FRANS HAKS

Huilerig jongetje/ roggelever op canapé/ beschuldigd van steunfraude/ 'prima conservator, slechte directeur'/ de jurk van de Koningin - het leven van Frans Haks is als een postmodern kunstwerk....

FRANS HAKS NOEMT zichzelf een boze fee, het slachtoffer van zijn grillen en een kreng. Zijn dagboek heet Een calculerende terriër. Het gaat over de heibel rond de nieuwbouw van het Groninger Museum: 'Het benauwt me, dit moeras op de noordpool, dat iedereen verstikt die zich roert.' Haks hield het er achttien jaar vol. In 1995 verliet hij de stad: over de ophaalbrug, dwars door de cadeauverpakking voor de kunst, die de architect Alessandro Mendini onder zijn hoede ontwierp. Het lastpak is in andermans ogen evengoed een aanbiddelijk mormel.

'I love him! He is crazy! Over the top! Zijn manier van doen, zijn gedrag, hoe hij praat, wie hij is: hij maakt me aan het lachen, zomaar. The Frans Haks Experience is onvergelijkbaar. Gelukkig lopen we elkaar niet voor de voeten, we zijn veel te koppig allebei. We zijn het altijd oneens. Over alles' Mark Wilson, op de valreep door Haks aangenomen als conservator actuele kunst, ervaart die onenigheid als een goeie grap.

De voormalige galeriehouder uit New York is bekaf na de inwijding, vorig weekeinde, van de spektakelshow die hij maakte met de Franse couturier Azzedine Alaïa, maar zodra hij aan Haks denkt kan hij het schateren niet laten. 'Ik werk met directeur Reyn van der Lugt en doe andere dingen dan Frans deed, maar ik heb hem nooit zo vrolijk gezien als bij de opening van Alaïa. He freaked out. Dat de expositie ook het paviljoen beslaat dat hij voor oude kunst bestemd had, maakte niks uit.

'Frans is niet bang om van gedachten te veranderen. Hij heeft het museum neergezet; mij heeft hij binnen gehaald om het te vullen. Ik ben hier vanwege zijn gebouw. Als referentie is Frans altijd in mijn achterhoofd aanwezig. Hij is barokker dan ik, althans dan ik was. De kleurenuitbarsting hier heeft mijn perspectief veranderd. Weet wel dat ik Frans daar verantwoordelijk voor houd,' maant Wilson, vergenoegd.

Haks' erfgenamen plunderen het 'praktisch kleurenhandboek' dat Peter Struycken voor het museum ontwierp: een staalkaart van veertien tinten in een keur aan combinaties, zodat de raamloze zalen in het Mendini-paviljoen telkens van sfeer kunnen veranderen, zonder dat het ruimtelijk palet zijn samenhang verliest. Struycken, en met hem de beeldhouwers Carel Visser en Joost van den Toorn, belichamen de vaak vergeten trouw van Frans Haks. Zegt Struycken. De museumdirecteur volgde hun ontwikkeling, in weerwil van de veranderlijke mode.

'Frans waait niet mee met de wind; hij blaast zelf discussies en reputaties aan. Die van de Neue Wilden, schilders als Dahn en Dokoupil, zijn nu onwankelbaar, net als die van de Italianen: Clemente, Palladino, Chia. Of denk aan fotografen als Erwin Olaf en Inez van Lamsweerde. Het enthousiasme van Frans heeft zeker bijgedragen aan hun raketachtige vlucht.' Struycken zelf was voor het eerst van de partij op een in Utrecht door Haks samengestelde expositie van 'elektrisch gestuurde werken'. Hun vriendschap dateert uit die tijd, dertig jaar geleden.

Toen Struycken later een ontbijtservies decoreerde, noemde hij zijn ontwerp Johan. Een tafellaken kreeg de titel Ambaum. Johan Ambaum is Haks' levensgezel, al vijfendertig jaar. 'Eigenlijk ben ik jaloers', bekent Haks, 'want ik kan me niks vleienders voorstellen dan dat een kunstenaar werk aan je opdraagt omdat je hem geïnspireerd hebt.' Maar Ambaum verdient de eer: omdat hij Struycken 'als het ware opgevoed heeft op het gebied van de tafelcultuur'.

De tafelcultuur is een terugkerend hoogtepunt in het leven van Haks, dank zij de kostelijke maaltijden en couverts waarmee zijn vriend hem verwent. Ambaum is gespecialiseerd in toegepaste kunst - en besmette Haks met zijn voorkeur. Hij werkte in het Utrechts Goud- en Zilvermuseum, daarna bij het Glasmuseum in Leerdam. 'Ordinair met een bordje op schoot voor de tv,' zegt de keukenprins, die zijn hand niet omdraait voor roggelever op canapé of een gevulde snip, 'dat probeer ik ook wel eens, maar daar komt niks van in. Als ik geen zin heb er werk van te maken, eten we buiten de deur.'

De diners in huize Haks zijn vermaard. Kunstenaars, collega's en policiti roemen de dranken en spijzen waarop ze werden vergast - of waarmee ze werden verleid zich in te spannen voor de goede zaak. Galeriehoudster Riekje Swart (75), ook al zo'n vijfendertig jaar verknocht aan die 'lieve, vieve jongens', wist niet wat ze meemaakte toen ze op de eerste uitnodiging inging.

'De omgang met Frans is één grote anekdote. Ik kwam bij Johan en hem, in hun betonnen flat, op een classicistisch bankje terecht, style empire. Johan had het provisorisch bekleed en waarschuwde me voor de spelden. Voorzichtig zat ik daar met Frans te borrelen. Trek te krijgen ook. Johan kwam af en toe uit de keuken, als hij iets hoorde wat hem niet beviel. Met Frans gaat het gesprek meteen aan beleefdheden voorbij. Intussen ontdekte ik dat hun etentjes een ceremonie behelzen tot diep in de nacht.

'Tegen de tijd dat ik weg moest, kon het dessert worden opgediend. Nog wordt mij verweten dat ik dat heb laten schieten. Frans vond dat ik het hun niet kon aandoen. Hij leefde mee met de prestatie die Johan leverde. Maar ik wilde de laatste trein terug naar Amsterdam, ik kende die jongens amper, en dan blijven slapen? Frans was net conservator moderne kunst bij het Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht. Hij was zich komen oriënteren in mijn galerie en de vriendschap nam pas een aanvang.'

Swart zou Haks wegwijs maken in de actuele kunst en zij haalde hem ook over te solliciteren in Groningen. Maar ten slotte, 'nadat hij het museum uit de handen van provinciale regenten had bevrijd', was zij het ook, die er bij Haks op aandrong zich neer te leggen bij het contract waarin hij zijn vertrek had bevestigd - van zijn stuk gebracht door de beschuldiging dat Ambaum en hij steunfraude zouden hebben gepleegd.

'Toen hij dat weer wilde aanvechten, heb ik gezegd, jongen, je hebt er bijna twintig jaar gezeten, een dolk in je rug gekregen en er een bypass aan overgehouden, ben je nou gek geworden? Ik heb liever dat je blijft leven' Triomfantelijk: 'Hij is nu weer zelfverzekerd. Tactloos misschien, maar dat is zijn overlevingstactiek. Als je hem beledigt, slaat hij terug.' Haks over zichzelf, in Een calculerende terriër: 'Hoe is het mogelijk dat je van een heel zenuwachtig jongetje, dat in tranen uitbarstte als de aandacht op hem viel, zo'n zelfbewust, opdringerig geval wordt?'

'Frans is Fluxus,' constateert Ed Taverne, hoogleraar architectuur in Groningen. 'Hij heeft geen enkel ontzag voor gezag, niet voor politici, kunsthistorische autoriteiten of de koningin in eigen persoon. Hij is zelf kunstenaar. Totaal onaangepast. Als hij tekeer gaat is het een mix van pose en oprechte woede of verontwaardiging. Het is natuurlijk bepaald geen lekker dier, maar als je ermee om weet te gaan is hij zeldzaam stimulerend.

'Frans is de eerste kunsthistoricus die verliefd is op architectuur, die niet denkt in termen van hiërarchie. Hij heeft een utopie uit de jaren zestig bereikt: een architectuur die oplost in het leven. Het museum is verleidelijk, theatraal en extravert. Het neemt die afgrijselijke academische distinctie weg tussen bouwkunst en beeldende kunst, film, media en mode. Het dicteert zijn eigen functie. Het verandert met de stad en de cultuur rondom, godweet wordt het ooit een Tropicana. Het Colosseum heeft ook talloze functies gekend.'

Alexander van Grevenstein, directeur van het ingetogen Bonnefantenmuseum in Maastricht, denkt dat in wezen híj de grootste optimist is van de twee: 'Frans consumeert zichzelf. Hij versiert het leven tegen de klippen op, uitbundiger dan wie ook, maar met een destructieve ondertoon. Hij is de geknipte held voor een opera. Het decor staat er al. Natuurlijk hebben wij veel geruzied. We waren het oneens. Ik had niet verwacht dat zijn ideeën zo zouden aanslaan: een inschattingsfout. Frans zou me nog wat kunnen leren. Hij verstaat de kunst dingen zo te verpakken dat ze massaal worden geaccepteerd.'

'Toen ik naar het Rijksmuseum ging', zegt professor Henk van Os, 'heeft Frans me ingepeperd wat ik daar zoal moest doen en laten. Hij kan flink lang doorzeiken over de noodzaak oude en nieuwe kunst te mengen. Ik heb het anders gedaan, maar dat was geen zaak om ruzie over te krijgen. Misschien wilde hij dat wel hoor, want het is natuurlijk ook een geweldige etterbak en in zijn zucht naar de mentaliteit van de tijd is hij rücksichtslos. In Haks herleeft Willem Sandberg. Hij snuift op waar het nú om gaat in de wereld en moet daar dan ook volledig in doorbranden voor hij het volgende kan verkennen.'

Uit Een calculerende terriër: 'Ik werk aan een nieuw gebouw, een nieuw beleid en een nieuwe organisatie en tegelijkertijd aan mijn begrafenis en testament.'

Zijn grootste kwelling in Groningen, schrijft Haks, was de bemoeienis van zijn museumbestuur. Adri van Hijum, indertijd voorzitter, kijkt daar niet van op: 'Ik vond Frans een prima conservator, maar een slechte directeur. Reden genoeg voor aanvaringen. Het is funest voor een organisatie als de directeur geen oor heeft voor zijn specialisten. Haks gebruikte hen als wegwerpartikelen. Ik begrijp best dat Christiaan Jörg, conservator kunstnijverheid, geen zin meer heeft op hem in te gaan.'

Maar Marie-Hélène Cornips, die tien jaar conservator actuele kunst was onder Haks, vindt hem een leuk lastpak. 'Had je net een expositie ingericht, kwam hij langs om alles weer om te gooien. Frans is niet moedwillig recalcitrant. Als hij ergens tegen aantrapt, is hij het er oprecht mee oneens. Hij houdt van het onverwachte, hij bereidt mensen verrassingen. De eerste keer dat ik bij hem dineerde, lag er linkshandig bestek voor me klaar van Arne Jacobsen. Frans is even opmerkzaam als origineel.'

Zo'n huiselijk contact was de burgervader van Groningen, Hans Ouwerkerk, niet vergund: 'Aan bestuurders had Haks geen boodschap. Haks heeft in Groningen hartgrondige irritaties veroorzaakt en grote prestaties geleverd. Het is een scherp opererende man. Met zijn wijze van denken en zichzelf profileren, is er weinig voor nodig om uit elkaar te groeien. Maar wanneer hij schrijft dat ik hem bij de opening van het museum onvoldoende heb geprezen, vergist hij zich. Zijn prestatie is onmiskenbaar goud waard. Het ligt niet in de landaard om te snoeven, maar de Groningers hebben het museum in hun hart gesloten. Ze zijn trots op het succes.'

Als Haks één krijgsmaatje had in de Groningse politiek, was het de wethouder ruimtelijke ordening, Ypke Gietema: 'Onze humeuren verstonden elkaar. We konden hartstochtelijk ruzie maken, en daarna dansen door de nacht. Ik wilde het museum in het water tegenover het station. Hij wilde een plek in de leegte. Ik zei: weet je wat we doen? Ik kies de locatie en jij de architect. Dat vond ik een mooie deal. Goddank pronkt de stad nu met een museum dat zo stevig op zijn betonnen palen in het water staat, dat Frans het niet heeft kunnen meeslepen naar Amsterdam.'

Frans Haks: Een calculerende terriër. Arbeiderspers, ¿ 59,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden