Frisse meisjes in de fabriek

Eind negentiende eeuw woedde in Nederland een fel debat over de vraag of vrouwen in de opkomende industrie mochten worden ingezet....

Het kwam begin 20ste eeuw regelmatig voor dat een redacteur van een geïllustreerd weekblad 'een kijkje' ging nemen in een bedrijf. 'Ik fietste op een namiddag langs de fabriek van Jamin en liep eens naar binnen', schreef de journalist dan ongeveer in De Katholieke Illustratie of Eigen Haard. Er volgden indrukwekkende fotoseries met gebouwen vol nette arbeiders en arbeidsters, en met voorzieningen als het schaftlokaal en de kegelclub.

Het zag er allemaal pico bello uit. En dat was ook de bedoeling, zegt mediahistorica dr. Marga Altena. De bedrijfsreportages waren strak geregisseerd door de fabrikanten. Ze werden, na de Arbeidsenquête van 1887 naar arbeidsomstandigheden in de industrie, nogal eens beschuldigd van uitbuiting en slechte werkomstandigheden. Met de foto's konden ze letterlijk laten zien hoe goed ze bezig waren. 'Het is enigszins vergelijkbaar met hoe bedrijven nu de commissie-Tabaksblatt hebben ingesteld om de burgerij gerust te stellen over hun beleidsvoering', zegt ze.

Afgelopen donderdag promoveerde Altena aan het Centrum voor Vrouwenstudies van de Katholieke Universiteit Nijmegen op de verschillende wijzen waarop rond 1900 nieuwe media als foto en film werden ingezet om een standpunt voor het voetlicht te brengen. In haar rijk-geïllustreerde boek Visuele strategieën. Foto's en films van fabrieksarbeidsters in Nederland 1890-1918 concentreert ze zich op de vele beelden van vrouwelijke arbeidsters die in die periode circuleerden.

De reden daarvoor, zegt ze, is dat vrouwenarbeid rond de eeuwwisseling een fenomeen was waarover een heftig publiek debat woedde. Altena analyseerde de manier waarop drie specifieke groepen - de fabrikanten, de Arbeidsinspectie en de Vrouwenbeweging - zich met behulp van beelden in die discussies mengden.

Dat gebeurde het eerst rond 1890. In die tijd speelde de 'Sociale Quaestie'. Door de industrialisering werden steeds meer vrouwen en kinderen in de fabrieken ingezet. Volgens velen zou dit de zedelijkheid aantasten, omdat het gezinsleven werd ontwricht. Nadat bovendien verschillende kritische rapporten over hygiëne en veiligheid in de fabrieken waren verschenen, werd in 1889 de Arbeidswet aangenomen. Een jaar later werd de Arbeidsinspectie opgericht, om toezicht te houden op naleving van de regels.

De jaren daarna verschenen volgens Altena de reportages in de tijdschriften waarin ondernemers zichzelf konden afschilderen als modelfabrikanten. Op de foto's waren gescheiden ruimtes voor mannen en vrouwen te zien en werd de vrouwenarbeid minimaal getoond. Het gevolg, aldus de promovenda: 'Een zekere maatschappelijke acceptatie van de fabrieksarbeidster. Die stond nog steeds ter discussie, maar bleek een groeiend verschijnsel.'

De Arbeidsinspectie (in het begin slechts drie man) stelde zich de eerste jaren na 1890 begripvol op tegenover fabrikanten. 'Men veronderstelde dat heren onder elkaar in staat zouden zijn de problemen in goed overleg op te lossen.' Pas rond 1900 werd de aanpak van de inspecteurs (waar inmiddels ook een vrouwelijke adjunct aan was toegevoegd) wat kritischer. Fotografie speelde bij de inspectie nog geen rol.

De Vrouwenbeweging had in deze tijd een eigen agenda. De vooral burgerlijke 'dames' waren bezorgd om het lot van de arbeidersvrouw. Ze zagen een oplossing in burgerlijke opzichteressen, waarmee ze natuurlijk zichzelf en passant een taak verschaften. Tegelijkertijd, zegt Altena, 'waakten de feministes ervoor dat hen geen onfatsoenlijk gedrag kon worden verweten. De associatie met ”onzedelijke arbeidersvrouwen” konden ze zich rond 1900 kennelijk niet permitteren.'

Altena kon het dilemma aflezen aan de beelden die in 1898 werden getoond op de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den Haag, georganiseerd door de Vrouwenbeweging. Op deze door 90 duizend mensen bezochte expositie waren geen realistische foto's te zien van vermoeide, half ontklede vrouwen in de steenfabriek, maar een heroïsch beeld van een fatsoenlijke steenbewerkster.

Ook waren er vrouwen die hun werk live demonstreerden, maar dan wel op een geïdealiseerde manier: netjes in uniform. Van die demonstraties werden foto's gemaakt die weer als prentbriefkaart het hele land doorgingen.

Rond 1900 komt er een omslag in de maatschappelijke visie op vrouwenarbeid. Tot die tijd werd 'huisindustrie' gezien als goed alternatief voor fabrieksarbeid. De vrouwen konden thuis garnalen pellen, zakjes plakken en tabak strippen terwijl ze op de kinderen pasten. Bovendien hoefden ze hiervoor niet zonder begeleiding de straat op om tussen vreemde mannen te werken.

Maar gaandeweg kwam men erachter dat huisindustrie schadelijk was voor de gezondheid. Voor de arbeidsters, arbeiders en ook voor de afnemers van hun producten dreigde de besmetting van zweren, tuberculose en sifilis.

Vooral het fotografische werk van de arts-fotograaf Louis Heijermans bracht dit onder de aandacht van het grote publiek. Heijermans, 'de eerste sociale fotograaf van Nederland', fotografeerde de aangetaste gezichten, armen en benen van de vrouwen en toonde ze aan collega-artsen, fabrikanten en arbeiders. In 1908 publiceerde hij een fotoboek over beroepsziekten.

Heijermans' werk zou invloed uitoefenen op de Arbeidsinspectie. Die ging foto's inzetten als documentatie-en controlemiddel van de toestanden in de fabrieken. In haar jaarverslagen en onderzoeksrapporten verschenen steeds meer foto's van wantoestanden.

Rond 1910 kwam de bedrijfsfilm op. Het medium film toonde de fabriek heel anders dan de foto, concludeerde Altena na uitgebreid archiefonderzoek. Terwijl op foto's vooral de directeur en zijn fabriek werden geportretteerd, werd nu verslag gedaan van het productieproces. Noodgedwongen kwam daarmee ook de arbeidster nadrukkelijker in beeld: opeens werd expliciet wat vrouwen in fabrieken allemaal deden.

In 1913 liet de Vrouwenbeweging weer van zich horen. Op de Tentoonstelling De Vrouw 1813-1913 toonde ze haar nieuwe zelfbewustzijn: er was veel meer aandacht, ook in beeld, voor de misstanden in de vrouwenarbeid. Altena: 'Was de fabrieksarbeidster in 1898 voor de Vrouwenbeweging een vrouw van twijfelachtige reputatie die opzicht behoefde, in 1913 was zij slachtoffer van de maatschappelijke orde.'

Fabrikanten, Arbeidsinspectie en Vrouwenbeweging kwamen na de oorlog nog een keer samen. In 1919 organiseerden ze de tentoonstelling De opvoeding van de jeugd boven den leerplichtigen leeftijd. De zorg over de zedelijkheid van vrouwenarbeid was inmiddels verplaatst naar de psychologische gevolgen van de sterk doorgevoerde arbeidsdeling en het werk aan de lopende band.

'Met mooie, professionele foto's werden de problemen van jonge arbeidsters effectief verbeeld', stelt Altena. 'Gezamenlijk kwamen de drie groepen tot een positief ideaalbeeld van de werksfeer: schoon en veilig. Als voorbeeld van hoe het kan en zou moeten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden