Fee earners en energievreters

krap, krapper, krapst. Ook in de advocatuur wordt het steeds moeilijker om genoeg talent te vinden. Het verloop is groot en de samenleving juridiseert....

Het ziet er niet naar uit dat de krapte op de arbeidsmarkt snel voorbij zal zijn. Op wat voor manier hebben jullie daar last van?

Guy van Doremalen, Loyens Loeff:

‘We hebben dit jaren niet meegemaakt. Gemiddeld nemen wij jaarlijks vijftig tot honderd advocaten, notarissen en fiscalisten aan. Ondernemingsrecht kan bij ons in Amsterdam komend jaar zo twintig man plaatsen. Ze moeten niet allemaal tegelijk komen, maar het kan.’

Joost Linnemann, Kennedy van der Laan:

‘Los van de conjunctuur is het aantal advocaten in Nederland gestaag gegroeid. De samenleving juridiseert.’

Susan Fuengshunut, Lovells:

‘Net afgestudeerde juristen kiezen minder snel voor grote kantoren waar ze, denken ze, heel hard moeten werken. Tegelijk is de advocatuur minder sexy geworden. De consultancy, het bedrijfsleven en de overheid zijn grote concurrenten.’

Willemijn Arends, Nauta Dutilh:

‘Zoveel bedrijven zijn op jacht. Bij ons geldt ook: als onze grootste concurrenten meedoen, dan doen wij mee. Zo houden we het hele circuit in beweging. Er gaat heel veel geld in om. En dan tel ik niet eens de uren van collega’s die meegaan naar beurzen en banenmarkten.’

Jan Willem van der Staay, Freshfields Bruckhaus Deringer:

‘Er is een continue strijd om het beste talent. Wat ook meespeelt: jongeren moeten sneller studeren en krijgen minder tijd om hun persoonlijkheid te ontwikkelen. Ze ondernemen veel minder uit spontaniteit of aspiratie, maar puur om aan hun cv te bouwen. Naar het buitenland, een goede stage... het klopt allemaal, maar het straalt niet van ze af. De poule met toptalent is kleiner.’

Maarten van den Akker, Allen & Overy:

‘Maar ze bestaan wel, de toptalenten. Wij hebben graag de mensen die in hun vak heel sterk zijn, maar daarnaast ook nog iets bijzonders doen. Toneelspelen, of op hoog niveau muziek maken. Die geestdrift hebben op meerdere vlakken.’

Van der Staay:

‘De leukste mensen hebben meer dan één talent. Monomane mensen zijn nooit leuk.’

Van Doremalen:

‘De kunst is om zo iemand ervan te overtuigen dat hij of zij het beste tot z’n recht komt in jouw eigen organisatie.’

Linnemann:

‘Wij zoeken ook naar die pianospeler, maar kunnen hem tegelijkertijd vertellen dat hij bij ons nog aan het pianospelen toekomt ook. Het klinkt allemaal prachtig wat jullie zeggen, maar ik vraag me af of iemand die al die transacties moet draaien nog wel tijd heeft.’

Van den Akker:

‘Wij zoeken de mensen die dat dan ook nog kunnen. En bij ons staat een piano op kantoor, haha.’

Arends:

‘Wij hebben er gemiddeld veertig per jaar nodig. Bij ons is ondernemerschap heel belangrijk. De een is beter in netwerken, de ander wil liever publiceren. Iedereen kan zich breed ontwikkelen.’

Fuengshunut:

‘Wij sturen de buitenbeentjes juist door. We zijn een kleine club, iedereen kent elkaar en heeft lol met elkaar. Mensen komen hier juist ook om de sfeer. Als je daar iemand in zet die er niet in past, dan heeft die het waarschijnlijk niet naar zijn zin.’

Van Doremalen:

‘Sinds een paar maanden hebben wij de Loyens Loeff Academy. Het is een soort snelkoker voor nieuwe mensen met als doel kennismaking met het kantoor, je collega’s, maar ook het opdoen van praktijkervaring en trainingen in presentaties en sociale vaardigheden. Bijvoorbeeld: hoe gedraag je je bij een diner met een cliënt? Je zit zes maanden letterlijk en figuurlijk in een klas. Hoe langer je bezig bent, hoe meer je ook daadwerkelijk juridisch werk krijgt. We laten daarmee zien dat we jóúw ontwikkeling belangrijk vinden.’

Waarom is juist de vraag naar jonge juristen zo groot?

Van der Staay:

‘Dat komt voort uit het ongewoon korte carrièretraject dat advocaten binnen een kantoor hebben. Een beginnend advocaat loopt drie jaar stage, en wordt daarna drie tot zeven jaar medewerker. Dat is de periode tussen je 24ste en je 32ste. Daarna komt er een beslissing over je toekomst binnen het kantoor. Niet iedereen groeit door tot compagnon. Van de vijf mensen die je aanneemt, is er misschien één die na zijn 35ste bij het kantoor blijft.’

Van Doremalen:

‘Binnen een goed functionerende maatschap is het verloop 10 tot 15 procent. Dat is hoog, in vergelijking met normale bedrijven. Gemiddeld werkt iemand 6,5 jaar bij ons. Dat is lang voor een eerste baan, maar kort ten opzichte van de totale loopbaan.’

Van der Staay:

‘De advocaatstage bestaat al vijftig jaar, maar het businessmodel is eigenlijk niet meer van deze tijd. Als wij mensen aannemen met de verwachting dat ze maar drie jaar blijven, zouden we een hele slechte deal maken. Het kost tijd om mensen volwaardig advocaat te maken. Het is bovendien hoogst uitzonderlijk dat advocaten tijdens hun stage worden weggestuurd.’

Fuengshunut:

‘Dat kan ook helemaal niet. De Orde van Nederlandse Advocaten beschermt de stagiaires als een moederkloek. Je kunt zo’n stagecontract niet zomaar ontbinden, tenzij de stagiaire zelf ook vindt dat het niet goed gaat.’

Van Doremalen:

‘Het kan voorkomen dat iemand een ander beeld heeft van wat hem te wachten staat, of later een ander perspectief ontwikkelt. We hadden laatst een jonge advocaat die ook kunstgeschiedenis studeerde. Die koos tijdens de stage toch om bij een veilinghuis te gaan werken. Maar het is maar een heel klein percentage dat afvalt.’

Muradin:

‘Door die leegloop na zes, zeven jaar missen we ook de middenlaag. Het kost partners nu veel tijd om jongere stagiairs op te leiden. De mensen die geen partner worden, zouden ook in opleiding en begeleiding terecht moeten kunnen.’

Van den Akker:

‘Daarom hebben wij de functie van counsel ingevoerd, pal onder de partner. Het zijn vaak mensen met specifieke kennis, die je graag in de organisatie wil houden. En zelf willen ze geen partner worden, maar wel bij de organisatie blijven. Het voorziet duidelijk in een behoefte.’

Van der Staay:

‘Het voordeel van de huidige structuur is wel dat jonge advocaten snel veel verantwoordelijkheid krijgen. Voor jongeren is dat interessant. Laat je ouderejaars te veel zitten, dan ontstaat ook een soort prop. Met leuk werk bovenin, en minder interessant werk onderin.’

Muradin:

‘Je moet wel een balans vinden. Straks heb je een stagiair die drie transacties moet draaien en geen partner te spreken kan krijgen.’

Van Doremalen:

‘Rond hun dertigste maken veel advocaten de keuze: blijf ik zitten, of zet ik mijn carrière elders voort? Bijvoorbeeld bij een bank of onderneming, waar ik nog veel verder kan groeien? Legitieme vragen. Wij hebben die talenten in huis, leiden ze op, dus het is logisch dat ze op een gegeven moment zeggen: mijn toekomst ligt elders. Ze zitten ook constant met dat soort partijen aan tafel. En ze zijn daardoor ook weer onze cliënten van de toekomst.’

Fuengshunut:

‘Voor starters zijn de grotere advocatenkantoren juist aantrekkelijk. Iedereen denkt: als ik daar een baan krijg, is mijn toekomst verzekerd. Ik heb een steile leercurve, er wordt geld in me geïnvesteerd, met een beetje mazzel zie ik nog een internationaal kantoor van binnen... Gechargeerd zeg ik: ze zien het vaak als een managementtraineeship.’

Linnemann:

‘Er is daarentegen ook van alles te zeggen voor de advocatuur voor de lange termijn. Je bent ondernemer. In het bedrijfsleven gaat lang niet iedereen door naar de top, en zit je misschien 35 jaar lang in die grote, gelaagde hiërarchie. In de advocatuur kun je in tien jaar aan de top komen, en zit je wel bij de raden van bestuur van het bedrijfsleven aan tafel. Het is niet alleen maar een aantrekkelijke opstap.’

Van Doremalen:

‘En kenmerkend voor de advocatuur is dat het startsalaris goed is. En daarna stijgt het ook snel. Het houdt gelijke tred met de ontwikkeling die wij verwachten van mensen, en die is enorm. Grote stappen in relatief weinig tijd.’

Van der Staay:

‘Er zijn hele grote verschillen binnen de beroepsgroep. Hier aan tafel zitten de grote, bekende kantoren, maar je hebt ook nog heel veel kleine kantoren met maar een paar advocaten, en die betalen minder. Daarna komen de middelgrote kantoren, die vaak de norm van de Orde van Nederlandse Advocaten volgen. Bovenin heb je de toplaag, waar sommigen uitzonderlijk veel verdienen. Mijn broer is al vijftien jaar huisarts. Hij maakt lange dagen en ook hij heeft te maken met ingrijpende zaken. Maar ik denk dat een vierdejaars bij Freshfields evenveel verdient als hij. Daar kun je je vragen bij stellen, maar zo is de markt.’

De advocatuur staat bekend als een bolwerk van vooral witte mannen. De afgelopen decennia zijn daar steeds meer vrouwen bij gekomen. Maar hoe staat het met de instroom van allochtonen?

Muradin:

‘Als je te weinig allochtone collega’s hebt, is dat een probleem. De maatschappij verandert, cliënten en hun organisaties ook. Bij ons gaat het best goed. Als ik door het bedrijfsrestaurant loop, zie ik gelukkig steeds meer gekleurde gezichten, en zelfs hoofddoekjes. En dat zijn dan niet de kantinemedewerkers of schoonmakers.’

Van Doremalen:

‘Afgelopen week was er een beurs voor allochtone studenten. Er stonden twee advocatenkantoren, waar wij er één van waren. Dat is weinig. Iedereen zegt: als iemand geschikt is, is hij welkom. Maar vanuit de groep zelf wordt er op een andere manier gekeken naar de traditionele kantoren.’

Linnemann:

‘Inhoudelijk heeft men zonder meer kwalificaties, maar je moet er als kantoor achteraan zitten. Je bent ook gek als je het talent laat lopen.’

Arends:

‘In Rotterdam en Amsterdam is 40 procent van de rechtenstudenten allochtoon.’

Van Doremalen:

‘Wij hebben per kantoor een vennoot die zich actief bemoeit met de begeleiding van allochtone stagiairs. Je houdt toch de kans dat iemand het reuze gezellig vindt, maar zegt: het feit dat jullie een borrel een borrel noemen, terwijl ik geen alcohol drink, geeft me een ongemakkelijk gevoel. Maar dat zou niet nodig moeten zijn.’

Van der Staay:

‘Het is natuurlijk ook prettig voor die groep dat er een bedrijfseconomische noodzaak is. Nederlanders zijn van nature niet geneigd om zich open te stellen voor andere culturen.

Dertig jaar geleden had je als katholieke advocaat bij een protestants kantoor in Amsterdam een moeilijk leven. Bij Freshfields is het wel anders. Wij zijn een internationaal kantoor. Er zitten bij ons Kazachstanen, Pakistanen: daardoor krijg je een ander soort cultuur dan de Nederlandse. Maar toch: wat meer openheid zou best nuttig zou zijn.’

En hoe zit het met vrouwen?

Linnemann:

‘Bij de instroom zien we tegenwoordig meer vrouwen dan mannen, alleen stokt de doorstroom. Het snelle carrièrepad van de advocatuur werkt dat in de hand – als vrouwen na zes, zeven jaar moeten kiezen, gaat de kinderwens ook meespelen.’

Van Doremalen:

‘Ons kantoor is veel vrouwelijker geworden dan tien, vijftien jaar geleden. Dat is niet goed of slecht, dat is gewoon zo. Bij allochtonen denk ik dat het ook zo gaat. Over vier jaar is die ondervertegenwoordiging veel minder.’

Van der Staay:

‘Voor vrouwen is het in de advocatuur misschien moeilijker dan in het gewone bedrijfsleven. Maar dat is ook emotioneel bepaald. Ons kantoor is erg Europees, maar de helft van onze vrouwelijke partners is Amerikaans. Amerikaanse en Franse vrouwen zijn harder, vooral in de échte top, bijvoorbeeld als het gaat om kinderen. Hebben twee au-pairs, en het totale weekend is georganiseerd en gechauffeurd. Nederlandse vrouwen willen dat gewoon niet.’

Linnemann:

‘Veel vrouwen vinden het niet nodig om op die manier carrière te maken. Gelukkig verandert de bedrijfscultuur wel zo dat vrouwen ook zonder ik weet niet hoeveel au-pairs hogerop kunnen komen.’

Van der Staay:

‘Part time werken kan bij ons bij persoonlijke omstandigheden. Een gezin, bijvoorbeeld, of ziekte in de familie. Maar niet iedereen kan het opbrengen. De vrouwen die bij ons carrière en gezin combineren zijn in staat om de dingen heel zakelijk te organiseren. Ze hebben niet die tweestrijd: ben ik nog wel een goede moeder, en doe ik het op kantoor nog wel goed genoeg? Het is heel moeilijk om het lang vol te houden als je daar last van hebt.’

Fuengshunut:

‘Arbeidsrecht is makkelijker met een gezin te combineren dan bijvoorbeeld ondernemingsrecht. Het is soms dag en nacht werken bij een transactie, en dan is niet erg prettig als je telkens naar de crèche moet rennen.’

Van der Staay:

‘Je moet werken aan een omgeving waar iemand niet afbrandt. Sommige mensen werken beter samen met parttimers dan anderen, ook binnen het ondernemingsrecht. Daar heb je fundamentalisten, maar ook mensen die makkelijker kunnen accepteren dat anderen een extra energievreter hebben.’

Linnemann:

‘Het blijft opvallend dat veel kantoren op voorhand zeggen dat ze mensen willen die ook een andere belangstelling hebben – pianospelen, toneelspelen – terwijl een heel fundamentele keuze voor iets anders naast het werk, namelijk een gezin, alleen in een soort militair regime mogelijk zou zijn. Wij zeggen: de keuze voor een gezin is een keuze die iemand maakt tot het soort mens dat wij graag zien als advocaat.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden