Fledermaus vol geselslagen

Tralalalala, lala, luidt de conclusie van Die Fledermaus, de operette waarin Johann Strauss anno 1874 champagnekurken liet knallen, en argeloos de Walzerseligkeit en de dubbele moraal van het Weense burgerdom ironiseerde met hulp van driekwartsmaten en polkaritmen....

Glücklich ist, wer vergisst.

Het stuk beleefde vrijdag in Salzburg een festivalpremière, een extravaganza waarin de champagne vervangen bleek door bloed en cocaïne, en waarin de Oostenrijkse ziel van minuut tot minuut zwaarder op de proef werd gesteld.

Behalve van tralala was er dan ook vooral sprake van trammelant, waarbij schreeuwers en juichers zich al ver voor de pauze manifesteerden. Zaalverlaters lieten vooral in de duurdere plaatscategorieën open plekken achter. Woede-uitbarstingen, in akte II nog beantwoord vanaf het podium (geheel meegeregisseerd), overstemden na afloop de bravo's.

Dit alles tot vermoedelijke tevredenheid van de scheidende festivalleider, die met Strauss junior, gedirigeerd door de Franse Offenbach-kenner Marc Minkowski, en in een bewerking door de Berlijnse regisseur en Bürgerschreck Hans Neuenfels, kennelijk het pad zocht van de 'provocatie'.

Dat het tijdperk-Gerard Mortier bij de Salzburger Festspiele niet geruisloos zou aflopen, kon men op zijn Lederhosen aftellen. De Vlaming die tien jaar geleden aantrad met het doel 's werelds grootste podiumfestival te ontdoen van 'sterrenbombast' en 'maffiose commercie', en om te bouwen tot een 'bijdetijdser' evenement, mag eind juli zijn onderscheiden met de ere-ring van de stad Salzburg. Het betekent nog niet dat daarmee ook een eind kwam aan de haat-liefde tussen Salzburg en de intendant.

Die is nog altijd wederzijds, en kwam in het afgelopen weekeinde ook bij Mortiers 'allerlaatste afscheidsgebaar' tot een hartgrondige uitbarsting.

Twistappel en juich-object was zaterdag de première rond een andere Strauss. Niet uit de walsenkoningendynastie, maar Richard Strauss, een van de vereerde founding fathers, nota bene, van de Festspiele - samen met de dichter Von Hofmannsthal.

Hun Ariadne auf Naxos, inderdaad een 'opera in een opera', bleek in de nieuwe enscenering van de Zwitser Jossi Wieler het voertuig tot een spektakel waarin het festivalpubliek klonen van zichzelf zag rondlopen, in een natuurgetrouwe afspiegeling van de corridors en trappen van het Festspielhaus.

Het zag bovendien zichzelf op zijn stoel zitten, wanneer op goedgekozen momenten het zaallicht aanfloepte.

Geen schokkende theaterinnovatie, maar voor menigeen kennelijk irritant genoeg, zeker in het licht van Jossi Wielers verbluffende uittekening van stof en personages. De mythische heldin Ariadne, 'verlaten door Theseus', bleek in Wielers opvatting een grauwe matrone, die de liefde van Theseus vermoedelijk nooit heeft gekend, en die zelfs haar erotische bevrijding door de stralende Bacchus misloopt, als in een slecht eindigende droom.

Haar tegenpool Zerbinetta, de 'komediante' die haar komt opvrolijken met onbekommerde liefdesadviezen, is een popartieste van het type Ellen ten Damme. Zij het, dat haar vertolkster (de ranke Natalie Dessay) niet alleen virtuositeit heeft in het heup- en kniegewricht, maar ook een coloratuuraria ('Grossmächtige Prinzessin') aankan. Het Straussgenot van menigeen werd er niet groter op, bij de liefde die Zerbinetta met Harlekin aanschouwelijk maakt.

Die is in de opvatting van Wieler van een ontluisterende terloopsheid. Daar komt nog bij, dat Zerbinetta's begeleiderskwartet - Harlekin en vrienden - zich aandient als ongewassen hardrockgroep, en zich uiteindelijk ontpopt (de Wiener Philharmoniker en dirigent Von Dohnanyi laten geen electrische gitaren toe) tot een Schlagerzangerskwartet.

Niet ontoepasselijk in deze geraffineerde Richard Strauss-akte, al dachten veel gepassioneerden in avondtoilet daar anders over.

Het Ariadne-publiek, daar zaten overigens bezoekers bij die in motorpak kwamen, of in pyjama. Nieuw is ook het goudlamé avondtoilet met rugtattoo. Een demonstrerende uitvinder, een gepensioneerde die strijd voert om het patent op een fitnessapparaat, bleek met rugborden naar het Festspielhaus gekomen omdat hij aandacht wil van de 'Duitse en Oostenrijkse geldadel'.

Maar onder dat publiek hebben zich intussen ook veel andere Europeanen gemengd, en ook jongeren met goedkopere abonnementen.

Zo heeft het afgelopen decennium meer vernieuwing gebracht, niet alleen in aanpak en repertoire van de opera (meer twintigte-eeuws), maar ook in een versterking van het toneelprogramma. Dat de platenmaatschappijen nagenoeg uit het stadsbeeld zijn verdwenen (alleen het trio Decca, Philips en DG adverteert nog zwakjes onder het motto We make the music), is intussen niet het werk van Mortier.

Volgens de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, in juli ondervraagd door het opinieblad Profil, bevindt het fenomeen 'Salzburg' zich in een 'half historische, half moderne aggregaatstoestand'. De intendant noemt hij 'in deze context de interessantste figuur, omdat hij tussen de tijdperken ageert'.

Was het oude publiek vooral in de ban van Selbstfeier en 'narcisme', gekeerd tegen het moderne als bron van kwelling', dan is het - volgens Sloterdijk - Mortiers verdienste dat hij een 'narcistische kliek' heeft verrijkt met een 'masochisme-factor'.

Welhaast profetische woorden, zo bleek, bij het gebodene in en rond de Fledermaus-adaptatie, waarin het fenomeen-Oostenrijk de ene smakeloze geselslag na de andere subtiele speldenprik krijgt toegediend.

De Weense Beurskrach van de jaren 1870 vindt parallellen in de crisis van de jaren 1930 en het speculeren anno 2001.

Het bal van de addict Orlofsky is een coke-pandemonium, waarin een als lampion vermomde gevangenisdirecteur zich uitgeeft voor Jorgos Napf von Leider (zie FP & Ouml;'s Jörg Haider), en onder de kreet deutsch, deutsch erotische bindingen aangaat met de lampion en failliete hoofdpersoon Eisenstein, alias graaf Wald zu Wiesenheim (zie de ex-nazi Waldheim).

De cipier Frosch is omgebouwd tot meesteractrice (Elisabeth Trissenaar) en maakt de drie aktes onveilig met aforismes van Karl Kraus, dadaverzen, en een boutade over de componist en Strauss-bewerker Schönberg, een 'jood die dankzij hulp in Oostenrijk het nazisme heeft overleefd'.

Er kwam geen eind aan.

Dat er ook nog fantastisch gezongen werd, door Elzbieta Szmytka onder anderen (als Rosalinde), viel bijna niet meer op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden