Fokke & Sukke houden terroristen graag te vriend

Fokke & Sukke zijn jarig. De beroemdste eend en kanarie van Nederland vieren hun vijftiende verjaardag met een jubileumboekje en een tentoonstelling in het Persmuseum....

Fokke en Sukke bestaan vijftien jaar. In 1993 debuteerden de eend in matrozenpak en de kuifkanarie met pet in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures; na een aanvankelijke afwijzing, omdat ‘vogeltjes toch niet kunnen praten’.

Gelukkig hielden makers Jean-Marc van Tol, Bastiaan Geleijnse en John Reid vol. Want anderhalf decennium later bestaat er een waar Fokke & Sukke-imperium: tientallen boekjes, actuele cartoons in NRC Handelsblad , NRC Next en De Wereld Draait Door, cartoons in studentenbladen en tv-gidsen, scheurkalenders, ovenwanten, ontbijtkoekblikken, agenda’s en talloze andere F & S-parafernalia.

Jean-Marc van Tol (40) is de tekenaar van het drietal én de enige die sinds 1998 fulltime met Fokke & Sukke bezig is. John Reid werkt inmiddels – al jaren – fulltime als rechter en Bastiaan Geleijnse stopte onlangs met zijn werk bij McKinsey om zich volledig op cabaret te richten.

Van Tol werkt vanuit huis. Althans, vanuit een soort superschuur achter zijn woning in Soest. Uitgeverij Catullus staat er bij de deur, want sinds enkele jaren geeft Van Tol de Fokke & Sukke-boekjes zelf uit. Tachtig procent van zijn tijd gaat naar Fokke & Sukke. Hij tekent ook andere strips, ‘alleen, die kent niemand’.

‘Kom, ik laat jullie alles zien!’ roept hij als hij de deur opent. Een rondleiding in sneltreinvaart volgt, net zo anekdotisch, enthousiast en associatief als Van Tol later zal vertellen over zijn ‘loopbaan’, ‘al zou ik mijn loopbaan nooit een loopbaan noemen’.

Waarom is jouw loopbaan geen loopbaan?

‘Een loopbaan impliceert dat je een carrière hebt waarover je hebt nagedacht, dat je weet waar iets heengaat. Dat heb ik nooit gehad. Ik heb zelfs nog nooit gesolliciteerd. Vanaf mijn zesde wilde ik striptekenaar worden. Dat is niet iets dat je via een uitgestippelde carrièreplanning voor mekaar krijgt. Uiteindelijk is Fokke & Sukke wel het vehikel waarmee we – Bastiaan, John en ik – ineens een carrière hebben gekregen.’

Hoe ben je dan striptekenaar geworden?

‘Niet zonder omwegen. Ik wilde altijd striptekenaar worden, maar toen ik in 1986 naar de kunstacademie ging, waren strips vies en commercieel. Ik heb toen een tijdlang geloofd dat ik geen striptekenaar wilde worden, maar kunstenaar.’

Uiteindelijk stopte Van Tol met de kunstacademie, omdat hij er ‘toch heel ongelukkig van werd’. Na een jaartje in dienst ging hij in Amsterdam Nederlands studeren. Daar ontmoette hij Bastiaan Geleijnse, in het allereerste college. Ze bleken ook in hetzelfde dispuut van het studentencorps te zitten, samen met hun creatieve nummer drie: rechtenstudent John Reid.

Van Tol: ‘Na een tijdje riep Bastiaan: moeten we niet een keer een strip gaan maken? Omdat hij wist dat ik tekende. In eerste instantie was ik daar niet zo enthousiast over, ik had strips een beetje afgezworen. Ik wilde wel striptekenaar worden, maar dan niet volgens geijkte regels. In die tijd, de vroege jaren negentig, maakte iedereen 44-paginastrips, zoals Asterix & Obelix. Dat was de standaardmaat. Daar had ik geen zin in.’

Het drietal bedacht een nieuw format dat nog niet bestond; ‘iets dat tussen een gagstrip van een paar plaatjes en een cartoon inzit’. In dat ene plaatje wordt de humor als het ware ‘gestapeld’, legt Van Tol uit. Een kopregel of caption kondigt aan ‘Fokke & Sukke...’. ‘Accepteren geen nee’, bijvoorbeeld. Daaronder staat het plaatje met de twee hoofdfiguren, in dit geval met een biertje aan de bar terwijl ze zich richten tot een rondborstige dame. Fokke: ‘Hoezo wil je niet met ons naar bed?!’ Sukke: ‘We staan toch al weken als vrienden op je Hyves-pagina!!?’

De tekeningetjes zien er makkelijk uit. ‘Dat kan mijn neefje van vijf ook, denken mensen vaak’, zegt Van Tol. Hij lacht: ‘Maar ik heb vanaf m’n 13de elke week realistisch modeltekenen nodig gehad om op m’n 24ste zulke simpele poppetjes te kunnen maken. Het is echt moeilijk. De vorm van Fokke & Sukke lijkt bedrieglijk eenvoudig. Maar ik probeer met zoveel eenvoud toch emoties in die poppetjes te leggen, waarin mensen zich kunnen herkennen. Want daardoor ontstaat humor. Nou, dat kan alleen als je heel veel getekend hebt.’

Op je twaalfde publiceerde je al stripjes in de Nieuwe Noord-Hollandse Courant?

‘Ja, via de moeder van een vriendje die daar werkte. Ik heb altijd voor schoolkrantjes gewerkt, zat ook op een Jenaplan-Montessori-achtige lagere school, in de jaren zeventig. Nou, dan weet je het wel: creativiteit alom.

‘Als tiener ging ik steeds meer publiceren. Op een gegeven moment ook wat professioneler, betaald. Ik kreeg 19 gulden per strip en 100 gulden voor scenariootjes voor Donald Duck. Ik verdiende meer dan m’n broertje die een zomerlang afwaste, haha.’

Je groeide op in een creatieve omgeving?

‘Ik denk weleens dat de kiem op de middelbare school is gelegd. Buitenschools dan, in mijn vriendenclubje. Ik heb dat mijn hele leven zo gehouden, dat vriendschap en creativiteit samenvallen. Dat je een beetje tegen elkaar opbiedt, elkaar probeert te overtreffen, een soort jalousie de métier, concurrentie en competitie en toch ook vriendschap. Dat is altijd heel belangrijk geweest voor mij, een enorme drijfveer.’

Werkt het bij Fokke & Sukke ook zo?

‘Feitelijk bieden wij al vijftien jaar lang iedere week tegen elkaar op met z’n drieën.’

Hoe gaat dat dan in zijn werk?

‘We komen al sinds 1992 op maandagavond bij elkaar, met schetsen en ideetjes. Die leg je aan elkaar voor. Dan probeer je zo grappig te zijn dat de ander zegt: ja dat is een goeie grap, of: dat kan nog beter. Je probeert telkens over elkaar heen te gaan, zo ontstaat een soort brainstormfunctie. Dat kunnen wij met z’n drieën heel goed.’

Hoe lang duurt zo’n sessie?

‘Van 8 tot een uur of 12, of 1. Soms ook tot dieper in de nacht. Het hangt ervan af, we moeten natuurlijk elke week een aantal grappen maken, de niet actuele, voor studentenblaadjes, en zo.’

Hoeveel per week?

‘Een stuk of 20, 25.’

Best veel.

‘Is best wel heftig soms.’

Twintig keer in de week en dan grappig blijven, hoe doe je dat?

‘Dat is het bijzondere, het blijft alleen maar leuk als je jezelf blijft verrassen, als we om elkaar blijven lachen en onszelf ook leuk vinden.’

Is dat ook het magische ingrediënt, dat jullie het met z’n drieën doen?

‘Je komt op meer ideeën. Meestal zijn twee mensen met elkaar bezig en de derde komt daar overheen of speelt scheidsrechter, de derde wisselt van rol en we wisselen door, dat is heel vruchtbaar. Maar het is ook het geheim, denk ik, dat we het nog steeds leuk vinden.’

En als dat niet zo was?

‘Dan vraag ik me af of we het nog zouden doen. Ik denk het niet.’

In al die vijftien jaar nooit een van jullie drieën die er even geen zin meer in had?

‘Natuurlijk wel. Maar dat kun je dan tijdelijk opvangen. Als je kind geboren is bijvoorbeeld, dan heb je toch echt even wat anders aan je hoofd. Maar dat is ook wel weer mooi aan zo’n vriendschap, dat dat kan. Maar het is altijd tijdelijk.’

Wanneer zijn Fokke & Sukke een beroep geworden?

‘Ik denk in 1998, een jaar voordat we in de krant stonden. Ik besloot: weet je wat, ik ga al mijn tijd en energie steken in iets dat ik heel erg leuk vind. Ik wil gewoon dat dit het infuus is waar ik van kan leven en ik denk ook dat dat kan.

‘Alleen: je weet het niet van tevoren. Het is een gok. En ik heb toen ook wel echt op een houtje moeten bijten, omdat er gewoon geen geld binnenkwam. Maar mijn vriendin zei toen ook: je was daarvoor gewoon ongelukkig.’

John en Bastiaan bleven ander werk doen, als rechter en communicatiedeskundige. Hoe verdelen jullie de inkomsten?

‘Toen ik de keuze maakte om het fulltime te gaan doen heb ik direct gezegd: jongens, als ik dit doe, wil ik er ook meer voor beloond worden. Dat was eventjes slikken, want we hadden daar verder nooit over nagedacht.

‘Toen heeft de samenwerking wel heel even op een laag pitje gestaan. Ik zei: als jullie het niet willen, dan stop ik ermee. Dat is bijna een dreigement, maar zo was het niet bedoeld, het was gewoon realistisch.

‘Uiteindelijk verzonnen we allemaal ingewikkelde verdeelsleutels. Die hebben we gelukkig afgesproken vóórdat er echt geld binnenkwam. Daar hebben we nu dus ook geen gezeik over.’

Jullie, vooral jij als gezicht van het driemanschap, zijn goed in marketing. Hoe is dat zo ontstaan?

‘Wij hadden vrij snel door dat je radio en tv nodig hebt als medium om jezelf te verkopen. Als je een seconde in beeld bent bij De Wereld Draait Door scheelt dat soms een boekje of achtduizend.’

Hoe verdeel je je tijd dan?

‘Heel slecht, op het moment. Ik werk veel te hard. Vanochtend ben ik ook weer om 7 uur begonnen en ik werk vaak tot een uurtje of 12, of 1 ’s nachts. Dat wordt me niet altijd in dank afgenomen, zowel door m’n vriendin als door mijn kind (Boban, 11 jaar). Soms heb ik gewoon een deadline, ook in het weekend. Dat probeer ik dus nu beter te doen.’

En hoe ga je dat doen?

‘Dat weet ik nog niet zo goed.’ (lacht)

Heb je niet teveel opdrachtgevers?

‘Veel te veel.’

Hoeveel opdrachtgevers heb je nu?

‘Een stuk of veertig, of zo. Ik weet niet.

Als freelancers zijn we té succesvol. Het is een luxeprobleem. Mensen denken: Fokke & Sukke, o, die waren er opeens. Nou, dat was gewoon niet zo. De eerste vijf jaar hebben we er keihard aan moeten trekken. Oké, ik heb dan niet gesolliciteerd, maar ik heb wel dingen rondgestuurd aan uitgevers en aan tijdschriften. En die gaven allemaal nul op het rekest.’

Tot De Harmonie jullie ontdekte.

‘Dat is een ongelooflijk mooi verhaal. O, dat was zo gaaf. Zal ik het vertellen? (Van Tol verschuift naar het puntje van zijn stoel.) De uitgever nodigde ons uit met het zinnetje: komt u eens langs. En we zaten daar uren te praten, te luisteren naar prachtige verhalen over W.F. Hermans en Judith Herzberg. Na afloop stonden we al halverwege de trap toen ik vroeg: meneer Groot, wat wilt u nou eigenlijk van ons? ‘O ja’, zei-ie. ‘Had ik dat niet verteld? Als wij iemand uitnodigen op onze uitgeverij, dan betekent het dat we die gaan uitgeven’.’

Dat was in 1995, maar het eerste boekje is pas in 1997 uitgekomen. Hoezo?

‘Dat verbaasde ons ook. Ik dacht eigenlijk: je geeft een stapel tekeningen en de uitgever maakt er wat van. Maar zo werkt het dus niet. Je doet heel veel zélf. Wij bedachten vierkante boekjes, dus werden het vierkante boekjes, enzovoort.’

Inmiddels geef jij jullie boekjes zelf uit. Waarom zijn jullie weggegaan bij de Harmonie?

‘Om meerdere redenen. Een uitgeverij doet drie dingen. Mensen ontdekken, promotie en productie. Dat ontdekken heeft de uitgeverij werkelijk gedaan in ons geval, maar de productie en promotie deed ik al grotendeels zelf.’

Zijn jullie wel door het boekje in 1997 bij het NRC terechtgekomen?

‘Nee. NRC heeft ons in 1999 gevraagd, een aantal jonge redactieleden kende ons uit de studentenbladen. De Volkskrant was trouwens als eerste in the picture. Maar zij kozen voor Gummbah.’

Zegt NRC wel eens: we willen deze cartoon niet plaatsen?

‘Dat hebben we twee, drie keer gehad. Wij wíllen ons vrij voelen, humor moet soms ook net iets over de schreef gaan. Op het moment dat dat niet kan, dan is dat niet goed voor de humor. De schade die een hoofdredactie kan oplopen door een cartoon die iets te ver gaat, weegt niet op tegen de vrijheid die je als cartoonist moet hebben.’

A la de Deense cartoonrellen.

‘Nee, die zijn van een heel andere orde. Die hebben niks met cartoons te maken, ze zijn niet eens grappig. Die waren bedoeld om grenzen op te zoeken en om reactie uit te lokken. Dat is niet onze bedoeling.’

Zouden jullie Fokke & Sukke neerzetten als moslimterroristjes?

‘Dat hebben we al zo vaak gedaan. Maar dat is humor. Wij proberen natuurlijk geen mensen te kwetsen en zeker geen moslimterroristen. Die willen we heel graag te vriend houden. (lacht)

‘Ik vind dat een cartoon bedoeld is om mensen te laten lachen. En als dan soms, en passant, een grens wordt overschreden, is dat niet zo erg.’

Dus je hebt niet het idee dat er nu minder vrijheid is op het gebied van humor?

‘Bij ons in elk geval niet. Wij maken wat we willen.’

Jullie censureren jezelf nooit?

‘Je censureert jezelf continu. Als wij op zo’n avond aan één stuk door grappen over de tafel gooien en iemand zegt: ik vind dat niet leuk, dan is dat ook censuur. Soms zijn dingen gewoon niet grappig. Over een vermoord kindje maak je geen grappen. Dat is gewoon niet leuk, dat vindt niemand.’

Kun je jullie humor definiëren?

‘Nee, ik denk dat wij heel veel registers bespelen qua humor. Niet alleen een woordspeling, associatie of vergelijking. Soms is het scherp, soms is het flauw. Ik denk dat het heel erg leuk is voor de lezer om niet iedere keer weer dezelfde soort grap voorgeschoteld te krijgen. Ik denk dat hersens het heel prettig vinden om verrast te worden.’

Jullie humor is diffuus?

‘Fokke & Sukke zijn lege omhulsels, kapstokjes voor onze grappen.’

Hebben jullie een favoriet thema?

‘Nee, ook niet. Eigenlijk is dat nog het moeilijkste: waar ga je een grap over maken? Bij de actualiteit is het gewoon wat er op dat moment speelt. Maar het is heel erg moeilijk om gewoon zómaar een grap te maken.’

Je wilde niet dat Fokke & Sukke een hype werd. Dat is het wel een beetje geworden.

‘Nee, dat vind ik niet. Ben je gek. De Smurfen, dat is een hype, of Pokémon! Maar ik zei dat ooit uit angst. Ik dacht vroeger altijd dat als iets een hype zou worden, dat het een hoogtepunt zou hebben, maar dat het daarna weer verdwijnt. Dat was mijn vrees.

‘Maar ik denk dat wij dat hypestadium voorbij zijn, we bestaan al vijftien jaar. We zijn de hype ontgroeid. We willen dit met z’n drieën tot aan het einde der dagen blijven doen.’

Echt?

‘Ja. (peinst even) Ik denk het wel. Als we het leuk houden. Anders houden we ermee op. Maar dat moment is nog niet gekomen.’

Je wilde met je uitgeverij strips populairder maken in Nederland. Hoe staat het ervoor?

‘Slecht. Ik ben deze week tot de slotsom gekomen dat het me niet gelukt is. Ik had gehoopt dat het succes van Fokke & Sukke een stimulerende werking zou hebben, maar nee.

‘Ik ga wel met Joost Nijsen, van uitgeverij Podium, een stripblad maken, dat Eisner gaat heten. Het moet een mix worden van strip en literatuur. In het najaar verschijnt het nulnummer.

‘Waarom zijn Fokke & Sukke wel een succes en de rest nauwelijks? Ik weet het eigenlijk niet. Soms voelt het wel oneerlijk dat ik het meest succesvol ben. Er zijn tekenaars én tekstschrijvers in Nederland waar ik niet aan kan tippen.’

En waarom, denk je, heb jij wél succes?

‘Omdat het die mix is. Het gaat niet alleen om creatief talent. Je moet ook het talent hebben om vol te houden, dat je zo bezeten bent van tekenen dat je ook doorgaat als je niks verdient.

‘En waar talent nou precies vandaan komt? Nee, dat weet ik niet. Ik kan je niet het recept voor succes geven, ondanks mijn gelul.’ *

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden