Extra eilanden voor de toerist

Er is een hoop geschiedenis, een hoop traditie. Om te beginnen in Puno, de grootste stad aan het meer en de 'folkloristische hoofdstad' van Peru. 'Als je niet danst, kom je niet uit Puno', zeggen de Puneños. Driehonderd dansen zijn hier bewaard gebleven: Boliviaans, pre-Spaans, zelfs pre-Inka, van Quechua- of van Aymara-voorvaderen. Maar ook op het meer, letterlijk, kan de toerist eeuwen geschiedenis aanschouwen: de traditie van het Uros-volk. Hun rieten eilandjes drijven op het water - zo leeft het volk al zeker een eeuw of acht. Een stuk of acht families wonen op zo'n eiland van pakweg 30 bij 50 meter, en die vernieuwen de rietlagen meermalen per maand. Het kerkje is van riet, het schooltje, het restaurantje.


Toeristen krijgen er een lesje Uros. De gids doet met een poppenspel voor hoe vaderpop, moederpop en babypop hier leven ('kijk, dit is de keuken'). En dan horen we dat er vroeger maar dertien van deze eilanden waren; ze hebben er in de jaren tachtig van de vorige eeuw 64 van gemaakt, omdat ze dan meer toeristen konden ontvangen. Zonder toeristen geen eilanden.


Een mooie cultuur wás het, ooit begonnen door de oorspronkelijke Uros (de laatste 'echte' Uro is in 1959 overleden) die zich op het water beter beschermd voelden tegen de belagers uit de Andes. Nu loop ik langs souvenirstalletjes, waar natuurlijk rieten bootjes en huisjes klaarliggen. Navraag, dit keer bij Fernando, een van de vaders van Tata Inti. 'Het gaat goed hier. Er komen veel toeristen. Twee van de kinderen kunnen nu op het vasteland een toerismeopleiding volgen, die hebben een mooie toekomst.'


Daar sta je dan met je rugzakje en fles water. Wie is een toerist om te zeggen dat het allemaal zo toeristisch is? Alsof we met z'n allen in een groot toneelstuk zitten.


Maar op Taquile, zo is me verteld, houden ze niet zo van toneelstukjes. Taquile, een langgerekt eiland op een kleine twee uur varen van Puno, is zelfvoorzienend. Dit houdt onder meer in dat de mannen je hier breiend voorbij lopen. Dát is wat in het hoogseizoen zo'n vijftig volle boten per dag lokt: de textieltraditie. Voordat een vrouw trouwt, wil ze weten of de man goed kan breien. Hij maakt zijn eigen chullo, de muts die aangeeft of hij single en beschikbaar is (rood/wit) of getrouwd (rood). Hij breit ook ch'uspas, tasjes die eigenlijk zijn bedoeld om de cocabladeren in te dragen.


Ik koop er een in het Centro Artesanal Communitario voor 30 soles (7,50 euro). Volkomen gerustgesteld, want het blijkt dat hier alles heel egalitair is geregeld. Ik weet niet van welke van de 415 families mijn ch'uspa komt. Dus heeft iemand die hier afgelegen woont evenveel kans iets te verkopen dan iemand die naast de kerk woont. Wat willen we nog meer. De toerist ontregelt niets.


Bijna niets. Ons restaurant heet Flor de Cantuta, bovenaan de 500 traptreden. Niks aan de hand, buffet met ceviche en lomo saltado - en daarna dan toch de demonstratie. Die lag natuurlijk tóch op de loer. Op de binnenplaats hebben zich twee vrouwen geïnstalleerd die laten zien hoe zij een faja weven, een band die zij om hun middel dragen.


Na het eten verschijnen een vrouw en drie mannen in klederdracht. Ze dansen, fluiten en trommelen de sicuri voor ons, folklore uit Bolivia. Andrea zal straks de bezoekers vragen mee te doen - je voelt het aankomen. Ze vraagt me ten dans, en ik kan geen nee zeggen. Camera's klikken, de groep joelt.


Ik dans voor Andrea, maar Andrea danst voor Pachamama. De hele regio danst voor Pachamama. Noem het folklore, noem het traditie, noem het puur geloof. En heel Puno, met 200 duizend zielen, danst vooral voor de Virgen de la Candelaria, de beschermheilige van de stad. Hele wijken dansen, hele straten maken kostuums. Hele salarissen gaan eraan op.


De dans voor de Heilige Maagd, die met haar wonderen de stad meermalen heeft behoed voor invasies en ander onheil, doet vergeten dat Puno zelf er elke dag uitziet of morgen de bouwvakkers écht aan de slag gaan. Ze laat Puno stralen, met name tijdens dat ene festival waar het in de stad allemaal om draait: La Fiesta de la Virgen de la Candelaria.


Het is een van de grootste festivals van Latijns-Amerika. Meer dan 50 duizend dansers en muzikanten treden op in het stadion en daarna in de stad. Urenlang. Peuters waggelen achter hun vader aan, tubaspelers toeteren op hun bierflesjes. Groep nummer 29, Confraternidad Morenada Santa Rosa, doet de morenada, een slepende slavendans: mannen dragen maskers met dikke lippen en stampen met hun voeten alsof ze de druiven moeten pletten.


Achter een enorm masker schuilt Juan Carlos Supo (39), leraar communicatie en danser bij Morenada Azoguini. 'Ik dans voor de Maagd. Ze heeft een paar jaar geleden een wonder voor mijn familie verricht: mijn schoonmoeder had iets aan haar knie, en ze is genezen. Daarvoor wil ik de Maagd bedanken.'


Ik kijk vandaag slechts toe. En ik denk dat de Maagd en Moeder Aarde hem wél hebben gehoord.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden