InterviewFelix Rottenberg

Felix Rottenberg keert terug naar de Akbarstraat: ‘Ik geloof in deze buurt’

Felix Rottenberg in de Kolenkitbuurt.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Bijna twintig jaar geleden maakte Felix Rottenberg een spraakmakende serie over de Akbarstraat in Amsterdam-West. Nu keert hij terug. Wat is er geworden van de ‘slechtste’ wijk van Nederland? 

Scène uit de documentaire Terug naar de Akbarstraat van Felix Rottenberg en Gülsah Dogan, aankomende woensdag en donderdag op tv. De kijker is aanwezig bij een ouderavond op de (zwarte) Bos en Lommerschool in Amsterdam-West. Daar is net een groepje van zeven witte kinderen geland, allemaal in dezelfde klas. De ouders met een Turkse en Marokkaanse achtergrond zijn not amused. Het is, zeggen ze, alsof de ouders van die nieuwe kinderen de boel komen overnemen.

De sfeer is al gespannen als een Turks-Nederlandse vader ineens zegt: ‘Júllie hebben ervoor gekozen in een zwarte wijk te komen wonen. Dan moeten jullie je aan óns aanpassen.’

‘Ja’, zegt Rottenberg (62), halverwege de jaren negentig partijvoorzitter van de PvdA, tegenwoordig voorzitter van diverse maatschappelijke organisaties. ‘Dit is een sleutelscène in de film. Samenleven vraagt van alle kanten empathie. Als je die niet hebt, krijg je verharding.’

Ik sprak Freek Salm, een oude Amsterdamse sociaal-democraat, die aanwezig was bij een voorvertoning van de film. Hij dacht bij deze scène: sodemieter op, ik woon in Nederland, niet in Klein-Marokko. Snapt u zijn reactie?

‘Ik heb die vader anders begrepen. De witte ouders hadden hun plan om hun kinderen gezamenlijk op school te laten beginnen alleen bij de schoolleiding gemeld, terwijl ze ook met de ouders een gesprek hadden moeten aangaan. Ze hadden kunnen beginnen met complimenten over de mooie school. Kunnen zeggen: wij willen dat onze kinderen met jullie kinderen naar school gaan, hoe zorgen we er samen voor dat dat het best mengt? Dat hebben ze niet goed gedaan, gaven ze later zelf ook toe.’

Op verzoek van Rottenberg hebben we afgesproken in Patisserie Rahmouni aan de Bos en Lommerweg, een grote, deze ochtend vrijwel lege zaak met thee, koffie en zoetigheid. Een tafeltje verderop zitten vier vrouwen. ‘Die hebben net de kinderen naar school gebracht, spreken prima Nederlands en zeggen altijd vriendelijk goeiedag.’

Aan de overkant van de weg begint de Akbarstraat, de beroemdste straat van de Kolenkitbuurt. Die werd in de jaren vijftig ontworpen als arbeiderswalhalla aan de westelijke rand van Amsterdam, met lage flats, brede straten en stoepen, veel licht en groen. Iets meer dan een halve eeuw later was er van de idylle niets meer over. Met een bevolking die voor meer dan 90 procent bestond uit Turkse en Marokkaanse Nederlanders en een hoog percentage werkloosheid, armoede en criminaliteit, voerde de Kolenkitbuurt in 2009 de lijst aan van de veertig grootste probleemwijken in Nederland, de Vogelaarwijken.

Terug naar de Akbarstraat is een vervolg op het spraakmakende drieluik De Akbarstraat, dat in 2002 op tv werd uitgezonden. Het is anders van toon: waar in de eerste serie harde noten werden gekraakt, is de benadering in de tweede meer onderzoekend. Dat was een bewuste keuze. De makers – naast Rottenberg documentairemaker Gülsah Dogan – wilden in deze gepolariseerde tijd met open vragen komen in plaats van met oordelen.

Hoe Rottenberg hier terechtkwam, heeft hij vaker verteld. Hij was PvdA-partijvoorzitter toen bij hem de auto-immuunziekte sarcoïdose werd geconstateerd. Op doktersvoorschrift ging hij wandelen. ‘Ik had vroeger op school vriendjes die in deze buurt woonden, maar was daarna niet meer terug geweest. Dat werd de bestuurlijke elite in die tijd ook kwalijk genomen: dat ze nooit het centrum uitkwam en geen weet had van hoe het er in de achterstandswijken aan toe ging.’

Felix Rottenberg: ‘Samen­leven vraagt van alle kanten empathie. Als je die niet hebt, krijg je verharding. Dat zie je ook terug in mijn serie.’Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Wat trof u destijds aan?

‘Een buurt die op een bepaalde manier vredig en mooi was. Tegelijkertijd viel me op hoeveel vuil er op straat lag, hoe slecht de huizen waren onderhouden. Hoe weinig autochtone Nederlanders ik zag. Gaandeweg ontstond het idee me fundamenteel in de buurt te verdiepen. Welke mensen wonen hier? Wat is hun geschiedenis? Voor welke problemen worden ze gesteld? Hoe lossen ze die op?’

Ongekende luxe in de wereld van de televisie: Rottenberg en zijn team huurden negen maanden een leegstaande drogisterij om de hoek van de Akbarstraat en spraken meer dan 150 mensen voordat ze begonnen met filmen. Bewoners, opbouwwerkers, beleidsmakers. ‘Een antropologische manier van kijken, zoals dat heet. En die antropologische kijk is een luxe positie, want je denkt in lange lijnen van tien, twintig jaar. Terwijl de politiek zich in vier jaar moet bewijzen.’

Rottenberg komt uit wat hij noemt een ‘geëngageerd’ gezin. Grootvader van vaderskant was een Joodse immigrant uit Oost-Europa, zijn andere grootvader was coupeur in Wenen. ‘Ik ben opgevoed met een alertheid voor racisme. Solidariteit was een vanzelfsprekendheid, net als de notie dat niemand gelukkig wordt van een samenleving met grote verschillen.’ Zelf werd hij op zijn 15de lid van de PvdA. Met zijn vader, moeder en zijn jongere zus lag hij vaak op het bed van zijn ouders tv te kijken, zeker als Joop den Uyl werd geïnterviewd. ‘Den Uyl was de belichaming van samen, van solidariteit. Als je me vraagt waarom ik me al die jaren aan de Akbarstraat heb verbonden, dan zeg ik: omdat de Akbarstraat voor mij symbool staat voor de vraag hoe je dat ‘samen’ voor elkaar krijgt.’

Een paar van de opvallendste fragmenten uit de eerste serie zijn opnieuw te zien in Terug naar de Akbarstraat. Habil en zijn vriendje Yassine die elke zaterdag naar de koranschool gaan en vertellen dat de meester hen weleens op de handen slaat met een stok. Dat hun vader daarvoor toestemming heeft gegeven.

Rottenberg, onderuitgezakt op de bank bij de familie Mehdaoui: ‘Weet u wat ik een van de grootste problemen hier vind? De rotzooi. Ziet het er in Marokko ook zo uit?’ Nee, zegt de vader, daar zijn geen voorzieningen, dus iedereen ruimt alles zelf op. ‘En waarom doe je dat hier dan niet?’

Jonge Marokkaanse meisjes die zeggen dat ze zich niet veilig voelen op straat.

De paar oudjes van de volksdansclub die praten over ‘die Turkerinnen’, en dat ze je ‘bestelen waar je bijstaat’ en allemaal gemakkelijker een uitkering en een huis krijgen dan zij.

De eigenaar van een fotozaak die moet constateren dat er van integratie absoluut geen sprake is. ‘En als je de vraag stelt of het wel slim is om zoveel allochtonen in één wijk samen te brengen, ben je een racist.’

In 2000 schreef publicist Paul Scheffer in een essay dat de multiculturele samenleving was mislukt. Vond u dat ook?

‘Het was niet Scheffer maar Frits Bolkestein die als eerste benoemde wat de problemen waren van het minderhedenbeleid. In zijn ogen was dat onder andere integratie met behoud van identiteit. In de nieuwe serie beginnen we met een citaat van Bolkestein: ‘Men mag natuurlijk ook van allochtonen verlangen dat zij op de arbeidsmarkt zijn voorbereid.’ Ik vond het destijds moedig van hem dat hij een debat aanzwengelde, wat niet betekent dat ik dacht: de multiculturele samenleving is mislukt. Dat kun je pas zeggen als je je erin hebt verdiept. De waarschuwing van Bolkestein was voor mij wel een aanmoediging om de wijk in te gaan waar bestuurders nooit kwamen, ook die van de PvdA niet, en die eerste serie te maken.’

Vooral de PvdA kreeg indertijd de kritiek weg te kijken van de problemen in achterstandswijken.

‘Ja, maar als je naar de geschiedenis kijkt, trof iedereen blaam. Tot halverwege de jaren zeventig dacht iedereen nog dat de ongeschoolde arbeidskrachten uit Turkije en Marokko – die wij hierheen haalden omdat we ze nodig hadden in onze fabrieken – hier tijdelijk zouden zijn. In 1978 vroeg PvdA-Tweede Kamerlid Henk Molleman aan het kabinet-Van Agt-Wiegel om een visie op immigratie te ontwikkelen. Prima, zei Wiegel, maar dan ga jij dat ook doen. Hij werd benoemd tot directeur minderhedenbeleid op het ministerie van Binnenlandse Zaken en waarschuwde dat er niet te veel mensen met een Turkse en Marokkaanse achtergrond in één wijk moesten gaan wonen – daar hadden de meeste wijken geen opnamecapaciteit voor. Eerlijke uitspraken, die werden genegeerd.

‘In dezelfde tijd verscheen het rapport Etnische minderheden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, een orgaan dat boven de politiek staat. Daarin werd bepleit dat buitenlandse gastarbeiders als groep moesten worden aanvaard, dat ze als Nederlanders moesten worden gezien en dat naast beleid voor het opheffen van de taalachterstand, de eigen taal en cultuur moesten worden gestimuleerd. Dat zou nu ondenkbaar zijn. On-denk-baar!’

Felix Rottenberg: ‘Mensen met hoge en lage inkomens vechten hier om een plek en de stad heeft maar één antwoord: de markt maakt het uit. Dat vind ik heel erg.’Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

U ging terug naar de Akbarstraat met een paar vragen, zegt u in de eerste aflevering. Waarnaar was u het nieuwsgierigst?

‘Naar de kinderen. Ik ben zelf in luxe omstandigheden opgegroeid, met een goede lagere school, de leukste middelbare school, een stevig netwerk van ouders, opa’s en alles eromheen. Dan heb je een geweldige basis. Maar nu verplaats ik me in die tweede of derde generatie, met ouders die de Nederlandse taal niet machtig zijn, die dus niet wordt geholpen met huiswerk. Die misschien wel een idee heeft welke kant ze op wil in het leven, maar dat lukt niet. Dan praat je feitelijk over een nieuwe klassenstrijd.’

U laat opvallend veel jonge, geslaagde, goed geïntegreerde Turkse en Marokkaanse Nederlanders aan het woord.

‘We hadden natuurlijk weer kunnen stilstaan bij een geheel gesluierd gezin dat geen of gebrekkig Nederlands spreekt. Maar regisseur Gülsah Dogan en ik hadden er meer behoefte aan de camera te richten op de mensen die vooruit willen.’

Mooie scène, in de eerste aflevering, waar Rottenberg kijkt naar scènes uit het oude drieluik met de jonge cultureel antropoloog Sinan Cankaya, bewoner van de Kolenkitbuurt. Als het gaat over de rotzooi op straat, verwijt Cankaya Rottenberg racisme vanwege de volgende redenering: vuilnis is het symbool voor verpaupering. Migranten maken de meeste rotzooi, dus verpaupering is de schuld van migranten. En Cankaya zegt: er is een betere manier om met dit probleem om te gaan. Migrantengezinnen zijn groot, dus de gemeente moet de vuilnisbakken in de wijken waar ze wonen, vaker legen.

Heeft hij gelijk?

‘Deels. Want er wordt ook rotzooi van het balkon naar beneden gegooid.’

Cankaya vindt ook dat u destijds, bij het zoeken naar oorzaken voor de mislukte integratie, te veel nadruk heeft gelegd op sociaal-culturele verschillen tussen allochtonen en autochtonen. Terwijl het ontbreken van werk en daarmee inkomen volgens hem een beslissende rol speelt. In die zin zouden de allochtone en autochtone onderklasse samen moeten strijden voor een betere positie in de samenleving.

‘Ik vind zijn waarschuwing dat we door de verharding van het migratiedebat vooral nog kijken naar sociaal-culturele verschillen – religie, emancipatie, taal, een cultuur van het individu versus een cultuur van gezamenlijkheid – oprecht goed. Maar het is niet of-of. Als er in een familie sprake is van een opeenstapeling van armoede, dan versterk je ook het sociaal-cultureel isolement.’

Felix, je houdt je in – zo sprak hij zichzelf elke draaidag toe op de fiets. Je stelt vragen, je luistert naar de antwoorden en je gaat niet meteen in discussie. Hij hield zijn mond toen Cankaya hem verweet met de ‘oude’ Akbarstraat te hebben bijgedragen aan het beeld van allochtonen als veroorzakers van de mislukking van de multiculturele samenleving. ‘Toen heb ik wel even gedacht: vriend, dan heb je niet goed gekeken. Want ik heb destijds de beleidsmakers op het stadsdeelkantoor ernstige verwijten gemaakt. Ik vond dat ze niet adequaat reageerden op de problemen in de wijk. Dat er geen engagement was, dat ambtenaren geen urgentie voelden.’

Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Nog één keer Freek Salm. Die noemt Terug naar de Akbarstraat ‘mooi gemaakt, maar het geschetste beeld is te rooskleurig’. Hij mist de radicalisering, het verborgen eergerelateerd geweld, de bedenkelijke rol van moskeeën met betrekking tot integratie.

‘Dan zeg ik: die onderwerpen krijgen elders voldoende aandacht. Wij hebben een andere keuze gemaakt.’

Geeft u politici als Baudet en Wilders niet te veel munitie om te zeggen: zie je wel, typisch links allochtonengeknuffel?

‘Ik heb geleerd dat soort uitspraken voor vrolijke kennisgeving aan te nemen. Kijk, Gülsah en ik hebben tegen elkaar gezegd: we willen geen debatprogramma maken. Ik ga niet met een breekijzer naar binnen. Ik stel vragen en ik luister naar de antwoorden.’

Was dat uw keuze of die van regisseur Gülsah Dogan?

‘Gülsah heeft me zeker gecorrigeerd en bijgestuurd. Anders zou er meer Freek Salm in mij naar boven zijn gekomen. Maar ik ben blij dat ze het heeft gedaan. Dankzij haar is de serie zo goed geworden.’

En zo zien we Habil, het jongetje dat in 2001 voordeed hoe hij door zijn docent op de moskeeschool op zijn handen werd geslagen, als 26-jarige praten over hoe hij als voorman de leiding had over de werktuigbouwkundige installaties van twee grote kantoren aan de Zuidas. Hoe hij, zoals hij dat zegt, ‘het land heeft helpen opbouwen’, tot hij in 2017 door een antiterreurbrigade uit zijn auto werd gesleurd en met een mitrailleur onder schot werd gehouden. Een vergissing, bleek al snel. Pas na lang aandringen zijn er excuses aangeboden. Hij werd ziek, verloor zijn baan. Zijn beeld van zijn positie in de Nederlandse samenleving is door dit alles beschadigd.

Rottenberg: ‘Als dit een van mijn zoons was overkomen, had ik niet geaccepteerd dat er vanuit de politie geen nazorg werd geboden. Het is vast tegen het protocol, maar waarom wordt er geen ontmoeting georganiseerd met het lid van het arrestatieteam dat met die verschrikkelijke mitrailleur boven hem stond? En dat die man zegt: ik vind het reusachtig vervelend dat je dit is overkomen, het spijt me zeer. En een hand op zijn schouder legt.’

Het verhaal van Habil is misschien een te specifiek voorbeeld. Maar, zegt Rottenberg, in de voorbereidingen op het programma hoorde hij van meer Turkse en Marokkaanse Nederlanders uit de Kolenkitbuurt van destijds dat ze zich in de steek gelaten voelden door de samenleving. ‘Die wilden dus ook niet meer meewerken. Die zeiden: waarom zouden we? Door de verharding in de manier waarop er over hen gesproken wordt, in plaats van mét hen, hadden ze het idee: wat hebben wij erbij te winnen? Aan het eind van de film zit een schrijnende scène aan de rand van het voetbalveld. Daarin geeft de vader die in de klas zei dat ‘jullie je aan óns moeten aanpassen’, in vloeiend Amsterdams antwoord op de vraag wat integratie is. ‘Ik heb mijn eigen bedrijf, ik betaal belasting, ik vier Kerstmis, ik kijk naar Home Alone – wat moet ik nog meer doen om erbij te horen?’

Uit een onlangs verschenen SCP-rapport bleek al dat Nederlanders met een migratieachtergrond zich voldoende geïntegreerd voelen. De autochtone Nederlander denkt daar anders over: die vindt dat ‘de ander’ nog meer naar hem toe moet bewegen.

‘Ik vind: je komt naar elkáár toe. Wij moeten oprechte interesse hebben in de ander. Dat is de essentie van buurtgenootschap. Het grappige is: bij een van de voorvertoningen van de film kwam een gedrongen zeventiger van de klaverjasclub naar me toe, en die zei: wat die vader op het voetbalveld zei, dat ligt ook wel een beetje aan ons.’

We lopen naar de overkant van de weg. Tegenover de voormalige drogisterij waar Rottenberg in 2001 kantoor hield, staan vier hagelwitte appartementengebouwen in een cirkel rond een binnentuin. ‘En dit is Rhapsody’, zegt Rottenberg. ‘Hoe verzin je het? Die naam alleen al, Rhapsody. En dan daar de Akbarstraat. Daarmee druk je het verschil al uit.’

Want zo zijn de grote problemen in de Kolenkitbuurt na 2009 aangepakt: er is gesloopt, gerenoveerd en nieuw gebouwd. Was vroeger elke woning hier een sociale woning met een lage huur, nu zijn er ook koopwoningen bij gekomen, en woningen met huren van tegen de 1.500 euro.

Al lopend komt iets van de oude Felix Rottenberg naar boven, de Rottenberg die fulmineert tegen beleidsmakers die niet zien dat hiermee nieuwe problemen worden gecreëerd, zoals verdringing van de oude bewoners uit de buurt. ‘Yuppen’, zegt een oude dame van de klaverjasclub in de documentaire, ‘da’s van boven bont en van onderen stront’: ramen lappen is er niet bij en het portiek houden ze ook niet schoon.

Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Deze vraag houdt hem daarom het meest bezig: waar krijgt het nieuwe kader van de stad, de loodgieters, de verplegers, de laboranten, de onderwijzers en ga zo maar door – waar krijgen zij nog een woning, met de groeiende groep Europese expats die naar Amsterdam komt omdat het een internationale stad is? ‘Ik vind het heel erg dat die twee groepen vechten om een plek en dat de stad maar één antwoord lijkt te hebben: de markt maakt het uit. Dat geeft hoge inkomensgroepen een te grote voorsprong.’

Dat is het grote vraagstuk waar deze samenleving voor staat – niet dat van integratie, zegt Rottenberg. ‘Daarover ben ik optimistisch. Toen we hier in 2001 filmden, zei de oude generatie Turkse en Marokkaanse Nederlanders: wij waren de brug voor onze kinderen. Over onze ruggen lopen zij de toekomst tegemoet. Natuurlijk, er zijn jongens met wie het helemaal niet goed gaat. Die radicaliseren, in de zware criminaliteit belanden. Maar er is ook een steeds groter wordende groep waarmee het goed gaat. Ik ben hoopvol, maar zeg daar wel altijd bij: integratie duurt vijf of zes generaties. Dan hebben mensen op een bijna terloopse manier hun plek gevonden.’

Terloops, dat klinkt alsof het vanzelf gaat.

‘Nee, daarvoor heb je goede mensen op alle mogelijke plekken nodig. Misschien ben ik een naïeve sociaal-democraat, maar ik geloof in opbouwwerkers, een buurtagent. In goede voorzieningen als een bibliotheek, een cultureel centrum, plekken waaraan burgers trots ontlenen. Als je alle dingen afschaft die een belangrijke rol spelen in het onderhouden van het sociale weefsel, ben je de boel aan het ondermijnen.’

Terug naar de Akbarstraat wordt uitgezonden op 22 en 23 januari om 22.15 uur op NPO 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden