Filmers van het front

In Hollywood waren ze gevierd. Vol bravoure togen ze naar het front. Nu is er een veelgeprezen boek over wat deze vijf regisseurs in de oorlog meemaakten.

In 1940 gingen 60 miljoen Amerikanen ten minste eenmaal per week naar de bioscoop, meer dan de helft van de volwassen populatie in de Verenigde Staten. Wat ze voor een kaartje van 25 dollarcent kregen te zien was doorgaans een 'double feature', twee hoofdfilms dus, omlijst met een paar cartoons, een kort filmpje over sport, geschiedenis of muziek, alsook tien minuten aan actueel nieuws. Die news reels werden verzorgd door Fox en Hearst en anders wel door de Amerikaanse afdeling van Pathé, of door The March of Time, zeg maar hun Polygoon Journaal.


De impact van de stroom aan nieuwsbeelden kan maar lastig worden overschat. Dit was het CNN van zijn tijd. Het was in de bioscoop dat de Amerikanen zagen hoe Frankrijk viel, en Hitler in Parijs zijn intocht hield. Het was ook in de bioscoop dat ze Churchill zagen speechen, na de evacuatie uit Duinkerken: 'We shall fight them on the beaches... we shall never surrender.' En na de Japanse verrassingsaanval op Pearl Harbor van 7 december 1941 ging ook de laatste Amerikaanse isolationist om in de bioscoop. Wegkijken had geen zin meer, de VS raakte betrokken bij de Tweede Wereldoorlog. En dat moest worden gefilmd.


Dat besef daalde ook neer in Hollywood. Hoewel dit wereldhoofdkwartier van entertainment altijd op gespannen voet leefde met de senatoren in Washington, omwille van vermeende linkse, ja zelfs communistische sympathieën, besloot een hele generatie gekende topregisseurs haar diensten aan te bieden bij de filmdienst van het Amerikaanse leger, het zogeheten Signal Corps. Dan hebben we het over John Ford, de westernspecialist. En over George Stevens, maker van komedies en avonturenfilms. John Huston sloot zich aan, die in die jaren juist zo aan de weg timmerde met Humphrey Bogart als sterverhikel. William Wyler deed mee, ook al gezien zijn joods-Europese achtergrond. En daar was Frank Capra, na zijn Mr. Smith Goes to Washington opgeklommen tot een van de invloedrijkste regisseurs van het moment.


Over hun lotgevallen aan het front is nu een zeer informatief boek verschenen. Auteur is Entertainment Weekly-journalist Mark Harris en de titel van zijn ruim 500 pagina's tellende studie luidt: Five Came Back - A Story of Hollywood and the Second World War. Het idee lijkt wel wat op die mislukte George Clooney-film van onlangs, The Monuments Men, over dat clubje gerekruteerde kunstkenners die namens het Amerikaanse leger proberen topstukken terug te veroveren op de nazi's. Ook de nieuwbakken legerfilmers waren goeddeels ongetraind en al op een zekere leeftijd. Ze werden prompt gepromoveerd tot majoor. Hoe ze moesten salueren, dat wisten ze niet. Maar ja, het vaderland riep, hè?


Bovendien meldden ze zich ook aan voor de kicks, zeker de mannenmannen John Ford en John Huston. George Stevens zag het dan weer eerder als een kans om de fantasiewereld van Hollywood te verruilen voor de ongezouten realiteit, als 'een vlucht vooruit in de werkelijkheid'.


De oorlog zou iedere regisseur de komende vier jaar precies geven wat die zocht. Maar de kosten waren aanzienlijk hoger dan ze hadden voorzien. Ze werden met hun Bell & Howell 16mm-camera's uitgezonden naar Londen en Frankrijk, naar de Pacific en het front in Noord-Afrika, bezochten geruïneerde Italiaanse steden en Duitse dodenkampen - indrukken die nimmer meer van hun netvlies kwamen. Minus Frank Capra dan, want die bleef voornamelijk in Washington om de propagandaserie Why We Fight in elkaar te zetten, daarbij handig gebruikmakend van vergelijkbaar Duits en Japans materiaal, voorzien van een nieuwe, Amerikaanse context.


John Ford was de eerste die naar het front vertrok. Hij dacht dat hij eind mei 1942 naar Midway - de strategische eilandengroep halfweg tussen Californië en Tokio - werd gestuurd om een portret te schieten van een legerbasis in een uithoek en daar begon hij dan ook braaf aan. Maar op 2 juni verklapte de hoogste officier hem dat er op 4 juni een aanval werd verwacht. Die ochtend posteerde Ford zich met zijn camera en crew om half zeven precies op het dak van een krachtcentrale, in afwachting van de dingen die komen gingen. Lang hoefden ze niet te wachten. Even later doken circa honderd Zero's neer, vanuit de lucht. Tijdens het inferno werd Ford geraakt, maar zijn camera draaide door. Je kunt de schokkerige kleurenbeelden terugvinden in de 18 minuten durende docu The Battle of Midway - de eerste beelden van een gevechtssituatie ooit in een Amerikaanse bioscoop vertoond. Nu staat-ie gewoon op YouTube als supplement bij het boek. De film bracht John Ford de heldenstatus waarnaar hij zo had verlangd en hij vergat allengs steeds vaker de namen van zijn kompanen te noemen. Alle eer aan mr Ford, nee, commandant Ford.


William Wyler maakte vooral furore met The Memphis Belle: A Story of a Flying Fortress (1944). 45 minuten, ook in kleur. Daarin volgt de regisseur de tienkoppige bemanning van een B-17 bommenwerper, gestationeerd in Bassingbourn. Ze maakten 25 missies boven nazi-Duitsland. Tijdens het filmen liep Wyler een permanente gehoorbeschadiging op. Ook deze film is terug te vinden op YouTube (voice-over, bij het voorstellen van de crew: 'Boordschutter en sergeant Tony Nastal - voorheen repareerde hij wasmachines in Detroit, nu is hij 19 en heeft al twee nazi-jachtvliegtuigen uit de lucht geschoten. Officieel bevestigd.'). En het moet gezegd: het blijft een merkwaardige sensatie om die liveoorlogsbeelden gewoon te kunnen afspelen, incusief inkomende Duitse Stuka's en bommen op Wilhelmshaven.


En John Huston? Die trof het wat minder. Eerst werd hij naar de eilandengroep Aleoeten gestuurd, gelegen tussen Alaska en Rusland. Bittere koude, ontberingen, verveling ('Iedere dag is zondag hier', schreef hij knorrig in zijn dagboek) en af en toe een Japanse verkenner in de lucht.


Na terugkeer wachtte hem een volgend klusje. Omdat werkelijk alles was misgegaan bij het vastleggen van de Amerikaanse campagne in Noord-Afrika - filmploeg te laat, vaak, of vrachtschip met alle filmrollen getorpedeerd door de Duitsers - werd Huston door Frank Capra gesommeerd alle sleutelscènes opnieuw te draaien en wel in de Mojave Desert in Californië. Met een leger aan figuranten, allemaal GI's. De film Tunisian Victory (1944) zou het lachertje onder de propagandafilms blijken, zeker in vergelijking met wat de Britten allemaal aan beelden uit El Alamein en omstreken hadden meegebracht.


Huston zou zich revancheren met Let There Be Light (1945), over een opvanghuis voor psychisch beschadigde militairen, slachtoffers van shellshock. De documentaire was dermate indringend dat hij door de legertop tot 1981 alleen in gecensureerde vorm mocht worden vertoond. Vandaag geldt het inmiddels als een klassieker en kan hij op YouTube worden geraadpleegd. Paul Thomas Anderson heeft hem uitputtend bestudeerd voor zijn 'terug uit de oorlog'-film The Master (2012).


Tot slot: George Stevens. Na vier jaar rondzwerven door Noord-Afrika en Europa trok hij met het Amerikaanse leger Dachau binnen en begon als een robot de daar aangetroffen verschrikkingen vast te leggen. Er was geen andere keuze, dit was nu die ongezouten realiteit die de wereld moest zien. De beelden werden onder meer gebruikt tijdens de Neurenbergprocessen tegen de nazitop, maar George Stevens heeft nadien nimmer meer over zijn schokkende ervaringen willen spreken.


De oorlog was voorbij. Ze keerden terug naar Hollywood, waar alles was veranderd. Zijzelf waren nog wel het meest veranderd. Alleen Frank Capra probeerde zijn oude toon te hervinden met It's a Wonderful Life (1946), maar nu werd zijn werkstuk voornamelijk afgeserveerd als een te lieflijk, te naïef kersstverhaaltje. Oldskool Hollywood. De overigen wilden geen sprookjes meer. Ze kozen voor fel-realisme, William Wyler met The Best Years of Our Lives (1946) voorop. De film over drie oorlogsveteranen die hun burgerbestaan proberen op te pakken, bekroond met zeven Oscars, betekende een nieuw begin voor de Amerikaanse cinema. Dát was het blijvende effect van de oorlog op Hollywood, zo toont Mark Harris in zijn gedegen studie overtuigend aan.

Mark Harris: Five Came Back - A Story of Hollywood and the Second World War (The Penguin Press, New York, 2014). 29,95 euro.

---

FILMREUZEN

Hoofdrolspelers in het boek van Mark Harris zijn vijf reuzen uit de filmgeschiedenis: John Ford (1894-1973), de Iers-Amerikaanse regisseur van western-klassiekers als Stagecoach, The Searchers en The Man Who Shot Liberty Valance; de Siciliaanse immigrant Frank Capra (1897-1991), maker van even geliefde als licht-populistische rolprenten als Mr. Smith Goes to Washington; John Huston (1906-1987), specialist in film noir - denk aan: The Maltese Falcon - kwam op hoge leeftijd nog met Under the Volcano; George Stevens (1904-1975), onder meer geroemd voor het liefdesdrama A Place in the Sun, de western Shane, en zijn James Dean-vehikel Giant. Tot slot William Wyler (1902-1981) die we ons vooral herinneren door The Best Years of Our Lives, Roman Holiday en uiteraard Ben-Hur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden