FRANSEN: KITTELACHTIGH EN ONRUSTIGH

TOEN Johan Huizinga in het voorjaar van 1930 was uitgenodigd om aan de Parijse Sorbonne een college te geven over de Hollandse beschaving van de 17de eeuw, begon hij als volgt: 'Mijn taak is verre van eenvoudig, want om enig inzicht te krijgen in welke beschaving dan ook, is het...

Hiermee gaf Huizinga precies aan wat er mankeert aan het beeld dat de 20ste-eeuwse Fransen van Nederland hebben: het bestaat voornamelijk uit witte plekken. Nederland wordt door velen - zelfs door goed opgeleiden - als een hoekje van het grote Duitsland gezien, zoals het Nederlands wordt beschouwd als een dialect van het Duits 'dat door zeven à acht miljoen mensen' gesproken wordt (zoals een Franse taalkundige me eens voorhield).

Deze onwetendheid is niet alleen te wijten aan Franse arrogantie en chauvinisme. De Nederlanders profileren zich sinds jaar en dag - in feite sinds Thorbecke - als een kleine natie. Politiek gezien is dit heel gewiekst, zoals Mitterrand, zelf een gewiekst politicus, eens opmerkte. Op die manier weten de Nederlanders immers onder bepaalde verantwoordelijkheden uit te komen, met name op het gebied van defensie, die te veel geld kosten of een gevaar opleveren voor de nationale consensus. Deze opstelling is echter niet zonder risico. Als je maar lang genoeg roept dat je klein bent, word je uiteindelijk ook zo behandeld en op een gegeven moment ziet niemand je meer staan.

Deze valse bescheidenheid is slecht voor de beeldvorming van Nederland in het buitenland, met name in Frankrijk. Als de Nederlanders willen dat de Fransen hen beter leren kennen, vraagt dat bewust beleid en moeten ze zeker niet hun enige etalage in dat land, l'Institut Néerlandais, telkens weer met sluiting bedreigen. Dank zij deze instelling krijgt het Franse publiek momenteel de gelegenheid om te ontdekken dat Nederland ook een van de pioniers van de filmkunst is geweest.

Want het Franse gebrek aan belangstelling is bezig te verdwijnen, en bovendien is die belangstelling gedurende bepaalde perioden wel degelijk groot geweest. In de 17de en 18de eeuw zijn de Verenigde Nederlanden een van de meest genoemde buitenlanden. Dat geldt niet alleen voor de memoires van staatslieden uit die tijd - met name die van Richelieu en Colbert - maar ook voor reisverslagen en privé-correspondenties. De laat-18de-eeuwse bibliotheek van de hertog de la Vallière bevatte 150 werken over de Verenigde Nederlanden, een aantal dat slechts overtroffen werd door de boeken over Engeland. 'Le voyage de Hollande' was voor Franse schrijvers haast net zo'n must als voor schilders 'Le voyage d'Italie'. Montesquieu, Voltaire, Diderot en Mirabeau zijn de beroemdste voorbeelden.

Terwijl de Fransen vanaf het begin van de 19de eeuw geleidelijk hun belangstelling voor Nederland verloren, bleef Nederland de ogen gericht houden op Frankrijk, zij het in iets mindere mate dan de tijd daarvoor. Deze asymmetrie is ongetwijfeld de belangrijkste oorzaak van de irritatie die vaak spreekt uit de Nederlandse reacties op de Franse politiek. Het is alsof de Nederlanders, nadat ze zelf afscheid hebben genomen van de 'grandeur', moeilijk kunnen accepteren dat Frankrijk zich daar nog wel altijd op beroemt, terwijl ze vroeger praktisch op voet van gelijkheid met elkaar omgingen. Het heeft er veel van weg dat de Nederlandse verwijten aan het adres van Frankrijk te maken hebben met de 'gevoeligheid van een kleine natie met een groot verleden', om het in de woorden van prof. P. Blaas te zeggen. De Nederlanders lijken tegen de Fransen te willen zeggen: 'Waarom leggen jullie je er toch niet gewoon bij neer dat jullie glorietijd voorbij is, zoals wij reeds lang geleden met het verval van onze natie in het reine zijn gekomen?'

Toegegeven, het Nederlandse wantrouwen jegens Frankrijk is niet van vandaag of gisteren. Het gaat terug tot de tijd van Hendrik IV. Deze had zich weliswaar een trouwe bondgenoot betoond, maar was zo onverstandig om veel te vroeg - naar de smaak van Den Haag - vrede te sluiten met de Spanjaarden. Omdat de Fransen een al te begerig oog op de Zuidelijke Nederlanden lieten vallen en men vasthield aan het adagium 'Gallus amicus sed non vicinus' (De Galliër graag als vriend, maar niet als buur), namen de Staten-Generaal in 1646, toen de relatie tussen de twee landen op zijn best was, een resolutie aan die tegenwoordig ongetwijfeld op de lachspieren zou werken van de diplomaten van de beide landen:

'Dat Vranckrijk, zijnde vergroot met de spaensche Nederlanden, een formidabel lichaem sal wesen voor desen Staet. Dat overmachtige gebuuren te hebben voor alle Staten altijt gans gevaerlijk is geoordeelt geweest. Dat de Fransche natie kittelachtigh en onrustigh is, sonder remuement nauwelicx konnende geduren'.

'Kittelachtigh en onrustigh', een typering die, als ze nog gangbaar was, ongetwijfeld door de Nederlanders van toepassing zou worden verklaard op het Frankrijk van Jacques Chirac. Dit wantrouwen is uiteraard maar een aspect van de verhouding van de Nederlanders tot Frankrijk. Het meest wezenlijke kenmerk is misschien wel de grote ambivalentie van de Nederlandse gevoelens ten aanzien van Frankrijk. 'Gallus amicus', dat zegt het adagium tenslotte ook... Een recente enquête onder middelbare scholieren, uitgevoerd door de Rijksuniversiteit Leiden, toont deze haat-liefdeverhouding duidelijk aan. Zowel in de kolom van de positieve punten als in die van de negatieve scoorde Frankrijk telkens zeer hoog. Jaloers - en jaloezie is een ambivalente emotie bij uitstek - zijn de scholieren het meest op Frankrijk en de Fransen.

Is het verwijt aan de Fransen dat ze zo nationalistisch zijn niet een soort projectie van de Nederlanders? Iedereen die wel eens in Nederland is geweest op een dag dat er een belangrijke voetbalwedstrijd - en speciaal tegen de Duitsers! - gespeeld werd, weet dat de Fransen daar geen patent op hebben.

Een andere vraag is in hoeverre het beeld dat de Nederlanders van Frankrijk hebben, is gebaseerd op werkelijke kennis. Ze gaan in groten getale op vakantie naar Frankrijk, maar waar zie je ze het meest? In de toeristische streken. De Ardèche is weliswaar een prachtig gebied, maar niet bepaald representatief voor het moderne Frankrijk.

In dit verband durf ik te stellen dat het beeld van Frankrijk - als model, maar vooral als anti-model - een hoofdrol heeft gespeeld bij de vorming van de Nederlandse identiteit. Met andere woorden, in plaats van te redeneren in termen van 'wederzijdse beïnvloeding', een problematisch en verouderd begrip, is het veel interessanter om te bekijken hoe de twee landen zich - vooral negatief - voortdurend aan elkaar gespiegeld hebben.

Dit was het sterkst het geval in de tweede helft van de 17de eeuw, toen Frankrijk en de Nederlanden op alle gebieden elkaars tegenpool waren en zich tegen elkaar afzetten. Als reactie op Lodewijk XIV, die een diepe minachting had voor 'dit koopliedenvolk', kwam er uit Nederland een stroom van schotschriften en karikaturen gericht tegen de absolute monarchie, waarvan de auteurs veelal gevluchte Franse hugenoten waren, hetgeen de rivaliteit tussen beide maatschappijen alleen nog maar vergrootte. En laten we wel wezen; er is geen groter verschil denkbaar tussen een meer en meer verkrampte absolute monarchie en een steeds zelfbewuster wordende republiek, bestuurd door regenten uit de burgerlijke klasse; tussen een agrarische maatschappij en een welvarende handelsnatie; tussen het starre katholicisme van een Lodewijk XIV en een bolwerk van het protestantisme dat Nederland was.

Ook in de 19de eeuw blijven vooraanstaande politici zich in Nederland negatief spiegelen aan Frankrijk. Voor Groen van Prinsterer en Kuyper, de grondleggers van het anti-revolutionaire denken (dat wil zeggen: gericht tegen de Franse revolutie van 1789), vertegenwoordigde het toenmalige Frankrijk bij uitstek de kwaden van de moderne geest: atheïsme, strenge scheiding tussen staat en godsdienst ('laïcité'), kritisch individualisme, klassenstrijd, politiek geweld en - wat het ergste was - een verregaande staatsbemoeienis. Kwaden waartegen niet fel genoeg gestreden kon worden, wilde men zowel de erfenis van de 'vaderen van Dordrecht' als het principe van de 'soevereiniteit in eigen kring', in stand houden.

Als er iets haaks staat op de Franse mentaliteit, dan is het wel de verzuiling, het bindende element van de Nederlandse samenleving tot in de jaren zestig. Dit maatschappelijk bestel, waarin voor de diverse levensbeschouwelijke groepen een centrale plaats is gereserveerd in de politiek, maar ook in de media, een groot deel van het onderwijs en de gezondheidszorg, en dat voor elk individu een kader biedt waarin het van de wieg tot het graf is ingebed, staat in groot contrast met de 'citoyenneté à la française', die gekenmerkt wordt door een rechtstreekse en hartstochtelijke band tussen de staat en het individu, zoals Toqueville die zo meesterlijk beschreven heeft in l'Ancien Régime et la Révolution.

De polarisatie op sociaal en politiek gebied die we momenteel in Frankrijk zien, is ondenkbaar in een land als Nederland, waar het pragmatisme regeert en waar men steeds bereid is tot dialoog en het zoeken naar compromissen. Ik ben ervan overtuigd dat in de tegenstelling tussen deze twee sociaal-politieke culturen de oorzaak schuilt van het hardnekkige wantrouwen van de Nederlanders ten opzichte van Frankrijk en de Fransen, en alle bijbehorende clichés.

Maar als deze gespannen relatie zo'n onontbeerlijk bestanddeel is van de Nederlandse identiteit, zo zal men zeggen, is het toch bij voorbaat uitgesloten dat de Europese integratie de twee landen nader tot elkaar zal brengen? Deze conclusie gaat echter geheel voorbij aan twee belangrijke processen die zich de laatste twintig jaar in beide landen hebben voorgedaan: in Nederland de ontzuiling, die momenteel het medialandschap totaal op zijn kop zet, en in Frankrijk het dramatisch afgenomen vertrouwen in de staat. Door deze twee ontwikkelingen is de kloof tussen de beide sociaal-politieke modellen aanmerkelijk verkleind.

Daarbij komt dat in Frankrijk de belangstelling voor wat er in Nederland gebeurt de laatste jaren aanzienlijk is toegenomen. Een voorbeeld: tegenwoordig is een flink deel van het oeuvre van Hella Haasse in Franse vertaling verkrijgbaar (evenals dat van Nooteboom en Mulisch).

De tijd lijkt rijp om elkaar beter te leren kennen, in een klimaat vrij van allerlei oude gevoeligheden. Wishful thinking? Nee, want de voorwaarden voor een dergelijke toenadering zijn wel degelijk aanwezig, evenals de noodzaak: beide landen ondergaan de invloed van de snel toenemende globalisering van de economie en de media, hebben te maken met dezelfde maatschappelijke problemen (werkloosheid, de integratie van migranten, drugs, criminaliteit) en zetten zich beide in voor een steeds hechtere Europese eenheid. Frankrijk en Nederland moeten en kunnen elkaar beter leren kennen, zonder dat hun identiteit daarbij gevaar loopt.

Christophe de Voogd is docent geschiedenis aan het Institut d'Études politiques te Parijs.

Vertaling: Harrie van der Meulen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden