Farmaceutische industrie is te machtig

Sinds de jaren zeventig wordt de informatie over en de controle op medicijnen overgelaten aan de markt en is de verstrengeling tussen artsen, de universiteiten en de farmaceutische industrie enorm gegroeid....

TOEN ik halverwege de jaren zeventig begon met schrijven over geneesmiddelen zat de wereld nog een stuk eenvoudiger in elkaar. Ik was net afgestudeerd als arts. Van medicijnen wist ik niets en ik probeerde zo snel mogelijk te leren wat ik met al die patiënten aan moest die voor een receptje kwamen. Ik ontdekte dat gezondheidszorg niet zo simpel in elkaar zat als ik gedacht had en dat er niet voor elke kwaal een geneesmiddel was.

De ontdekkingen die ik deed en waarover ik zo verbaasd was, wilde ik delen en daarom schreef ik er wekelijks over in de Volkskrant. Ik was nog betrekkelijk naïef. De farmaceutische industrie was de natuurlijke partner van de arts in de strijd tegen onheil en ziekte. Zij produceerde de middelen waarmee we de strijd tegen ziekte en dood zouden gaan winnen. Goed, artsen schreven wat veel tranquillizers voor, maar als ze eenmaal begrepen dat het niet verstandig was, zouden ze wel op een andere manier gaan werken.

En wat er met het slaapmiddel softenon gebeurde, dat wanneer het aan zwangere vrouwen gegeven werd nogal eens zorgde voor aangeboren afwijkingen bij de kinderen, was natuurlijk heel vervelend, maar het was toch maar een incident. Dat mocht niet meer gebeuren. De overheid moest ervoor zorgen dat de veiligheid van medicijnen beter gewaarborgd werd.

Maar steeds meer over het onderwerp schrijvende ontdekte ik dat de wereld niet zo vriendelijk in elkaar zit en dat niet alle mensen dezelfde belangen hebben. Al snel werd ik door de farmaceutische industrie aangevallen. Brieven van hun advocaten vond ik regelmatig in mijn brievenbus. Omdat ik alleen maar opschreef wat ik in medische vakbladen las, heb ik me daarover nooit druk gemaakt.

Een hoofdredacteur van de Volkskrant, Van der Pluym, vertelde me eens dat een producent van geneesmiddelen die paginagrote advertenties in de Volkskrant plaatste erop aangedrongen had dat ik wat minder onvriendelijk over de farmaceutische industrie moest schrijven.

Vanaf de jaren zestig en zeventig hebben we echter met z'n allen een leerproces doorgemaakt en ontdekten hoe we de risico's van geneesmiddelen moesten evalueren. We leerden het belang van goede informatie aan gebruikers van medicijnen en we eisten heldere bijsluiters. We gingen ook steeds meer begrijpen van hoe prijzen van geneesmiddelen bepaald worden en gingen daarover in discussie met de farmaceutische industrie.

Na de jaren zeventig begon de overheid zich van steeds meer terreinen terug te trekken. Deregulering en marktwerking waren het devies. Door bezuinigingen beschikten medische opleidingen over steeds minder middelen en waren ze voor opleiding, nascholing en onderzoek in toenemende mate aangewezen op de farmaceutische industrie. Waar nauwelijks nog andere financiële middelen beschikbaar zijn, is het logisch dat onderzoekers ook steeds meer zijn gaan samenwerken met de farmaceutische industrie. Zij kan daarmee het onderzoek sturen in een door haar gewenste richting.

De gevolgen ervan waren te voorspellen, maar komen nu pas duidelijk aan het licht en worden door steeds meer mensen als erg zorgelijk beschouwd. Ten eerste blijkt er een groot verschil tussen de interpretaties van gesponsord en ongesponsord onderzoek. Het werk van Jan Vandenbroucke in Leiden over onderzoek naar de bijwerkingen van de derde-generatie-pil is in die zin onthullend. Maar ook op het gebied van calciumkanaal blokkerende middelen die bij verhoogde bloeddruk gebruikt worden zien we dat zelfde fenomeen.

Ongesponsord onderzoek laat keer op keer zien dat calciumblokkers zeker geen eerste keus bloeddrukverlagers zijn, maar met het gesponsorde onderzoek achter zich en dankzij massieve promotie worden ze op enorme schaal voorgeschreven. Wat betreft gebruik van interferon als behandeling tegen multiple sclerose en het gebruik van rivastigmine bij de behandeling van de ziekte van Alzheimer is ook vooringenomenheid van gesponsorde onderzoekers aangetoond.

Er zijn verschillende redenen waarom gesponsord onderzoek vaak met rooskleuriger resultaten komt. Als de farmaceutische industrie onderzoek steunt, bemoeit ze zich onder andere met het soort en de dosis geneesmiddel waarmee het prachtige nieuwe product vergeleken wordt. Dat kan een gunstig beeld opleveren. Men bemoeit zich met de selectie van de proefpersonen. Al te kwetsbare proefpersonen worden niet in de steekproef opgenomen want dat zou een negatieve kijk op mogelijke effecten van het middel kunnen geven. Zo is er continue discriminatie tegen vrouwen en ouderen, maar toevallig slikken ouderen wel veel meer medicijnen.

Ook stopt de sponsor vaak met de financiële steun halverwege een onderzoek als duidelijk wordt dat ze er niets mee kan en dat leidt ertoe dat er nooit een 'negatieve publicatie' komt. Ook de analyses komen in gevaar. Wie goed in de vooraanstaande medische vakbladen naar de kleine lettertjes onder de onderzoeksverslagen kijkt, ziet soms tot z'n verbazing dat de statistische analyse helemaal uitgevoerd is door medewerkers van de producent van het medicijn. Dat is natuurlijk onaanvaardbaar.

In het onderzoek van Farmer naar de bijwerkingen van de derde-generatie-pil werd dat nog eens goed aangetoond. Nadat de groep jonge gebruikers (die het hoogste risico op trombose hebben) uit de groep gehaald was en vervolgens bij wat overbleef de analyse gedaan werd, konden er geen nadelen van de derde-generatie-pil in vergelijking met de tweede-generatie-pil meer worden aangetoond.

De sponsor is eigenaar van het onderzoek en het is niet ongebruikelijk dat ongunstige onderzoeksresultaten nooit gepubliceerd worden. Vaak wil de sponsor ook zeggenschap in de exacte bewoordingen waarin het artikel vervat wordt. Omdat veel onderzoekers contracten getekend hebben die het hen onmogelijk maken onafhankelijk te publiceren, werkt dat door in de toon van de artikelen.

In The Lancet van 14 april van dit jaar (The tightening grip of big pharma) doet de hoofdredactie van het Britse medische vakblad verslag van ervaringen op dit gebied. Men geeft aan dat als men van auteurs weet dat ze het eigenlijk niet eens zijn met de bewoordingen, ze het met die aantekening doorsturen naar iemand om bij het artikel een redactioneel commentaar te schrijven. Dat dreigement alleen is meestal wel voldoende om de producent van het geneesmiddel eieren voor z'n geld te laten kiezen. Het is wel erg dat het zo ver moet komen.

Een en ander heeft geleid tot strakkere regels bij publiceren, maar het blijkt helaas bij lange na niet voldoende. Auteurs van artikelen in vooraanstaande medische vakbladen moeten hun banden met de farmaceutische industrie zichtbaar maken. Dat doen ze overigens vaak niet, hetgeen blijkt uit het doorkijken van een grote database voor wat betreft Amerikaanse medische onderzoekers die op een website (www.integrityinscience.org) te vinden is.

Transparantie is essentieel en die moet volledig zijn. Onlangs stond in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde een artikel over de voordelen van moderne reumamiddelen. Daaronder stond vermeld: 'De auteurs ontvingen geen directe steun voor het schrijven van dit artikel'. Of ze directe steun ontvingen interesseert me niet. Ik wil weten of hun onderzoek door de farmaceutische industrie gesponsord wordt, of ze regelmatig honoraria van de producenten van geneesmiddelen ontvangen voor praatjes die ze houden, of ze betaald worden door de farmaceutische industrie voor het zitting nemen in commissies, of ze hun reizen naar congressen laten betalen door de producenten van geneesmiddelen.

De verstrengeling van artsen en de farmaceutische industrie gaat vaak zover dat de stukken in de vakbladen niet eens door de arts geschreven worden. In de Verenigde Staten zijn inmiddels regels in voorbereiding om dat soort praktijken te voorkomen. Onder de naam van de bekende specialist wordt een artikel door de promotieafdeling van de producent van een geneesmiddel geschreven. Het lijkt misschien erg ver gaan, maar voor geld is veel mogelijk. De bedragen die de opinieleiders in de medische wereld van de farmaceutische industrie voor zulke diensten ontvangen zijn indrukwekkend. Voor het houden van praatjes, het doen van een consultancy of het zitting nemen in een comité ontvangen medisch specialisten soms tot tweehonderdduizend gulden per jaar. Het kan ook in de vorm van aandelen gegeven worden. De farmaceutische industrie noemt de artsen die zich op die manier in laten zetten zelf spottend de 'roadshow'.

Het gevolg van de betrokkenheid van zoveel deskundigen bij activiteiten van de farmaceutische industrie, is dat het moeilijk is onafhankelijke deskundigen bijeen te krijgen voor overheidscommissies. Iets meer dan de helft van het comité dat over de veiligheid van geneesmiddelen in Engeland oordeelt is op een of andere manier betrokken bij activiteiten waar de farmaceutische industrie ze voor betaalt. Het respectabele Amerikaanse vakblad The New England Journal of Medicine moest begin 2000 erkennen dat ze niet meer in staat was om altijd onafhankelijke deskundigen te krijgen om commentaren te schrijven over medische artikelen. Het was in de afgelopen jaren slechts in iets minder dan 50 procent van de gevallen gelukt.

Er moeten nieuwe garanties ontwikkeld worden om onderzoek grondig te toetsen en de overheid kan zich er niet van blijven distantiëren. Patiënten hebben recht op openheid daarover. Verontrustend is bovendien dat deze situatie door veel artsen als normaal wordt ervaren. Terwijl ze in een wetenschappelijke cultuur getrokken zijn waarin belangen van geneesmiddelenfabrikanten een zwaarwegende rol zijn gaan spelen, denken ze nog steeds dat ze te maken hebben met het summum van de objectieve medische wetenschap.

NWO meldde enkele weken geleden trots en tevreden dat ze er in geslaagd was een overeenkomst te sluiten met de Europese farmaceutische industrie zodat 'toponderzoek' in Nederland gegarandeerd was. Er zal ongetwijfeld een ethische commissie aan gekoppeld worden, maar dat is onvoldoende om de toenemende invloed van de farmaceutische industrie in te dammen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.