Feest der herkenning

ANNEMARIE OSTER

oms word ik herkend. Op straat of in een winkel. Steeds minder vaak. De meeste bewonderaars van weleer liggen onder de zoden of zitten - nee, niet achter de geraniums; daarvoor zijn ze te hoogopgeleid - voor de computer of boven een goed boek. Voor de televisie? Nauwelijks nog.

Vroeger keken ze wel. Naar Hadimassa, de opvolger van Zo is het toevallig ook nog 's een keer. Toen ik nog jong en zo mooi mogelijk was, deed ik mee aan dit satirische programma. Seizoenen lang wist ik me staande, zittende en liggende te houden. Zat ik niet bij iemand op schoot, dan lag ik wel met hem in bed. Meestal was dat Ton Lensink (¿). Zo vlak bij mijn oor raspte zijn stem tot ongekende diepte: alsof je over een grindpad liep.

Het voert te ver om alle Hadimassa-medewerkers in een postuum zonnetje te zetten, maar om Ton van Duinhoven (¿) kan ik niet heen. Al snel was deze rastypeur, tot ergernis van de andere Ton, de ster. (En nog steeds wordt zijn party-robot hervertoond.) Bijna werd hij van zijn troon gestoten door nieuwkomers Van Kooten en De Bie, maar hij bleef overeind. Zo de jongens uit Den Haag zich al stoorden aan de van geldingsdrang doordesemde acteur (ook tijdens de repetities ging geen woord of gebaar onopgemerkt voorbij), ze gaven geen krimp. Ik wel. Sinds het vertrek van Yoka Berretty had ik als vrouw het rijk alleen. Mannelijke uitsloverij kon mij niet deren. Ik lachte om al Tons grapjes.

Het eerste titellied dat ik mocht zingen, 'Ha-di-ma-ssa!', was rijk georkestreerd; met moeite overschreeuwde ik het koper. Maar twee seizoenen verder componeerde Herman Schoonderwalt (¿) een genuanceerdere versie en kon ik volstaan met een zuchtmeisjesgeluidje.

Aan de sketches deed ik die eerste seizoenen nauwelijks mee. Later wat vaker, maar altijd tot meerdere glorie van de heren. De meeste van mijn rolletjes hadden weinig om het lijf. Ter compensatie werd er een satirisch lied voor me geschreven.

Dit alles gebeurde onder de straffe leiding van schrijver/regisseur Dimitri Frenkel Frank (¿). Hoewel hij te boek stond als een vrouwenversierder, had hij weinig clementie met dit mensensoort (een combinatie die wel vaker voorkomt). 'Niet zo langzaam praten!' riep hij als ik tijdens een scènetje met een van de Tonnen niet snel genoeg uit mijn woorden kwam. Aan weerszijden van de helverlichte repetitieruimte zat de rest van de cast te wachten tot ik klaar was of liever, eindelijk begon.

Meestal zijn het vrouwen door wie ik word aangesproken, ja, -geklampt. In plaats van blij herkennend kijken ze zorgelijk alsof ze me willen wijzen op een ongerechtigheid of mijn hulp in willen roepen. Eerder voel ik me een reddingsboei dan een gevierde televisiester uit lang vervlogen tijden. Ze grijpen me bij een arm en tasten mijn gezicht af: 'Was u niet..? Bent u niet...? Eh...Joke Barret...? Hè. Toe, help me even...' En dan moet ik mijn eigen naam zeggen. Bestaat er iets genanters? Midden op straat tegen een wildvreemde zeggen hoe je heet!

Daarna rijst vraag twee: 'In welk programma zat u ook alweer? 'Zo was het...' 'Of nee... Was het niet 'Zo is het...'?'

'Nee mevrouw...' O, die geduldige toon; hulpvaardige glimlach: 'U haalt twee programma's door elkaar. Eerst had je Zo is het toevallig ook nog 's een keer. En daarna kwam Hadimassa.'

'O ja! Met...'

'Ton van Duinhoven?'

'Ja, als die robot! Geweldig! En als die Feyenoordsupporter! Zaten Koot en Bie niet ook in dat programma? Geestig!' en vervolgens wordt geruime tijd opgerakeld hoe briljant mijn mannelijke medespelers waren.

'Nou eh, bedankt hoor, dag eh...,eh... '

'Dag mevrouw.'

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden