File

Het was gedichtendag en ik stond in de file. Het sneeuwde. Op de radio las Foppe de Haan een gedicht voor....

Ik was expres niet vroeg van huis vertrokken. Maar amper de stad uit, reed ik me al vast, of laat ik het zo zeggen: ik sloot aan.

Bij de slager heb ik dat ook. Is het hartstikke druk, kom ik, trek ik een nummertje – komt er na mij niemand meer. Bij de banketbakker, idem dito, de laatste in de rij. En nu was ik de hekkensluiter van een kilometerslange file.

Voor me: een busje van glaszetter Worst.

Naast me, links: een vrije baan en dan de vangrail.

Rechts: de vluchtstrook, een dode kat en een weiland vol natte schapen.

Foppe was klaar met dichten. Hij bevond zich in Leeuwarden, waar de vlaggen strak aan de mast stonden en het verkeer stapvoets door de stad reed – zo meldde de verslaggever. Ik was blij dat ik niet in Leeuwarden was, al bevond ik mij zelf ook niet in geweldige omstandigheden.

Naast me verscheen een auto.

Ik wachtte met opzij kijken. Dat is van dat typische filegedrag: niet meteen kijken wie er naast je staat, even wachten – nonchalant zijn, in je neus peuteren.

Uiteindelijk keek ik naar links. Een lijkwagen was naast me komen staan, sterker nog: het was een volle lijkwagen, achterin stond een kist met daarop bloemstukken. Ik dacht: dat is een dode die er vroeg bij is, een man naar mijn hart.

Achter de lijkwagen (een goed onderhouden, maar toch al wat oudere Chevrolet) schoof een volgwagen aan; een verlengde Mercedes met achterin zes nabestaanden, drie die vooruit reden en drie die achteruit gingen.

Tsja.

Het duurde even voor ik gewend was aan mijn buren, maar toen kon ik het niet laten eens even goed te kijken. Voorin de Chevrolet zaten twee heren: een chauffeur en een bijrijder. Het waren mannen van een jaar of zestig in stevige, zwarte jassen. Ook zij waren niet ver meer van het moment suprême. De bijrijder rookte een sigaretje, de chauffeur droeg leren handschoenen en een pet met een glimmende klep. Ik kon het niet horen, maar ik voelde aan mijn water dat ze de radio aan hadden. Een van de bloemstukken op de kist had een lint waarop een tekst stond, maar die kon ik niet lezen.

Het begon harder te sneeuwen.

En het hield op met sneeuwen.

Maar we stonden nog steeds vast, al was er wel hoop, want wie in westelijke richting keek, kon de lucht zien breken en tussen het grijs en zwart een enkele streep blauw ontwaren. Kort daarop begon de wagen van glaszetter Worst te rijden, en naast mij de dood.

Ik reed nu ook. Maar stapvoets.

Weer een half uur later, de wind zat er inmiddels een beetje onder, maar inhalen kon nog steeds niet, maakte de radio bekend dat we ons in de naweeën van de op één na zwaarste ochtendspitsen aller tijden bevonden: 68 files met een totale lengte van 571 kilometer en dat was een uur geleden. Alleen op 8 februari 1999 was het 's ochtends drukker. Toen stond er bijna duizend kilometer file, ook als gevolg van een beetje sneeuw. Wat een land hebben we toch.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden