Frankrijk koestert alles wat ooit is gemaakt

Elk debat heeft zijn moment van de waarheid. Dit keer was dat een oudere heer achter in de zaal. 'In Frankrijk wordt nog amper Latijn en Grieks onderwezen op de middelbare school', zei hij. 'Dat is een schande. En onze president keurt dat goed.' Een warm applaus was zijn deel.


Een typisch Frans applaus ook. Het debat een week of wat geleden gehouden op het Institut Néerlandais in Parijs, ging over de kunstbezuinigingen in Nederland. Er namen twee Nederlandse cultuurdragers aan deel - Rob Riemen en Harry de Winter - en twee Franse. De ene Fransman, directeur van expositieruimte la Pinacothèque in Parijs, sprak amper een woord Engels, zoals nog steeds veel van zijn landgenoten. Maar ook hem was de klacht over het verdwijnen van de klassieke talen uit het hart gegrepen.


Die Nederlandse kunstbezuinigingen, daar snappen de Fransen weinig van. Ze kunnen zich domweg niet indenken dat er ergens in de beschaafde wereld een land is dat 30 procent op de kunsten bezuinigt.


Dus dwaalde het debat af naar theoretische hoogten. Ook mijn gedachten namen zodoende een vlucht. Naar een ander debat, in de Amsterdamse Balie. Daar waren Nederlandse dansers en choreografen bijeen. Niet om te protesteren tegen de bezuinigingen, maar juist om te bedenken hoe de sector, door zich anders te organiseren, die bezuinigingen tot een voordeel zou kunnen ombuigen. Pragmatischer kan het niet.


Dat kunstdebat is een mooi voorbeeld van hoe onmetelijk groot de verschillen tussen de twee landen kunnen zijn. Frankrijk koestert alles wat ooit gemaakt werd: de duizenden Romaanse kerken, de depots vol historische schilderijen, de landschappen en koeienrassen, de in 1680 opgerichte Comédie Française.


Dat door al dat conserveren de vernieuwing vaak weinig kans krijgt, soit. Als je maar zorgt dat de Angelsaksische cultuur buiten de deur blijft, valt dat amper op. En reken maar dat de Franse muren hoog zijn: Angelsaksische boeken verschijnen in vertaling met een vertraging van zeker een jaar op de Franse markt.


Het is in de Parijse metro heel gewoon iemand Balzac of Flaubert te zien lezen. Literaire citaten worden als pepernoten door elke redevoering gestrooid. Zo'n vanzelfsprekende omgang met de culturele geschiedenis kennen Nederlanders niet.


Nederland is een polder waar de wind vrij spel heeft. Invloeden uit alle windstreken worden aanvaard en verwerkt. Traditie is er amper, alles kan telkens weer opnieuw beginnen.


Nederlandse ontwerpers als Moooi, Piet Hein Eek en Hella Jongerius hebben een grote naam in Frankrijk. Dat geldt ook voor Nederlandse architecten, met Rem Koolhaas en Winy Maas als vaandeldragers. Niet alleen Victor & Rolf, ook conceptueel couturier Iris van Herpen wordt gewaardeerd in de Parijse modewereld. Laurens van den Acker, de hoofdontwerper van Renault, is een Nederlander.


Nederlanders blinken uit in kunst waarmee wat te verdienen valt. Een houding die de kunst in Nederland tot een willig slachtoffer van bezuinigingen maakt. Terwijl Fransen alles wat ooit werd gemaakt of bedacht met eindeloze zorg omringen.


Lady Gaga is ook kunst, waagde intussen een van de panelleden te opperen. De man van de Pinacothèque werd furieus. 'Ik heb nog nooit iets van haar gehoord', brieste hij. 'Maar ik weet heel zeker dat het geen kunst is.'


Ariejan Korteweg is correspondent in Parijs


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden