Fotoboeken gefotoboekt

Het Nederlandse fotoboek toont de beste, mooiste indrukwekkendste fotoboeken die na de oorlog in Nederland zijn verschenen. Een goed en degelijk overzicht. Al ontbreken enkele opvallende namen uit de Nederlandse fotografie.

Wie telt mee in Nederland Fotografieland en wie niet? Natuurlijk is dat niet de vraag die Rik Suermondt en Frits Gierstberg zichzelf stelden toen ze nadachten welke fotografen ze zouden opnemen in Het Nederlandse fotoboek. In deze pas verschenen bloemlezing van de beste, mooiste, indrukwekkendste Nederlandse fotoboeken van na 1945 werd werk van 120 fotografen opgenomen. Deze 120 hebben volgens de samenstellers overtuigend bijgedragen aan de geschiedenis en vooral de bloei van het Nederlandse fotoboek. Het ging er dus niet om of zij als fotograaf wel of niet van belang zijn - een conclusie die uiteraard wel wordt getrokken door nog levende en praktiserende fotografen.

Zo'n overzichtsboek komt dan ook altijd met een disclaimer, over hoe moeilijk de keuze was en dat het níet betekent dat - enzovoort. In dit geval schreven de redacteuren het volgende: 'Het kan dus gebeuren dat bekende en ook door ons gewaardeerde Nederlandse fotografen niet in dit overzicht terechtkwamen, omdat zij in onze ogen geen echt overtuigende fotoboeken hebben gemaakt.'

Dat klinkt aannemelijk. En sowieso is er geen reden te twijfelen aan de expertise van Suermondt en Gierstberg. Beiden hebben hun sporen verdiend. Suermondt als freelance publicist en tentoonstellingsmaker, Gierstberg als hoofd tentoonstellingen bij het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, biografische informatie die gek genoeg niet in het boek staat.

Toch lijkt hier sprake van een inschattingsfoutje. Het verhaal van de naoorlogse Nederlandse fotografie ís namelijk het verhaal van het fotoboek. Fotografen en grafisch vormgevers zijn al decennialang verbonden in een uiterst gelukkig huwelijk, een vruchtbare erfenis van het naoorlogse kunstonderwijs waarin de grafische en beeldende kunsten elkaar altijd positief hebben beïnvloed. De auteurs schrijven het zelf: het beste fotoboek is het resultaat van gedegen teamwerk.

Er is bijna geen Nederlandse fotograaf die na 1945 geen fotoboek(en) heeft gemaakt of die er niet van droomt dat te doen. Vandaar ook deze nieuwe canon. Daarin niet worden opgenomen, kan wel degelijk voelen als een afwijzing van het bestaan als fotograaf (of als grafisch vormgever), een idee dat overigens werd versterkt door het feit dat de lijst met 120 wel opgenomen fotografen tot op het laatste moment en met ietwat overdreven geanimeerdheid door de makers geheim werd gehouden.

Maar niet te veel getreurd. Want met de komst van Het Nederlandse fotoboek is de Nederlandse fotografie tegelijkertijd weer een beetje volwassener geworden.

Die komst lag in de lijn der verwachting. In 2007 verscheen Dutch Eyes, een dik, thematisch boek over 150 jaar Nederlandse fotografie, waaraan zowel Frits Gierstberg als Rik Suermondt bijdroegen. Suermondt schreef hierin al een hoofdstuk over het fotoboek na de Tweede Wereldoorlog. Het grootste deel van de daarin genoemde fotografen komt terug in het nieuwe boek, twee of drie uitzonderingen daargelaten, en in het nieuwe boek is relatief veel aandacht voor jonge hedendaagse fotografen en ontwerpers die nog ná 2007 boeken uitbrachten.

Daarnaast was er al een normatief standaardwerk over fotoboeken: het door de Britse Martin Parr en Gerry Badger samengestelde The Photobook: A History (in twee dikke delen). Maar dat is een internationaal overzicht, waarin ook een aantal Nederlandse boeken is opgenomen (de lijst overlapt overigens niet helemaal met die van Het Nederlandse fotoboek). Hoog tijd dus voor 'ons' eigen overzicht, dat komt in een tijd waarin de Nederlandse fotografiegeschiedenis steeds meer wordt geordend en gerubriceerd.

Gierstberg en Suermondt hebben hun boek verdeeld in zes thema's: Hollands landschap, Forever Young, Wegen naar morgen (over bedrijfsfotoboeken), Reislust, Magie van de stad en Autonome expressie. Het is een handig lijstje; alle boeken zijn er netjes in ondergebracht en wanneer een publicatie enigszins afwijkend of 'anders' is, dan voldoet de laatste categorie. De gekozen boeken zijn mooi gefotografeerd en beschreven. Visueel paradepaardje is de index achterin, een bruikbaar overzicht waarin de boekomslagen op postzegelformaat steeds opnieuw werden ingedeeld: per fotograaf, per vormgever, op een tijdlijn, op formaat en per oplage. Dat is een vondst, en meteen een bewijs van de creatieve samenwerking tussen auteurs en vormgever (Joost Grootens) die in dit boek wordt gevierd.

En verder, ja verder is Het Nederlandse fotoboek gewoon een goed en degelijk overzicht. Het is een boek dat er moest komen. Al te grote verrassingen staan er niet in. Goed, sommige fotografen, zoals Gerard Fieret, Anja de Jong, Johannes Schwartz en Taco Anema, worden niet genoemd, hoewel zij mooie boeken maakten. En fotograaf Hans Eijkelboom heeft toch zeker betere publicaties uitgebracht dan het nogal lichtvoetige Portraits & Cameras. Tegelijkertijd is er ruimte voor fotografen/kunstenaars als Paul Bogaers en Paulien Oltheten, geen fotografen pur sang, en werd ook het boek Checked Baggage van vormgeefster Christien Meindertsma opgenomen. Liefde voor het fotoboek in al zijn verschijningsvormen kan de makers dus niet worden ontzegd, en evenmin hadden ze oogkleppen op.

Toch is wat er nu komt interessanter dan het verschijnen van het fotoboekenoverzicht zelf. De discussie. Op internet circuleren al alternatieve lijstjes, van mensen die hele andere keuzes maakten. Het gaat er dan ook eigenlijk niet om of Het Nederlandse fotoboek wel of niet een goed boek is en welke fotografen er wel of niet toe doen, maar om wie er met een 'tegenboek' gaat komen. Want dan wordt het pas echt interessant.

Frist Gierstberg, Rik Suermondt (red.): Het Nederlandse fotoboek. NAi Uitgevers, Rotterdam. ISBN 978-90-5662-845-1. €49,50

Tentoonstelling Het Feest van het Fotoboek, t/m 20 mei in het Nederlands Fotomuseum, Rotterdam.

Voorbeelden van succesvolle samenwerkingen tussen fotografen & ontwerpers

1 Jurriaan Schrofer was een van de belangrijkste naoorlogse ontwerpers. Hij was lange tijd de assistent van Dick Elffers, eveneens geen kleine jongen op ontwerpgebied, en viel op door zijn vernieuwende, frisse typografie. Tekst en beeld liepen bij hem naadloos in elkaar over. Samen met fotograaf Ed van der Elsken bedacht hij de voor die tijd revolutionaire vorm van fotoroman voor Van der Elskens boek Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés (1956). Later maakte hij met Van der Elsken ook het succesvolle Bagara. Foto's uit Equatoriaal Afrika (1958), een boek dat 'leest' als een film.

2 De opkomst van de autonome (kunst)fotografie verliep in Nederland in de jaren zeventig niet zonder slag of stoot. In die tijd vormden fotograaf Paul de Nooijer en vormgever Henrik Barends een hecht duo. Samen maakten ze de publicaties Losing One's Head (1978) en Losing One's Photos (1981), die het midden hielden tussen catalogi en conceptuele kunstenaarsboeken. Barends maakte ook boeken met een andere conceptuele fotograaf uit die tijd, Michel Szulc Krzyzanowksi, waaronder het beeldverhaal Neem nou Henny (1977).

3 Galeriehouder en grafisch vormgever Willem van Zoetendaal staat garant voor een bescheiden boekenplankje vol autonome fotoboeken. Sober, strak en met een subtiel gevoel voor ritme - zo laat zijn werkwijze zich omschrijven. Hij werkt graag samen met de fotografen uit zijn eigen 'stal', zoals Paul Kooiker, Johannes Schwartz, Sara Blokland en Koos Breukel. Met de laatste maakte hij in 1966 het tactiele boek HYDE, over de zieke danser Michael Matthews.

4 Ook hedendaagse Nederlandse fotografen gaan nog altijd langdurige allianties aan met ontwerpers. Zo werken Petra Stavast, Dieuwertje Komen en Jaap Scheeren het liefst met Hans Gremmen. Voor Gremmen is het ontwerpen van fotoboeken, net als voor zijn collega's Teun van der Heijden en Sybren Kuiper, een specialisatie. Memorabel is het boekje Oma Toos (2007) van Jaap Scheeren, een liefdevol en speels eerbetoon aan de grootmoeder van de fotograaf.

5 Sommige fotografen doen het liefst alles zelf. Johan van der Keuken was zo iemand. Hij maakte in 1955 (als Joan zonder h) grote indruk met Wij zijn 17, een poëtisch portret van een generatie, dat hij zelf vormgaf. Twee jaar later volgde de beeldroman Achter glas, een nieuwe vorm van 'verhalende lichtschrijverij'. Hedendaagse voorbeelden van onafhankelijke fotografen zijn Machiel Botman en Andrea Stultiens.

En zij haalden het niet...

Rineke Dijkstra, Hellen van Meene, Gerard Fieret, Anja de Jong, Johannes Schwartz, Reinier Gerritsen en Taco Anema zijn Nederlandse fotografen van wie de boeken niet werden opgenomen in Het Nederlandse fotoboek. Opmerkelijk is vooral de afwezigheid van Dijkstra en Van Meene, die in 2006 wel werden opgenomen in het internationale standaardwerk van Martin Parr en Gerry Badger, The Photobook, Volume II.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden