'Flamenco heeft geen eigenaar’

De flamencoster Andrés Marín danst en geeft les in Nederland, omdat de Andalusische volkskunst in Spanje ‘verzuurt’ en marginaliseert. Voor avontuurlijke flamenco kan de aficionado inmiddels naar Utrecht of Amsterdam....

Robert van Gijssel

Als dansdocent is de Spaanse flamencoster Andrés Marín van het type blaffende voetbalcoach. Hij doet niet aan schadebeperking bij zijn Nederlandse dames (gevorderd, minstens zeven jaar les) en laat de hardgehakte feriapumps genadeloos ratelen. ‘Kom op, Anita, por favor! Als ik zeg takatá, klinkt dat voor jou dan als takatatá?’

Een blonde cursiste die door Marín wordt aangeduid als ‘Het Vragenvrouwtje’ – omdat ze al drie keer iets niet snapte, haar vinger opstak en iets banaals als een vráág durfde te stellen – probeert nog blij te kijken maar kan wel huilen. ‘Niet zo. Ik wil een droge picado, je moet kracht geven als je voet de grond bíjna raakt. Je kunt het ritme niet op de vloer vinden door er hard op te stampen. O ja, en laat die armen er niet zo dood bij hangen. Dus nu, con arte!’ (Met gevoel graag.)

De Amsterdamse Universiteitswijk en buurt-op-stand rond de Oudemanhuispoort, tussen Spui en Waterlooplein, heeft een slechte week nu de Andalusiër Andrés Marín het cursusgebouw Crea heeft aangewezen als tijdelijk flamencoworkshopcentrum van Nederland. Zeven middagen en lange avonden is het pand oorlogsgebied, dankzij picados als mortierinslagen en het knetterende afweergeschut van takatakatá en pakete-pakete-pán.

En Marín houdt hier niet voor het eerst huis, weet de omgeving. Zijn gevorderde dames waren eerst zijn beginners, daarna ‘intermediates’. Hij kent ze bij naam en haalde de club herhaaldelijk naar Sevilla, voor workshops met zigeunergevoel en couleur locale. ‘Ik ken jullie zo goed’, sneert hij naar zijn workshoppers, ‘dat ik van tevoren precies weet welke fouten jullie gaan maken’.

Andrés Marín (Sevilla, 1969) is een flamencotelg, zoals iedere grootheid in de Andalusische volkskunst de flamenco in de stamboom heeft. Zijn gelijknamige vader was een danser van naam, zijn moeder Isabel Vargas gevierd zangeres. Maar ondanks de wortels in het Andalusische ontvluchtte Marín al snel de danscultuur van Sevilla en Cádiz. Zijn carrière als solist met een eigen dansvoorstelling begon in 1994 in Nederland waar hij succes had met ¡Viva Cádiz!. Daarna toog Marín naar Japan, Berlijn, de VS. Hij werkte met grote moderne choreografen als Bill T. Jones en Jirí Kylián.

Pas in 2000 besteeg Marín het hoogste podium in zijn kunst: de flamencobiënnale van Sevilla. Als solist debuteerde hij in 2004, en in 2006 werd hij door de pers eindelijk ontdekt als ‘vernieuwer’. De krant Correo de Andalucia zag in Marín ‘de Picasso van de dans’. Andere recensenten beoordeelden: ‘avant-gardisme zonder dwaasheden’, en ‘vooruitgang zonder verwoestingen aan te richten’. Nu geldt Marín als een leidende figuur in de moderne flamencodans.

In zijn voorstelling El Ultimo Café, waarmee Marín Nederland aandoet, is te zien wat de Spaanse kranten zo behaagde. Zijn dansstijl is streng en sober, op het minimalistische af. Met de punten van zijn dansschoen trekt hij harde schurende strepen over het podium, zijn roffels zijn meedogenloos, ritmisch en technisch. Maar de wiskundige figuren waarin hij zijn elastieken lichaam plooit, wekken de meeste verbazing. Hij bevriest zijn dansvormen in onwaarschijnlijke houdingen (Picasso), en maakt figuren die in twee eeuwen flamenco nog niet te zien waren.

In een scène die het verstrijken van de tijd en de modernisering van de Spaanse cultuur verbeeldt, danst Marín als een beierende klok in de toren van een romaans plattelandskerkje, dat met video op de achtergrond wordt geprojecteerd. Torso, bekken en armen bewegen zo onafhankelijk van elkaar dat het lijkt alsof ze voor het eerst tot hetzelfde lichaam behoren. Door later alleen nog de vingers van zijn rechterhand te bewegen op de muziek van zijn zangers en gitaristen, houdt hij het publiek in ademloze spanning. De hand danst flamenco!

‘Vrijheid van expressie’, ziet Marín als het hoogste goed in zijn flamenco. En in Spanje wordt die drang zich te ontworstelen aan de traditie in het algemeen slecht gewaardeerd. Met behendig voetenwerk schopte Marín al vele heilige huisjes omver. Gevraagd naar grote voorbeelden noemde hij in interviews geen oude held als Curro Jiménez, maar Michael Jackson. Is die dan flamenco? ‘Michael Jackson heeft energie, flamenco is energie, geen dansstijl.’

De Spaanse danscultuur is volgens Marín verzuurd als een oude citroen. ‘Het flamencopubliek is betweterig, de pers ook. Iedereen weet alles al, heeft alles al een keer gezien, maar vernieuwing wordt snel als belachelijk neergesabeld. Maar die zogenaamde grote kennis van de pure flamenco is niet echt, die kun je ook opdoen als je een uur naar een tv-programma over flamenco kijkt. De echte culturele kennis in Andalusië van de flamenco is niks, koeiestront, mierda de vaca!’ In Nederland en de Verenigde Staten is het publiek nog onschuldig, zegt Marín, en kan het zich nog verwonderen.

De klacht van Marín lijkt misschien een pure provocatie, maar staat toch niet op zichzelf. In Spanje steekt de waardering voor de flamenco tegenwoordig schril af bij de status die de kunst geniet in Nederland, Japan, Amerika of zelfs Zuid-Afrika. De flamenco is een exportproduct met hoog artistiek profiel, maar valt in Spanje ten prooi aan marginalisering en onverschilligheid.

De kunstcritica Silvia Calado van de belangrijke flamenco-website en database flamenco-world.com sprak al van een ‘flamencocrisis’. ‘In het buitenland geniet flamenco groot prestige, maar in Spanje wordt geen nieuw publiek meer bereikt. Flamenco distantieert zich van jongeren en juist die kunnen de kunst levend houden.’ Volgens Calado zouden de flamencoscholen in Sevilla half leeg zijn als er zich geen buitenlandse studenten meer zouden aanmelden.

Ook in de van oudsher grote flamencostad Madrid tekent zich een teloorgang af. Van de twintig flamencopodia die de stad tien jaar geleden nog telde, resten nu een vijftal tablaos die uitpuilen van de Japanse en Amerikaanse toeristen. De toegangsprijzen zijn dan ook toeristisch exorbitant: veertig euro voor een traditioneel optreden vol wapperende rode jurken met polkadots. En het gebruikelijke gratis drankje.

Voor avontuurlijke en artistiek hoogwaardige flamenco kan de aficionado beter naar Utrecht of Amsterdam. In beide steden zitten energieke flamencoclubs als Centro Flamenco Puro en Terremoto, die workshops, concerten en dansante bijeenkomsten (peñas) organiseren. In de grote en kleine concert- en theaterzalen drukken de Spaanse cantaores en bailaores elkaar van het podium, en de zaal zit vol bij grootheden als Vicente Amigo, Eva Yerbabuena en Paco de Lucía.

Sinds 2006 hebben Amsterdam en Utrecht zelfs een eigen flamencobiënnale, en de gitaarmeester Paco Peña geeft niet alleen concerten in Nederland, hij heeft sinds jaren een vaste baan als artistiek leider en master van de studierichting Flamenco bij het Rotterdamse conservatorium.

De onschuldige ogen van het publiek zijn voor Marín ook niet de enige reden om het werkgebied naar Nederland te verleggen. Zijn voorstelling El Ultimo Café is al zeven keer geboekt. Door daarbij in een week twintig workshops te geven voor gemiddeld tien studenten per keer die 200 euro voor anderhalf uur betalen, kan Marín de eindjes thuis weer stevig aan elkaar knopen.

Met het matige niveau waartoe hij in Nederland is veroordeeld, zit hij niet. ‘Ze doen hun best’, zegt hij in een kleine rookpauze met Van Nelle shag bij het Amsterdamse cursusgebouw, ‘al zit er niet bepaald continuïteit in’. De veronderstelling dat de echte flamenco toch uit de voeten van de Andalusische gitanes moet vloeien, hoont hij weg. ‘Flamenco is niet van de zigeuners, maar van iedereen die het leuk vindt er iets mee te doen. Flamenco heeft geen eigenaar of een bloedgroep.’

Al denken veel Spanjaarden daar volgens hem nog anders over. ‘Er is een theorie die zegt dat de flamenco het in Spanje nooit tot hoge nationale kunst schopt, vanwege de verwantschap met de zigeunercultuur.’ De weerzin voor die cultuur wordt volgens Marín niet gevoeld in landen als Nederland, daarom heeft de flamenco hier zo’n eerbiedig publiek.

‘Deze meiden kijken naar je op’, zegt de voor de workshops ingehuurde en meerokende gitarist. Marín, met razendsnel hakkend handje: ‘Eerst kijken ze naar je op, daarna willen ze onmogelijke dingen van je leren. Alsof ze God vragen de maagd Maria te laten verdwijnen. Ze persen ze je uit! Als een sinaasappel!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden