar.' De oorzaak van het magere aanbod zoekt hij in de goedkope vliegvakanties: 'Mensen nemen ze in stapels mee naar Benidorm. Wie zo'n blaadje uit heeft, stopt het niet terug in z'n koffer.'

Een van de oudste exemplaren in de winkel dateert van 1967. 'Volledige politieroman, 65 cent' staat er op het omslag. Het is niet eens zo'n kostbare vondst, want de FBI-man is nog veel ouder. Vijftig jaar, om precies te zijn. In maart 1954 verscheen bij de kleine Duitse uitgeverij Bastei in Bergisch-Gladbach het allereerste Cotton-verhaal: Ich suchte den Gangster-Chef.

Ter gelegenheid van het jubileum schreef Friedrich Jakuba het bij Bastei verschenen Nichts als Wahrheit und Legenden, een driehonderd pagina's tellende pil waarin de ontstaansgeschiedenis van 'der mutigste Mann in der Staaten' voor het eerst minutieus uit de doeken wordt gedaan. Jakuba beschrijft hoe de avonturen van de onkreukbare FBI-man ('zwart haar, 1.85 meter, getraind in Aziatische vechtsporten') meteen zo aansloegen, dat uitgever Gustav Lhem al snel een eigen serie gunde. Het was het begin van een winstgevende onderneming, die Bastei ('wo gute Unterhaltung zu Hause ist') veranderde in een van de succesvolste boekenconcerns van Duitsland en van Jerry een pulpheld tot in China wordt gelezen.

elke schrijver achter Jerry Cotton schuilging bleef jarenlang onbekend. Wie bij de uitgever informeerde welke auteur de anonieme schreef, kreeg slechts te horen dat de serie ooit door 'een zekere K.' was bedacht. Pas eind jaren negentig wist het dagblad Die Welt zijn identiteit te achterhalen. 'K.' bleek Delfried Kaufmann te heten, een 'bescheiden, gedistingeerde' zeventiger, die in een kort telefoongesprek niet ontkende dat hij de figuur Jerry Cotton had bedacht maar verder met rust gelaten wilde worden.

Kaufmann werkte in 1953 bij de wasmiddelfabriek Henkel en had in zijn vrije tijd een nieuw soort detective naar Amerikaans model bedacht, een 'z, raue Bursche', die hij aanvankelijk Jeremias Baumwolle noemde. Bastei hapte meteen toe, en toen Kaufmann er na zes nummers geen zin meer in had (hij zou later nog wel enkele jubileumnummers schrijven), werd hij opgevolgd door een wisselend team van broodschrijvers, met fraaie namen als Hans E. Knpeter, Hasso Pl en P.E. Fackenheim.

Verreweg de productiefste van dat gezelschap was Heinz Werner H (1931-1996), een Karl May-bewonderaar uit Recklinghausen die vanaf 1965 vele honderden afleveringen voor zijn rekening nam. H werd door Laan het schrijversteam toegevoegd, nadat hij zich in een lange brief over 'talrijke slordigheden' in de verhalen had beklaagd. Zo ergerde H zich eraan dat Cotton met een Mauser 08 op zak liep, een Wehrmacht-pistool uit de Tweede Wereldoorlog, in plaats van het klassieke FBI-wapen, de SIG Sauer P 266.

Onder H vond Cotton definitief zijn eigen stijl. Niet dat er stilistisch veel veranderde. Het proza bleef kaal en op de man af ('was wir brauchten war ein guter Whisky'), de plot schematisch en de hoofdfiguur een uit simpele lijnen opgetrokken, archetypische ermensch. Een voordeel van het minimalisme was dat de serie makkelijk met de tijd meegroeide. De recente aflevering Amy en de genadelozen Wij bestormden het bordeel van de Rus (Distrigoroman nr. 2264) onderscheidt zich nauwelijks van de verhalen uit 1960: e pagina een kogelregen of vuistgevecht. Maar met een enkel eigentijds toefje een verwijzing naar Tom Cruise, het zinnetje 'haar buik was bloot, de navel gepiercet' zitten we meteen midden in 2004.

H maakte van de monotonie een kracht. Hij benadrukte de rituele kant van de vertelling door vaste motieven als mantra's te laten terugkomen: trekt Cotton zijn pistool, dan worden we eraan herinnerd dat het een 'SIG Sauer' is, stapt hij in zijn auto, dan is dat zijn 'rode Jaguar XKR', en spreekt hij zijn chef, dan heet die voluit 'Special Agent in Charge John D. High'.

Tegelijkertijd versterkte H het realistische gehalte door zich exact aan het stratenplan van Manhattan te houden. Dat alle straatnamen, locaties en zelfs telefoonnummers overeenstemden met de werkelijkheid, sprak voor de schrijver vanzelf. De gegevens ontleende hij aan de stapels gidsen en plattegronden waarmee hij zich tijdens zijn 'manische Schreibnte' omringde. Een gevolg van dit dwangmatige realisme was dat veel lezers veronderstelden dat Cotton echt bestond. Bastei bewaart een brief van de voormalige FBIdirecteur J. Edgar Hoover waarin deze aan Duitse fans uitlegt dat er in zijn dienst helaas geen Jerry Cotton werkt.

Pas in 1970 bracht H voor het eerst een bezoek aan de stad waarin hij, zoals hij verzekerde, met zijn ogen dicht de weg vond. Hij kwam naar New York op uitnodiging van de politievakbond, als dank voor de goodwill die zijn verhalen de FBI in het buitenland bezorgden. Vanaf dat moment werd H steeds vaker 'de bedenker' van de serie genoemd, een eerbetoon dat hij zich graag liet aanleunen en dat in 1996 culmineerde in de verschijning van zijn biografie: Der Mann, der Jerry Cotton war. Pas twee jaar later zou Die Welt de naam van Kaufmann achterhalen.

De publicatie van zijn biografie heeft H niet meer meegemaakt. Misschien maar goed ook, want de schrijver begon zich ongemakkelijk te voelen onder de vorsende blikken van literatuurwetenschappers die de monomane pulpschrijver een interessant geval begonnen te vinden. Diepzinnige interpretaties van zijn werk pareerde H het liefst met een citaat van Erich Kner: 'Academici zijn lieden die door stijlanalyse vaststellen dat Caesar platvoeten had.'

Tegen zijn biograaf verzuchtte hij dat Cotton nu ook al tot schoolboeken was doorgedrongen. Van pulpheld tot examenstof voor H was de lol eraf: 'Dit is niet goed voor Jerry Cotton.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden