FBI-affaire raakt Clinton nauwelijks

HET IS altijd gênant als een president van de Verenigde Staten zich achter een laaggeplaatste medewerker verschuilt om een potentieel gevaarlijke blunder onschadelijk te maken....

De excuses van Clinton na de onthulllingen over de aanwezigheid van vertrouwelijke FBI-dossiers in de kluizen van het Witte Huis waren zwak en lokten vanzelfsprekend nieuwe vragen en mogelijk pijnlijk onderzoek uit.

Waarom, bijvoorbeeld, waren de dossiers opgevraagd van Republikeinen uit het tijdperk van Ronald Reagan? En waarom heeft het zo lang geduurd voordat bekend werd gemaakt dat de dossiers van 340 Republikeinen in het bezit waren van Clintons staf?

Er is één reden waarom Clintons verklaring ('dit is een eerlijke, bureaucratische blunder') geloofwaardig klinkt: er heerste simpelweg chaos in het Witte Huis in de jaren 1993-94. De staf was jong, enthousiast, totaal onervaren en grotendeels stuurloos.

Vrijwel alles in die eerste twee jaar ging mis. De president had de grootst mogelijke moeite een economisch plan op te stellen, de benoeming van een minister van Justitie verliep rampzalig en van politieke coördinatie en strategievorming was nauwelijks sprake.

Het Witte Huis had in 1993 en '94 het karakter van een belegerde veste. Zelfs de zoektocht naar een nieuwe staf voor de keuken van het Witte Huis verliep rommelig. Minstens zo illustratief was het onvermogen om voor de vijfhonderd nieuwe stafmedewerkers vaste toegangspassen te krijgen, omdat de FBI in de dossiers van Clintons staf pijnlijke gegevens over belastingontduiking en het gebruik van soft drugs had gevonden.

De medewerker die daarmee belast was en de relaties met de FBI onderhield, een zekere William Kennedy, bleek zelf sociale premies te hebben ontdoken. In dat rommelige klimaat was zelfs het verzoek om een eenvoudige perskaart voor het Witte Huis al een bureaucratische nachtmerrie.

De vraag is nu hoe schadelijk deze nieuwe affaire is voor de president. De geschiedenis leert dat presidenten die de FBI gebruiken voor hun manipulaties in grote moeilijkheden kunnen komen. Als uit onderzoek blijkt dat de dossiers van de 340 Republikeinen door de politieke medewerkers van de president zijn gebruikt voor 'politieke visexepedities' dan kampt Clinton met een serieus probleem, dat hij met zijn halfslachtige verklaring alleen maar heeft verergerd.

Het spitten in FBI-dossiers van politieke tegenstanders wekt niet alleen herinneringen op aan Watergate en het afluisteren van de burgerrechten- en anti-Vietnambewegingen, maar is ook een gemakkelijk, in een soundbite te vatten schandaal, waar de Republikeinen maximaal van trachten te profiteren. Clinton had immers beloofd zich niet van dergelijke praktijken te bedienen.

Zeker in het geval van de ontslagen Witte Huis-medewerker Billy Dale, het hoofd van het reisbureau, die plaats moest maken voor een neef en een nicht van de Clintons uit Arkansas, heeft de president de schijn tegen zich. Dale's dossier werd gelicht in het kader van 'Travelgate' nadat hij zeven maanden eerder al was ontslagen. Een afdoende verklaring heeft het Witte Huis nog niet gegeven voor het onderzoek naar de antecedenten van Dale, die 32 jaar op het Witte Huis werkte.

Als echter vast komt te staan dat het Witte Huis 'alleen maar' zeer slordig omging met het presidentiële recht om inzage in vertrouwelijke FBI-dossiers dan blijft de schade beperkt. Er zullen vele vragen gesteld worden en commentaren geschreven over de rotzooi op het Witte Huis, het schenden van de privacy van 340 burgers en de manier waarop met geheime dossiers wordt omgegaan, maar grote consequenties heeft dat niet. Amerika weet allang dat Clinton geen perfecte president is, maar het alternatief - senator Bob Dole - vermag evenmin enthousiasme op te wekken.

In Clintons voordeel werkt dat zijn Republikeinse critici niet bepaald brandschoon zijn. Als jonge senator en voorzitter van het Republikeinse Nationale Comité heeft presidentskandidaat Dole lange tijd de dirty tricks van Nixon verdedigd. En enkele Republikeinen, die op de lijst van 340 staan, zagen er in 1992 geen been in het paspoortdossier van Clinton na te pluizen op political dirt. In de voor iedereen, behalve een handjevol insiders onbegrijpelijke Whitewaterzaak wordt Clinton belaagd door de Newyorkse senator D'Amato, die voor de tweede keer in zijn carrière in opspraak is gekomen na schimmige financiële transacties.

Misschien nog wel de belangrijkste troef van de president is zijn vermogen dit soort schandalen te boven te komen. Van Gennifer Flowers, Paula Jones, de marihuana-sigaret tot Whitewater, iedere keer opnieuw maakt hij zijn reputatie van Come Back Kid waar. De voornaamste verklaring daarvoor is dat de meeste Amerikanen de schandalen beschouwen als een overbekend, partijpolitiek verschijnsel in Washington, waar twee partijen elkaar consequent en met alle middelen bestrijden. Er is meestal geen directe relatie tussen hun eigen wereld en het schnadaal van de maand of het jaar.

Schandalen hebben als onmiddellijk effect dat de afkeer van 'de politiek' nog verder wordt vergroot, omdat ze worden beschouwd als bewijzen dat 'Washington' zich niet bezighoudt met echte kwesties: banen, criminaliteit, familiewaarden en de toekomst van de kinderen.

In een rangorde van afkeer van de politiek scoort de president altijd beter dan zijn tegenstanders in het bijzonder impopulaire Congres. Dat is een negatieve argumentatie, maar dat zal Clinton, die met het gezag van een president en op volle kracht campagne voert, geen al te grote zorgen baren.

Oscar Garschagen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden