Fragmenten uit reisdagboeken

Reizen is soms lijden, blijkt uit bijgaande fragmenten uit reisdagboeken.

FRANZ JUNGHUHN

Met Multatuli geldt de geoloog, botanicus en arts Franz Junghuhn als een van de grote vrijdenkers van de 19de eeuw. Net als Multatuli verbleef hij lange tijd in Nederlands-Indië en schreef hij een springlevend soort Nederlands. Tijdens zijn verkenning van de vulkaan Gunung Kelud werd hij aangevallen door een zwerm 'tawons', grote wespen.


Java, 16 september 1844

'Woedend vielen zij ons aan. Tevergeefs probeerden mijn Javaanse begeleiders deze onverwachte vijand van mij af te weren. Ik ontving vier steken aan het hoofd. De pijn was zo buitengewoon hevig dat ik bijna het bewustzijn verloor [ ...] Een hevige zwelling openbaarde zich aan de zachtere delen van mijn hoofd, daar waar ik gewond was. Ongeveer vijf minuten nadat ik gestoken was, kreeg ik een gevoel van misselijkheid en begon ik te braken. Dit ging gepaard met een neiging tot kramp in mijn kaken die ik waarschijnlijk alleen door het gebruik van een tamelijk grote hoeveelheid madeirawijn onderdrukte.'


F.W. Junghuhn: De onuitputtelijke natuur.


Van Oorschot, 1966.


HENDRIK HAMEL

De naam Hendrik Hamel zal weinig Nederlanders iets zeggen, maar in Korea wordt deze 17de-eeuwse zeevaarder geëerd met een eigen museum. In zijn dagboek beschrijft Hamel het eerste contact met de Koreanen, nadat hij met het VOC-schip Sperwer strandde op de kust:


Jeju, 18 augustus 1653

''s Morgens op 18 augustus waren we bezig een grote tent te maken. Tegen de middag kwamen er wel duizend of tweeduizend manschappen, ruiters en soldaten, die hun leger opsloegen rondom de tent. Toen al het volk in slagorde stond, werden de boekhouder, de opperstuurman en de schieman en een scheepsjongen uit de tent gehaald. Op ongeveer een musketschot afstand van het opperhoofd kregen zij elk een ijzeren ketting om de hals met onderaan een grote bel, zoals de schapen in Holland om de nek hebben. Wij werden zo, al kruipend over de grond, met het gezicht op de grond voor de overste neergegooid, en dat onder zulk geschreeuw van het krijgsvolk dat het angstaanjagend was om te horen. Onze maats [ ...] zeiden tegen elkaar: onze officieren gaan ons voor en wij zullen spoedig volgen.'


Vibeke Roeper en Boudewijn Walraven (red.): De wereld van Hendrik Hamel - Nederland en Korea in de zeventiende eeuw.


SUN, 2003.


ADMIRAAL BYRD

De Amerikaanse admiraal Richard E. Byrd overleefde vijf wintermaanden alleen in een weerstation op de Zuidpool. Het beklemmende dagboek dat hij bijhield, draait vooral om zijn raadselachtige aftakeling. Pas op het eind wordt de toedracht duidelijk: Byrd werd langzaam vergiftigd door koolmonoxide uit zijn kachel.


Antarctica, 3 juli 1934

'Minus 62 graden. Het ijs op de muren is dertig centimeter hoger [...]


4 juli

Ik duik als een dier weg voor alles wat pijn doet. Vreemd dat ik zo veranderd ben. Ik had vroeger nooit last van de kou. Ik vond het juist lekker omdat het alles schoonmaakt. Blijkbaar heb ik geen enkele weerstand meer. Vanmiddag is mijn neus nogal ernstig bevroren geraakt. Toen ik mijn handschoenen een minuutje uitdeed zat de vorst meteen in vijf vingers.


Het deed me goed buiten te zijn. De nacht is nog steeds pikdonker, maar tegen het middaguur toonden de kleuren aan de noordelijke horizon een glimp van zonsopgang... Ik heb altijd van het leven gehouden, maar nog nooit zo sterk als nu. Ik denk na over wat ik tot nu toe in mijn leven heb gedaan en over al het oude dat ik ga veranderen als ik hier levend uitkom.'


Richard E. Byrd: Alone, 1938.


FRANZ GRILLPARZER

De Oostenrijkse toneelschrijver Franz Grillparzer hield van reizen - vooral om er later op terug te kunnen kijken. Tegenslag onderweg brengt hem van zijn stuk, zoals bij aankomst in Griekenland. Wegens een pest- uitbraak moest de schrijver meteen in quarantaine.


Athene, 13 oktober 1843

'Goed en lang geslapen. Ontwaak echter met een verkouden gevoel en ben ook weer aan de diarree. Mijn hoofd kan alle indrukken niet meer aan. Desondanks ga ik de Akropolis op. Zal me tot Athene moeten beperken, omdat ze buiten de stad iedere Duitser voor een Beier aanzien en die worden hier zo gehaat dat ze het gevaar lopen zonder tussenkomst te worden mishandeld, verwond en zelfs gedood. Daar gaat dus het hoofddoel van mijn reis. De Parnassus en Delphi krijg ik niet te zien. Negen dagen quarantaine, om acht dagen in Athene rond te hangen!'


Franz Grillparzer: Tagebuch auf der Reise nach Konstantinopel und Griechenland, 1893/1894.


CAATJE CAU

Dat je met paardenkracht ver kunt komen, bewijzen de dagboeken van Dionysia Catharina Cau. Vanaf 1807 vergezelt Caatje haar echtgenoot, de ornitholoog Temminck, op diens reizen. In de Zwitserse Alpen bezichtigen ze de geruchtmakende 'bergstorting' bij Goldau.


Goldau, 25 september 1807

'Reets van verre bespeurde wij die schoone vallij genaamd la Vallée de Goldeau, dog hoe meer wij dezelve naaderde, hoe meer onze aandoening wakker wiert. Ruym een jaar geleede, den 2 september 1806, is deeze schoone vallij ten deele geheel verwoest door het afbreeke van de top van de Spitsebourch, die in een oogenblik drie dorpe en bijna 700 menschen (111 huyze, 2 kerke, 323 beeste omgekomen) overdekt heeft [ ...] Met aandoening bezigtigde wij dit voorval, dat egter meer kan gebeuren, want als men de berg ziet bespeurt men maar eve een punt die afgebrooken is, en dit heeft tog een ijsselijke verwoesting veroorzaakt. Veele rijzigers zijn ook de slagtoffers van dit aakelig evenement geweest.'


A.M. van Lynden - De Bruïne: In vogelvlucht door Europa - De reisjournalen van Dionysia Catharina Temminck-Cau. Walburg Pers, 2001 (alleen nog antiquarisch leverbaar).


MUNGO PARK

In 1805 schrijft de Britse ontdekkingsreiziger Mungo Park een geruststellende brief aan zijn vrouw, vanuit een Malinese stad aan de Niger. Hij vertrekt diezelfde dag per boot met het restant van zijn expeditie (5 van de 42 Europese deelnemers waren nog in leven) en werd nooit meer gezien.


Mali, 19 november 1805

'Je broer Alexander, mijn goede vriend, is niet meer! Hij is gestorven aan de koorts in Sansanding, op de ochtend van 28 oktober.


Ik vrees dat jij, behept met de angsten van een vrouw en de bezorgdheid van een echtgenote, mijn situatie ernstiger zult vinden dan hij is. Het is waar, mijn dierbare vriende, de heer Anderson en George Scott, hebben deze wereld vaarwel gezegd; en het grootste deel van de soldaten is gestorven op onze mars door het regenseizoen; maar geloof me: ik ben in goede gezondheid. De regens zijn voorbij en het goede seizoen is begonnen, en dus is er geen gevaar meer om ziek te worden.


Ik heb nog voldoende kracht in me om elke mogelijke tegenslag te pareren bij het afzeilen van de rivier, naar zee.


Ik acht het niet onwaarschijnlijk dat ik terug ben in Engeland voordat je deze brief ontvangt.'


Eric Newby: A Book of Travellers' Tales. Picador, 1986.


undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden