Fout zijn,fouten maken

Mogen wij vader Zorreguieta de les lezen? Wie dat doet moet ook naar de feiten kijken, niet alleen naar de misdaden van het regime-Videla, maar ook naar de chaos daarvóór en naar het moeizame herstel van de democratie erna in Argentinië....

HET SCHIJNT dat Máxima Zorreguieta het Nederlands al aardig beheerst. Mocht zij al kranten lezen, dan moet het haar dit jaar af en toe vreemd te moede zijn geworden. Zelf afkomstig uit een land waar men het verleden het liefst laat rusten, maakt zij via Willem-Alexander kennis met een land waar het verleden geen dag rust wordt gegund.

Mocht zij zich hebben afgevraagd waar die obsessie voor haar vader vandaan komt, dan zou zij door terug te bladeren in de kranten al een stapje dichter bij een verklaring zijn gekomen. De Liro-affaire, de joodse tegoeden, de Japanse 'ereschulden', excuses over en weer. Nog altijd worstelen we met die vijf jaar tussen 1940 en 1945. In onze houding tegenover conflicten in de wereld is nog steeds de echo hoorbaar van dat ene conflict van toen. Cambodja, Irak, Rwanda, Bosnië, Kosovo; Hitler en de holocaust zijn nog overal. Wij hebben echter onze les geleerd.

Waakzaamheid blijft geboden, want achter iedereen kan een racist of fascist schuil gaan. Het VVD-Kamerlid Van Baalen weet ervan. Zelfs de doden worden niet met rust gelaten. Zestig jaar na zijn zelfgekozen dood in de begindagen van de Duitse bezetting, werd eerder dit jaar Menno ter Braak, ooit een voorbeeld van intellectuele moed, alsnog ontmaskerd als een antisemiet. Het kan Máxima, als zij van deze feiten kennis neemt, niet verbazen dat wanneer haar vader langs de meetlat van goed en fout wordt gelegd, hij kansloos is. En zij zal begrijpen dat de reden voor alle verontwaardiging net zo goed in de Nederlandse geschiedenis als in die van Argentinië moet worden gezocht.

Het inmiddels ingeburgerde begrip 'naoorlogse geschiedenis' geeft onbedoeld aan dat 1945 in Nederland het begin is geworden van een nieuwe tijdrekening. Vanaf dat moment wordt alles afgemeten aan wat er gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een oorlog die, door onze onmacht de verschrikkingen te begrijpen, nog steeds geen plaats heeft gekregen in het geheel van de geschiedenis, maar daar juist wordt uitgelicht om te dienen als moreel ijkpunt, als symbool van het Absolute Kwaad.

Meerdere malen al is gezocht naar een antwoord op de vraag waarom wij in morele dilemma's blijven teruggrijpen op die ene episode, onze wanhopige behoefte onderscheid te maken tussen goed en fout, opdat wij toch vooral aan de goede kant staan. Niet alleen leven we na een halve eeuw nog steeds in de schaduw van gisteren, 'die schaduwen (worden) in bepaalde opzichten eerder dieper dan lichter', aldus de emeritus-hoogleraar J.J.A. van Doorn in een lezing die hij in mei van dit jaar hield voor de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek.

Historici wijzen op het ruwe ontwaken in 1940 uit een meer dan honderd jaar durende neutraliteit, waar andere landen de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog nog maar net achter de rug hadden. Het trauma is ook na een halve eeuw nog niet verwerkt. De dominee was er altijd al. De rechtlijnigheid van de calvinistische moraal mag inmiddels hebben plaatsgemaakt voor de flexibele moraal van het hedonisme, de geestelijke leegte van de hedendaagse maatschappij creëert tegelijk een gevoel van onbehagen. Dan is het prettig houvast te hebben aan een periode in de geschiedenis waarin goed en fout nog duidelijke begrippen waren en waarin we wisten waarvoor we leefden.

Opmerkelijk is dat in de jaren vijftig de oorlog in het collectieve bewustzijn nauwelijks leefde, ofschoon die toen nog vers in het geheugen lag. Dat laatste bleek eerder een reden om het er niet over te hebben, maar alle aandacht te richten op de wederopbouw. Het was dit klimaat van 'niet zeuren' dat de overlevende joden zo koud op het dak viel.

Pas in de jaren zestig ontstond er weer ruimte voor een terugblik en zorgden een paar krachtige impulsen voor hernieuwde aandacht voor de oorlog: het proces tegen Eichmann, de publicatie van Pressers boek Ondergang over het lot van de joden en de veelbesproken tv-serie De Bezetting, waarmee L. de Jong, directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, definitief zijn naam zou vestigen als het geweten der natie.

Daaroverheen kwam de politisering van het maatschappelijk klimaat onder invloed van de aanstormende babyboomers die de tijd gekomen achtten de regenten de maat te nemen. 'Links' en 'rechts', 'goed' en 'fout' waren de begrippenparen die het gepolariseerde debat vanaf dat moment beheersten. De bewustwording van de weinig heldhaftige rol die Nederland in de jodenvervolging had gespeeld, leidde tot een oplevend schuldgevoel. Waar slachtoffers waren, moesten ook daders zijn. Alleen door wie fout was geweest alsnog ter verantwoording te roepen, konden we ons geweten zuiveren.

De schande van Auschwitz vroeg om de inzet van zwaar moreel geschut. Tegenover deze misdaden tegen de menselijkheid paste geen genade. Fout was fout. No more questions, your honour. En vragen werden er dan ook niet gesteld toen in 1978 CDA-voorman Aantjes werd 'ontmaskerd' als voormalig SS'er. De Anti-Revolutionaire politicus zou het meest prominente slachtoffer worden van het morele absolutisme dat uitgangspunt werd bij de opsporing. Aantjes, tewerkgesteld in Duitsland, hoopte, door zich aan te melden als bewaker bij een onderdeel van de Germaanse SS, naar Nederland te kunnen terugkeren. Naïef, weinig heldhaftig, ondoordacht. Maar was hij daarmee een 'foute' Nederlander?

Aantjes verpersoonlijkte het verschil tussen mensen die 'fout' waren en mensen die 'foute dingen' hadden gedaan, een verschil dat in historische publicaties een steeds belangrijkere rol zou gaan spelen. Zoals ook steeds duidelijker werd dat de overgrote meerderheid van de bevolking zich geen ander doel stelde dan de oorlog zonder al te veel kleerscheuren door te komen.

Bijna twintig jaar geleden al hield de historicus H. Blom, tegenwoordig directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, bij zijn benoeming tot hoogleraar in Amsterdam, een rede onder de titel In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland. Bloms betoog kon worden opgevat als een oproep de oorlog niet slechts te bestuderen om er een moreel oordeel aan te kunnen ontlenen, maar om in de eerste plaats de feiten te leren kennen.

Hij haalde daartoe een uitspraak aan van de historicus M. Brands: 'Slechts wanneer men er van uitgaat dat de geschiedeniswetenschap niet tot inzicht in het historisch proces, maar tot stichting en vermaning (. . .) of tot morele zelfbevrediging van de historicus dient te leiden, krijgt het uitspreken van waarde-oordelen een functie.'

Bloms pleidooi voor een 'historisering' van de oorlog leek uit wetenschappelijk oogpunt niet meer dan vanzelfsprekend. 'Historiseren is niets anders dan datgene wat in het verleden is gebeurd, inpassen in de historische werkelijkheid. Het is een middel om te begrijpen. En begrijpen betekent niet automatisch ook goedpraten', aldus de historicus H. von der Dunk in een themanummer dat het Historisch Nieuwsblad in 1998 wijdde aan 'De Heilige Oorlog'.

Uit de resultaten van een enquête die in hetzelfde nummer werden gepubliceerd, bleek dat de publieke opinie nog lang niet zover was. Terwijl in historische publicaties het zwart-witbeeld van de oorlog gaandeweg had plaatsgemaakt voor een overwegend grijs getint beeld, leek het publiek steeds minder in de feiten geïnteresseerd.

Schoot de kennis van de ondervraagden over de oorlog soms ernstig tekort, de overtuiging dat we de oorlog ook in de toekomst moeten blijven herdenken leed daar niet onder. En zo, constateerde de redactie van het Historisch Nieuwsblad, is de oorlog gaandeweg 'verengd tot een morele les', en herdenken we vooral om, zoals het Kamerlid Rabbae (GroenLinks) het verwoordde, 'een dam op te werpen tegen racisme en discriminatie'. Dit biedt ook de mogelijkheid de herdenking voortdurend te actualiseren, want 'racisme en fascisme' liggen nog steeds overal op de loer.

Dat we de verschrikkingen van toen niet willen vergeten, is een honorabele opvatting. Het maakt ons bewust van de kwetsbaarheid van onze morele orde en herbevestigt de betekenis van mensenrechten en democratie. Het bezwaar is evenwel, zo betoogde Van Doorn in zijn eerder genoemde lezing, dat het steeds weer verwijzen naar bepaalde historische episoden, met het doel er lessen aan te ontlenen een ongewenste vermenging veroorzaakt van moraal en geschiedenis. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de politiek-morele discussie zich verengt tot gemakzuchtig oordelen over anderen en onszelf ongemoeid laat.

Van Doorn stond in zijn lezing uitvoerig stil bij zijn eigen Indische ervaringen, toen hij als militair deelnam aan de oorlog tegen de jonge republiek Indonesië. Het lag voor de hand dat, zo kort na het einde van de bezetting van Nederland, critici van het militaire ingrijpen teruggrepen op de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog. 'Maak van onze jongens geen SS'ers', was een leus die nog lang nadien tot heftige controverses zou leiden.

'Wie zei er iets van de mof?', noteerde Van Doorn in zijn dagboek toen hem allerlei berichten over door Nederlanders gepleegde gruweldaden ter ore waren gekomen. 'Tot mijn verbazing bleek ik na vijf jaar Duitse bezetting tot onderdeel geworden van de Indische bezettingsmacht. Ik herkende het spel en de spelers: de Indonesische ''burgemeesters'', loerahs geheten, met hun neiging naar twee kanten te buigen al naar gelang het verstandig leek; de massa van de bevolking die zich buiten het conflict poogde te houden, bezig met overleven in een moeilijke tijd; Indonesiërs die de Nederlandse kant hadden gekozen en als collaborateurs werden beschouwd; Indonesische verzetsstrijders, officieel ''terroristen'' en ''extremisten'' genoemd, die constant werden opgejaagd, soms verraden en berecht, soms geëxecuteerd.'

Het ging volgens Van Doorn niet aan alle Nederlandse militairen op grond van deze feiten als hele of halve oorlogsmisdadigers weg te zetten. Waar het om draaide was dat oorlogen, hoe verschillend ook gelegitimeerd en gepraktiseerd, een eigen dynamiek kennen, 'eigen wetten en wetteloosheid' waaraan geen deelnemer zich geheel kan onttrekken. Misdaden en misdragingen worden hiermee niet vergoelijkt, maar wanneer we willen begrijpen waarom ze gebeuren, wanneer we er echt iets van willen 'leren', zullen we bereid moeten zijn kennis te nemen van de feiten en omstandigheden die mensen tot bepaalde daden en handelingen brengen.

Waar een moreel oordeel zou moeten wachten op de feiten, pleegt in het publieke debat het morele oordeel juist vaak een excuus te zijn om de feiten niet te hoeven weten. Wie Saddam Hussein vergelijkt met Hitler maakt iedere discussie over de morele houdbaarheid van de westerse sanctiepolitiek overbodig, want wie zou met de ervaring van de Tweede Wereldoorlog nog concessies willen doen aan Hitler? Toen bleek dat niet iedereen even enthousiast was over het halfbakken NAVO-ingrijpen in Kosovo, moest de holocaust er aan te pas komen om critici de mond te snoeren, want wie niet bereid is een tweede Auschwitz te voorkomen, plaatst zichzelf buiten de morele orde. Wie twijfelde aan de zin van de EU-strafmaatregelen tegen Oostenrijk, hoorde kennelijk niet het gestamp van de laarzen dat reeds opklonk in de straten van Wenen.

Maar de Dwaze Moeders dan? Als het regime van generaal Videla niet fout was, over welke morele orde hebben we het dan nog?

De zuiverheid van de discussie vereist dat wordt vastgesteld dat niemand in Nederland noch Argentinië zich ooit om Zorreguieta zou hebben bekommerd als hij niet de vader was van de dochter op wie onze kroonprins verliefd is geworden. Zorreguieta is, anders dan Videla of Pinochet, in de eerste plaats een Nederlands probleem. Dat er misschien gegronde redenen waren voor Argentinië om ondergeschikte figuren als Zorreguieta met rust te laten, is een aspect waarvoor het moreel absolutisme geen plaats biedt. In deze visie hebben de mensenrechten een absolute geldigheid, los van iedere politieke context. Zorreguieta is voor zijn tegenstanders vooral de oorlogsmisdadiger die zij in hem willen zien, het bewijs dat wij onze les hebben geleerd en anders dan de democratisch gekozen Argentijnse regering wel bereid zijn onze verantwoordelijkheid te nemen als het gaat om de bestraffing van mensenrechtenschendingen.

De zaak-Zorreguieta confronteert ons met het feit dat de geproclameerde universele geldigheid van de mensenrechten niet betekent dat iedere schending altijd moet en kan worden bestraft. Ook hier geldt het opportuniteitsbeginsel. De gedeeltelijke amnestie waarvoor de Argentijnse regering heeft gekozen, kan men uit zuiver moreel oogpunt verwerpelijk vinden, de vraag is of de zich herstellende democratie het zou hebben overleefd wanneer was geprobeerd alle leden en handlangers van het oude bewind achter de tralies te krijgen. Zijn ministerschap maakt Zorreguieta ongetwijfeld moreel medeverantwoordelijk voor de misdaden van de Argentijnse junta, maar daarmee is hij nog niet even schuldig als Videla of Pinochet. Wie roept Zorreguieta-Argentinië-junta-fascist, mag zichzelf moreel superieur wanen, een internationale rechtsorde die op een dergelijke bewijsvoering is gebaseerd, is dat niet.

Wie het desondanks zijn morele plicht acht Argentinië de les te lezen, zou zich ook verplicht moeten voelen kennis te nemen van de feiten. Van de misdaden van het regime, maar ook van de omstandigheden van toen, van de zucht van verlichting waarmee veel Argentijnen het einde begroetten van de chaos waarin het land door Isabel Perón was ondergedompeld, van de 'wetten en wetteloosheid van de oorlog', en van het moeizame herstel van de democratie.

Het verschaft Zorreguieta niet bij voorbaat een excuus. En ons geen makkelijk oordeel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden