Frits van Oostrom

Frits van Oostrom: Wereld in woorden - Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400.

Prometheus; 651 pagina's; gebonden € 55,- (na 1 mei € 65,-); paperback € 35,- (na 1 mei € 45,-).


Om over onze 14de-eeuwse letterkunde een opwindend boek te kunnen schrijven, moet je van goeden huize komen. Van mijn studie Nederlands herinner ik me uit die periode verplichte nummers als het verhaal over de non Beatrijs, het Egidius-lied (waer bestu bleven?), de rijmende encyclopedist Van Boendale, de vier wereldlijke toneelstukken die de abele spelen heten, en de verzekering dat Ruusbroec een groot mystiek denker was. Wat niemand controleerde.


Een hybride tijdvak met oorlogen, pestepidemieën en minstrelen, de opkomst van de burgermoraal en veel boeken met weetjes. Allemaal niet onwaar, zo laat Frits van Oostrom zien in Wereld in woorden, het vervolg op Stemmen op schrift (2006), maar de mediëvistiek heeft zich in de loop der decennia tot cultuurgeschiedenis ontwikkeld, en vanuit dát perspectief valt een rijker verhaal te vertellen.


Twee keer verwijst Van Oostrom direct naar Johan Huizinga, de zintuiglijk schrijvende cultuurhistoricus wiens Herfsttij der Middeleeuwen (1919) de jonge Frits betoverde. De eerste keer bijna terloops, als er een kleurrijke uroscopie ter sprake komt, 'die leert wat iemand onder de leden heeft al naar gelang diens urine wit, geel, bloedrood, roodachtig, groen, zwart, goudkleurig of loodgrijs is - het hele herfsttij in een urinaal'.


Pregnanter is het citaat uit Huizinga's Herfsttij over de ascetische beweging van de Moderne Devotie, 'eenvoudige mannetjes en vrouwtjes, wier grote hemel zich welfde boven een minuscuul wereldje'. Commentaar van Van Oostrom: zeker, de devoten konden kleingeestig zijn, maar vooral later, want rond 1400 vormden ze nog 'een doorbraakbeweging vol elan' en ze kopieerden met toewijding het ene boek na het andere. De schatplichtigheid aan zijn leermeester, maar ook de nuancering van diens citaat, typeert de mediëvist en hoogleraar Van Oostrom, die voor Maerlants wereld in 1996 de AKO-prijs won, en voor wie secuur onderzoek minstens zo belangrijk is als de drijfveer om met een breed verhaal een groot publiek aan te spreken.


Niemand kan nog de pretentie hebben in zijn eentje een zo wijdvertakt terrein te overzien, je leunt op voorgangers en deelonderzoeken van allerhande collega's - maar niettemin, niemand anders dan Van Oostrom kan zo mooi in- en uitzoomen. Zijn ontledingen van gedichten zijn stofvrije analyses met gedurfde suggesties (de Beatrijs leent zich 'prima' voor verfilming), en vervolgens plaatst hij ze voorbeeldig in een context.


Over een tekst waarin een 'lekenmoraal' werd opgesteld, zegt hij eerst dat het een 'assortiment levenswijsheden' was 'waarmee men naar eigen believen zijn voordeel kon doen', om die fletse zin vervolgens met een beeldende over te doen: 'Deze levensfilosofie vereiste geen tonsuur of ridderslag, maar liet zich bij wijze van zelfmedicatie innemen in capsulevorm.' Zo opent hij met een enkele zin een venster op een hele eeuw.


Die inderdaad een overgangstijd was, dat hadden we goed onthouden: de ridderroman was voorbij, in plaats daarvan zaten we met ranzige boerden en een gedegenereerde sequel van het 13de-eeuwse verhaal over Reynaert de Vos, Reynaert II, waarvan de tekst 'leeg loopt uit alle openingen'. Er waren sprooksprekers en er trokken minstrelen rond met liederen waarvan niet veel bewaard is gebleven, omdat die lui niet hoog stonden aangeschreven en ze niet erg leken op ons beeld van hen. In plaats van zoetgevooisd kwelende vaganten ging het om hongerlijders, loslopend volk en potsenmakers van discutabel allooi, en met artiestennamen als 'Boudewijn met de bult'.


De verbeelding zat in de verdrukking, non-fictie was populair, de canon poreus. Een tijdvak kortom waar wij ons veel bij kunnen voorstellen, legt Van Oostrom (die in 2006 een Canon van Nederland presenteerde) ons welhaast in de mond. Al probeert hij eenzelfde interesse aan de dag te leggen voor de volkse boeken als voor de hoogtepunten, zijn stijl begint te flonkeren als hij een reus mag behandelen. Jan van Boendale, die opiniërend en met zwier een compleet vademecum voor de 14de-eeuwse leek dichtte; Jan van Ruusbroec, de charismatische mysticus die 'geen blad zonder metafoor' schreef; de Vlaamse én de geniale Brabantse vertaler van de Roman de la Rose, een 'ars amandi' met de Minnaar als ik-verteller; de kritische 'columnist' Willem van Hildegaersberch; en de anonieme auteurs van abele spelen (Esmoreit, Lanseloet), vernieuwend toneel want handelend over individuen.


Bij de behandeling van die toneelstukken citeert Van Oostrom uitvoerig uit de hertalingen die de poëzie-ambassadeur Gerrit Komrij in 1989 publiceerde, en hij wijst er tussen haakjes op dat 'in onze tijd' Hafid Bouazza door de poëtische taal gegrepen werd. Ook dat is een manier om die verre 14de eeuw naar de 21ste eeuw te halen. Zonder kunstgrepen of anachronismen, maar erudiet en stijlvol.


Eén keer wekt Van Oostrom verbazing, als hij schrijft dat Ruusbroec het vermogen bezat 'de hele schepping door de molen van de metaforiek te halen'. Dit klinkt alsof de bezielde schouwer, die overal bruikbare beelden zag, een truc toepaste. Zo denkt Van Oostrom niet over Ruusbroec, de gloedvolle pagina's over de 'mysticus tussen de mensen' bewijzen dat, en juist daarom valt die formulering op. Niet dat het kwalijk is. Eerder een opluchting, dat deze hooggeleerde ook nog een mens is gebleven.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden