Figuren die gewoon doen wat hun in de zin komt

Voordat hij beroemd werd door Jiskefet, vooral door De dierenwinkel en Debiteuren, crediteuren - eindelijk weer eens iets om je over te verkneukelen op de tv - schreef Herman Koch de roman Red ons, Maria Montanelli....

Een leuk boek dus, dat Red ons, Maria Montanelli, niet alleen voor de in literatuur geïnteresseerden - de critici die het lovend recenseerden, zoals schrijver dezes -, maar ook voor ouders, onderwijzers en scholieren, die leergeld hebben betaald met de zachtaardige, tolerante, kindvriendelijke opvoeding waarvan Herman Koch - kennelijk op grond van zijn eigen belevenissen - zo'n weinig verheffend beeld wist te geven.

Met Herman Koch is het, ondanks deze vorm van educatie, toch nog goed gekomen. Niet alleen vertoont hij met zijn makkers van Jiskefet wekelijks zijn vriendelijke hoofd op de tv, hij is ook doorgegaan met wat hij al vroeg in zijn leven wilde: schrijven. In de tweede roman van zijn hand, die morgen bij de Athenaeum-boekhandel in Amsterdam wordt gepresenteerd en de dag erop door iedereen kan worden aangeschaft, stipt hij tegen het einde even aan hoezeer hij, getroffen door de lectuur van Pinkeltje - ouders die deze vertelsels van Dick Laan aan hun kinderen hebben moeten voorlezen, hoor ik nu kreunen -, het plan opvatte later ook boeken te gaan schrijven.

Een poëtica gebaseerd op Pinkeltje is niet meteen wat je verwacht van een inmiddels gerijpt auteur als Herman Koch. Maar ik overdrijf niet. Zou Eindelijk oorlog, zoals Kochs nieuwe roman heet, dan misschien, net als Red ons, Maria Montanelli, satire zijn, of tenminste geestig of komisch bedoeld? Zou Herman Koch met deze schets van een in nood verkerende Herman - zoals zijn hoofdpersoon heet - de draak hebben willen steken met de manier waarop door sommigen in Nederland de literatuur nog steeds ernstig genomen wordt?

Geenszins. Eindelijk oorlog is bloedserieus. Koch vertelt in dit boek over een jongeman die 'professionele psychologische hulp' nodig heeft en die is, gezien de angsten en wanen waaraan hij lijdt, geen overbodige luxe. Maar waaròm hij niet helemaal functioneert zoals vele van zijn medemensen, zijn vriendin A. bijvoorbeeld, en niet goed tegen het leven is opgewassen, wordt in de loop van het boek niet veel duidelijker. Het heeft, dat is zeker, met de oorlog te maken, en met het feit dat Herman alleen, zonder familie - op een tante na - in de wereld staat. Tegen die achtergrond zoekt Herman, die voortdurend bang is dood te gaan, naar de oorsprong van zijn angst.

Op zichzelf is dat buitengewoon roerend, maar de manier waarop Koch het leven van zijn hoofdpersoon uit de doeken doet - zijn wieg was een rieten voedselmand die tijdens de oorlog boven Arnhem werd afgeworpen en die door zijn grootvader in de bossen van Wolfheze werd gevonden: 'Bij mij is de oorlog al vroeg begonnen' - is zo particulier dat je nauwelijks van een roman kunt spreken.

Wat je leest zijn al of niet meeslepend beschreven tafereeltjes uit het leven van Herman Koch en dat kan interessant zijn voor degenen die de mens achter de tv-komiek beter willen leren kennen, maar voor lezers die een pakkend, universeel en voor elke sterveling geldig onderwerp uit al die ellende te voorschijn getoverd willen zien, is Eindelijk oorlog jammergenoeg-over-het-algemeen-tamelijk langdradig. De indruk die beklijft, na de slotpassages, waarin voor het eerst in dit boek een emotie op de lezer wordt overgedragen, is dat deze 'roman' niet zozeer uit Kochs gekwelde gemoed is voortgekomen, maar uit de vriendelijke aandrang van zijn uitgever, Meulenhoff: 'Herman, wordt het niet langzamerhand weer eens tijd voor een nieuw boek?'

En meegaand als een oud-Montessori-leerling behoort te zijn, heeft Herman Koch met alles wat hij in zich had aan dit verzoek voldaan.

Wat Herman Koch ontbreekt is, zoals Harry Mulisch dat zo mooi geformuleerd heeft, het vermogen om de diepte van het oppervlak te laten zien. Dat is de kunst. De een slaagt daar beter in dan de ander, maar altijd heeft het te maken met wat er aan allusies, associaties, kennis, taal en literatuur in het hoofd van de schrijver zit. Dat wordt, afgaande op de doorsnee Nederlandse roman van tegenwoordig, minder. Met Een plek om te verdwijnen doet Kees Ruys een dappere poging deze indruk weg te nemen. Al op de eerste bladzijde van zijn roman is zijn getourmenteerde hoofdpersoon - een vrouw, Astrid van de Wind - zo diepgaand betrokken bij de literatuur, dat ze schrijlings gezeten op haar docent moderne letterkunde tentamen doet en met een juichend orgasme slaagt.

Ik wist niet dat het literatuuronderwijs aan onze universiteiten zo erotisch was geworden, maar wie nu denkt dat Ruys een geintje maakt, komt bedrogen uit. Zijn verhaal over deze Astrid van de Wind, die op haar twintigste trouwde met de Schotse speelgoedhandelaar Tobias Morgan, maar hem verloor toen ze al te nadrukkelijk liet blijken wel een kind te willen, is het verhaal van een crisis die Astrid doormaakt in een hotel te Scheveningen. Daar heeft ze een kennelijk uitzinnige liefdesnacht gehad met een volslagen onbekende - ze ontwaakt de dag erop zonder schaamhaar - en die ervaring woelt haar herinneringen los, vooral aan haar vader, die ergens buiten haar bereik vegeteert na een hersenbloeding.

Hij was een onbereikbare vader, een oceanoloog, die niet erg gelukkig was temidden van zijn gezin in Blaricum. Alleen het kind, dat Astrid was, drong door zijn pantser heen en dat leidde tot een intieme lichamelijke omgang, waarvan ze de verwoestende gevolgen in haar verdere leven met zich meezeult. Na haar scheiding kroop ze werkelijk met iedereen in de koffer.

Door zich in het innerlijk van zijn hoofdpersoon te verdiepen, slaagt Kees Ruys erin een heel milieu, een uitzichtloze, vrouwelijke wereld te verbeelden, die goed verteld als zij is, de lezer blijft boeien doordat Ruys steeds meer inzicht geeft in Astrids leven tot dan toe. Dat is alleszins de moeite waard en een niet geringe prestatie van de schrijver en daar hoeft ook niet op te worden afgedongen. Alleen als Ruys overgaat van Astrids verwarde innerlijk, haar narcisme, haar wanen en herinneringen, naar de reële buitenwereld - een krachtige zeeman die haar platpratend de helpende hand biedt als zij zich bezat heeft in de bar van het hotel bijvoorbeeld - wil zijn verhaal wel eens minder geloofwaardig worden. Ruys vervalt dan in een 'realistische' verteltrant, die haaks staat op het 'onwerkelijke' van Astrids interieur en dat wreekt zich. Niettemin is Een plek om te verdwijnen een roman om serieus te nemen (Atlas, ¿ 34,90).

Een routinier als Willem Brakman - ja, er is wéér een boek van hem, en er is nu ook een tijdschrift dat aan hem is gewijd, het Brakman-cahier - heeft lang geleden al afstand genomen van wat je 'realisme' in de literatuur zou kunnen noemen. Bij hem gaat het uitsluitend om het interieur, zijn interieur en zo heet ook zijn jongste novelle: Interieur. Het verwijt dat dit moeilijk of onbegrijpelijk zou zijn, al die verhalen die jaar in jaar uit laten zien wat er zich niet allemaal in een mensenhoofd aan gevoelig materiaal kan ophopen, treedt hij in deze novelle op de eerste bladzijde manhaftig tegemoet:

'Moeilijk is het allemaal niet, het gaat er maar om zich even open te stellen, de pas in te houden, de hand aan het voorhoofd te brengen op de traditionele manier, de wijsvinger langs de neus te plaatsen of het hoofd met de kin op de over elkaar geslagen handen te laten rusten. De ellebogen kan men dan het beste op het tafelblad steunen. Daarna gaat alles vanzelf. Op een nacht meldt zich dan de man met het litteken, of de vrouw zonder haar, of de non zonder armen of het meisje zonder armen en benen. Dat is om het even, waar het om gaat is dat deze gestalten niet willekeurig zijn op te roepen, die doen gewoon wat hun in de zin komt, ware dat niet zo dan schoven ze maar flets voorbij als werden ze als hulpstukken in en uit gedragen door etaleurs die iets gaan inrichten.'

De figuren die ditmaal 'gewoon doen wat hun in de zin komt' zijn een oude boekverkoper, een onbetrouwbare scharrelaar en Chrisje, het meisje voor dag en nacht, dat deze oudemannenwereld, voorzover mogelijk, in vuur en vlam zet en Brakman weer eens in staat stelt heel het theater van zijn geest te bevolken met een handvol 'schepselen Gods' wie niets menselijks vreemd is - noch de liefde, noch hun lust om in de natuur hun gevoeg te doen - en dit alles tot vermaak van lezers, die net als Willem Brakman aan de lust van het fabuleren (het geouwehoer waarop dank zij hen Gods zegen komt te rusten) een haast erotisch genot beleven (Querido, ¿ 29,90).

Hiske Dibbets debuteerde met Droomkeuken (Prometheus, ¿ 29,90), een roman waarin volgens de uitgever een freelance journaliste, die door haar man in de steek gelaten wordt, een hippe FIOD-rechercheur, een onfortuinlijke archeoloog in Mexico en een adjunct-redacteur van een damesblad op zoek zijn naar het geluk, maar die voor mij vooral een boel gekkigheid betekende (verzinnen is geen kunst, goed schrijven wel). Ook De zoon van madame Butterfly is, als ik me niet vergis, een debuut. Maar deze verhalenbundel van de 62-jarige Klaus Siegel, een man die in 1939 uit Duitsland vluchtte, in Nederland en de Verenigde Staten tal van beroepen uitoefende en tegenwoordig les geeft in de vertaalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, ademt de sfeer van een ouderwetse verteller, die het een en ander heeft meegemaakt en bovendien weet wat literatuur is, waardoor je je met genoegen aan deze breed uitwaaierende vertellingen overgeeft (AP, ¿ 36,90).

En dan is het nog lang niet op, want de Nederlandse literatuur bloeit als nooit tevoren - al is het niveau niet steeds even hoog - maar voorlopig moet ik het hier even bij laten, want het buitenland wacht, in casu, de Scandinavische literatuur (en niet te vergeten die mooie Modiano, Aardige jongens, die eerder bij De Arbeiderspers verscheen en nu door Meulenhoff is herdrukt, ¿ 32,90. Bewonderaars van Modiano zullen al zijn nieuwste roman, Du plus loin de l'oubli, in het Frans gelezen hebben).

Nicolaas Matsier betoonde zich vorige week, in het kunstkatern van de Volkskrant, mateloos enthousiast over Het licht van Torgny Lindgren (De Bezige Bij, ¿ 44,90) en zonder daaraan afbreuk te willen doen - ik was aanzienlijk minder gegrepen door deze parabelachtige vertelling - zou het geen kwaad kunnen als deze of gene deskundige zijn licht eens zou willen laten schijnen over de literatuur die op dit moment in Denemarken, Zweden, Noorwegen en IJsland geschreven wordt. De Bezige Bij gaat deze maand het werk van Tomas Tranströmer (de poëziebundel De treurgondel door J. Bernlef vertaald), van Ib Michael, Einar Kárason (Het duivelseiland), Lars Gustafsson en Göran Tunström in het middelpunt van de belangstelling plaatsen. Misschien leidt die aandacht ertoe dat ook andere Scandinavische boeken die recent in Nederlandse vertaling verschenen, terugkomen in de belangstelling. Met het veelgelezen Smilla's gevoel voor sneeuw zal dat geen probleem zijn. Een nieuwe Heg, Kvinden og aben (De vrouw met de aap) is op komst bij Meulenhoff. Maar het indrukwekkende Rand van Jan Kjaerstad, dat bij De Geus verscheen, kreeg hier volkomen ten onrechte nauwelijks de waardering die het verdient.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden