Franker klapt alleen nog maar voor Eltingh en Haarhuis

Watjes. Weinig fraai en typisch Nederlands tennisjargon uit de jaren tachtig. Het woord stond voor verwende knaapjes en over het paard getilde deerntjes die, afkomstig uit een bevoorrecht milieu, een leuk balletje hadden leren slaan maar nooit de hardheid zouden ontwikkelen om in de voetsporen te treden van een Tom...

Van onze verslaggever

PARIJS

Michiel Schapers was de uitzondering. Een toonbeeld van souplesse en balgevoel was hij allerminst maar noeste ijver en ontembare vechtlust bleken niet minder belangrijk. Schapers dwong met zijn inzet een 25ste plaats af op de wereldranglijst. In die tijd was dat voor Nederlandse begrippen een weelde van jewelste.

Maar over Schapers werd geschamperd dat hij hooguit een vogelverschrikker was, een stijve hark die zijn succes slechts had te danken aan het falen van anderen. Bovendien was hij niet leuk, niet gezellig. Schapers schond de code van vrijblijvendheid door het uiterste van zichzelf te vergen. Hem werd meer scepsis dan waardering deelachtig.

Stanley Franker bracht daar verandering in. Toen hij in 1986 aantrad bij de tennisbond, was één van de eerste dingen die hij de zogenaamde nationale elite voorhield: 'Respecteer Schapers en leer van hem. Leer van zijn offers en doelgerichtheid'. Franker was in die tijd een verademing voor het Nederlandse tennis. Eindelijk stond er iemand op die schijt had aan conventies, die bereid was iedereen een trap onder het achterste te verkopen. Al was het maar verbaal.

Vijf jaar had Franker nodig. Maar toen stond er, in Australië, ook een equipe die in grote saamhorigheid iets wilde betekenen voor zichzelf, voor elkaar en voor het Nederlandse tennis. Voordien hadden de spelers uit de diverse kampen met argusogen naar elkaar gekeken. De concurrentie tussen de diverse (privé-)leraren was steeds belangrijker geweest dan het collectieve belang van het Nederlands tennis.

Maar plotseling huurden de mannen in Melbourne gezamenlijk een appartement. Ze ontweken elkaar niet langer maar aten, sliepen en trainden met elkaar. Zelfs bij de vrouwen slaagde Franker erin de onderlinge rivaliteit enigszins te kanaliseren. En voor het eerst sinds jaren werd bij een Grand Slam-toernooi door allen naar vermogen gepresteerd. Krajicek, Siemerink en Kamstra kwamen het verst, voortdurend heerste een aanstekelijk enthousiasme. Het tegendeel van Down under. In Australië leek Franker de definitieve omslag bewerkstelligd te hebben.

Maar zie hem in Parijs, vier jaar later. Hij schuwt de pers, hij zit in uithoekjes van de baan, hij vlucht, hij heeft zich volkomen in zijn eigen wereld teruggetrokken. Op Flinders Park schold hij tennissters destijds in bijzijn van iedereen nog zonder scrupules verrot. Wat hem betreft moesten ze zich maar een psychiater aanmeten. Inmiddels is hij de prudentie zelve geworden. Dat de Nederlanders ook bij de Open Franse voortijdig zijn uitgerangeerd en dat van een tiental gegadigden niemand door de kwalificaties kwam, is 'vervelend'. Dat is zijn enige commentaar. Hij hoedt zich ervoor ook maar iemand een verwijt te maken.

Franker is erin geslaagd een deel van de Nederlandse tenniselite een topsportmentaliteit bij te brengen. Met behulp van de ooit door hem in het nauw gedreven privé-coaches. Met lede ogen heeft hij moeten toezien hoe de invloed van die privé-coaches langzamerhand toch weer sterker is geworden. Het Nederlands tennis was een eilandenrijk, Franker wilde er vasteland van maken, maar de archipel is er inmiddels weer.

Een uitzondering is het duo Eltingh/Haarhuis. Dat staat 'onder leiding van' privé-coach Alex Reijnders maar dat is een reëel iemand die leergierig is en openstaat voor andere opvattingen. Van de 'collectiviteit' die bij de Open Australische van 1991 bestond, is eigenlijk alleen nog de samenwerking tussen Eltingh en Haarhuis overgebleven. En het is niet toevallig dat juist zij op Roland Garros nog iets van wilskracht uitstralen.

Krajicek is een eenling geworden, met een zachte coach, terwijl hij vermoedelijk een hardere hand nodig heeft. Krajicek lijkt evenmin te weten wat hij aanmoet met zijn backhand als met de mensen door wie hij omringd wordt. De misschien nog gevoeliger Siemerink is nog steeds dolende.

Vier jaar geleden was het op Flinders Park ondenkbaar dat de Nederlanders elkaar niet aanmoedigden. Die coherentie is totaal verdwenen en Franker zit erbij als een dooie pier, slechts registrerend wat er gebeurt, en alleen applaudisserend voor Eltingh (en Haarhuis), omdat hij in die twee nog steeds iets van zijn aanvankelijke idealen herkent. Ook als de veelbelovende junior Peter Wessels zich door de eerste ronde van het hoofdtoernooi slaat, zit Franker bij Eltingh en Haarhuis.

De vrouwen zijn zelfs geheel op het eigen bastion teruggekeerd. Brenda Schultz die op de wereldranglijst bijna even hoog stond als Krajicek, staat nog verder af van de technisch directeur. Ze verlaat zich op Glen Schaap, na al een heel cohort niet-Nederlandse coaches versleten te hebben, maar ze legt in haar partijen nog altijd geen enkele beheersing en consistentie aan de dag. Geen vrouw slaat zo hard als Schultz en geen vrouw is zo eenvoudig te ontregelen.

De andere twee Nederlandse speelsters die doordrongen tot de 'wereldtop', Oremans en Rottier, hebben een coach (Ekker) die ook al nauwelijks met Franker overlegt. De speelsters stagneren en niemand grijpt in. Heel behoedzaam deed Franker afgelopen weekeinde toch een paar suggesties. Misschien ware het zinnig om te 'evalueren', een gesprek aan te gaan met de persoonlijk begeleiders. Franker opperde dat spelen in een hoofdtoernooi juist voor de Nederlandse speelsters misschien wel te vanzelfsprekend is geworden.

Een bijna genante illustratie van die opvatting was de opmerking die Brenda Schultz na haar uitschakeling maakte. 'Dat is het leuke van tennis, volgende week is er weer een toernooi.' Een treurige manier om aan te geven dat de tennissters uit de Top-25 een riant leven hebben en dus luchtig over een nederlaag heen kunnen stappen. Er is een appartement in Florida, Californië of Montreal, en al wordt er dan in een Grand Slam-toernooi niet gepresteerd, de dollars stromen een week later wel weer binnen.

Schultz heeft niet leren vechten, Eltingh wel. Dat is het verschil. Maar zelfs Eltingh lijkt inmiddels aangetast door de vlucht die het Nederlands tennis sinds 1991 heeft genomen. Tegen een droogstoppel als de Zweed Magnus Larsson heeft hij op gravel, zoals zaterdag bleek, weinig kans. Gravel is de ondergrond voor de vechters, de volhouders, voor degenen die nooit vóór het laatste punt opgeven.

Het leek er in 1991 even op dat Franker de weekheid in het Nederlandse tennis definitief had verdreven. Maar ze is bijna geruisloos teruggeslopen.

Hans van Wissen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden