EXODUS naar een eigen joodse staat

In de zomer-maanden van 1947, vijftig jaar geleden, probeerde een schip met illegale joodse immigranten de machtige Britse marine te trotseren....

'MOCHTEN WE schieten op de Engelsen? Zij hadden ons bevrijd, maar mocht je ze dan nu, twee jaar na de oorlog, als vijand doden? Daar hadden we aan boord heel lange discussies over', zegt Marthie Dothan-Van Collem, de enige Nederlandse die in de zomer van 1947 als meisje van achttien met de Exodus naar Palestina probeerde te komen om daar een nieuw leven te beginnen. De Exodus was een aftands schip, een Amerikaanse rivierstomer, gebouwd voor 400 passagiers; nu volgestopt met 4515 illegale immigranten, overlevenden van de concentratiekampen, vluchtelingen en (bijna duizend) kinderen wier ouders in de kampen waren omgekomen. Aan boord werden vijf kinderen geboren. De vluchtelingen wilden weg uit Europa, waar de jodenhaat opnieuw de kop opstak. 'Ik kon er niet meer blijven', zegt de nu 67-jarige Marthie Dothan die zes dagen ouder was dan haar achternichtje Anne Frank.

Maar de Britten, die in 1917 na de val van het Turkse Rijk het mandaat over Palestina hadden gekregen en in de Balfour Declaration de joden een eigen tehuis hadden beloofd, wensten geen uittocht naar het Beloofde Land. Zij moesten ook de Arabieren met hun de olie te vriend houden. Ernest Bevin, de socialistische Britse minister van Buitenlandse Zaken zei: 'De joden hebben al duizenden jaren gewacht, daar kunnen best nog een paar jaar bij.'

In 1939 hadden de Britten, vanwege de onrust onder de zich bedreigd voelende Palestijnse Arabieren, aangekondigd de immigratie van joden te beperken tot 1500 personen per maand en na vijf jaar geheel stop te zetten. Tijdens de oorlog zijn ruim duizend joden op hun illegale tocht naar Palestina om het leven gekomen. Schepen kapseisden en ontploften.

Na de oorlog lukte het de overvolle vluchtelingenschepen en scheepjes zelden de Britse blokkade te breken. De vluchtelingen werden op het (eveneens Britse) eiland Cyprus geïnterneerd; 60 duizend in totaal. 'Ik dacht ook dat we daar wel terecht zouden komen', zegt de nog altijd politiek actieve Marthie Dothan. 'Als de Britten dat hadden gedaan, was er waarschijnlijk nooit zoveel aandacht aan ons besteed.'

Maar minister Bevin, geërgerd door de groeiende reeks van joodse terreurdaden in Palestina en het succes van 'een gek' die gedreigd had een schip met duizend immigranten op te blazen als zij niet werden toegelaten, besloot tot hard optreden. Hij stuurde als harde les de opvarenden van de Exodus na een erbarmelijke uitputtingstocht van twee hete zomermaanden op de Middellandse Zee naar (de Britse zone in) Duitsland.

'Terug naar het gehate Duitsland. Kun je nagaan wat dat voor ons betekende. Daar, in Hamburg, op 8 september, braken de emoties pas echt los. We werden van boord geknuppeld', vertelt Marthie Dothan. Langs de weg stonden joelende mensen. Zij vonden het prachtig.

Marthie werd geïnterneerd in een kamp bij Emden, maar de ironie van het lot wilde dat de joodse verzetsbeweging haar in een begrafenisauto smokkelde naar Bergen Belsen, waar zij met haar ouders en zusje had gezeten. Haar vader was er gestorven. Zij werd geplaatst in een barak van de Duitse bewakers. Het concentratiekamp was met de grond gelijk gemaakt. In Bergen Belsen zaten vluchtelingen met kans op een officieel uitreisvisum naar Palestina. Met valse papieren bereikte Marthie op 24 februari 1948 Palestina.

'De Britten hebben het zo ongelooflijk stom gespeeld', zegt Rena Fuks, de Amsterdamse oud-hoogleraar geschiedenis en cultuur van het moderne jodendom. 'De wereldopinie keerde zich tegen hen. Zij verloren de propagandaoorlog. En daar waren de joden heel gewiekst in. Dat waren onze wapens.'

Zo stemden mede dankzij de Exodus op 29 november 1947 de Verenigde Naties met kleine meerderheid voor de tweedeling van Palestina. De joden kregen hun eigen staat, de staat Israël die op 14 mei 1948 de onafhankelijkheid kreeg, maar door de Arabieren niet werd erkend.

'De Britten', zegt Rena Fuks, 'zaten in een onmogelijke situatie. Ze moesten de belangen van de Palestijnse Arabieren beschermen. En niemand in Europa, ook Amerika niet, wilde de joden hebben. Dus was Palestina de enige mogelijkheid.'

'De joodse vluchtelingen waren de molensteen om de nek van de geallieerden', schrijft Bernard Wasserstein in Vanishing Diaspora (Penguin Books, 1997). 'In de ogen van hun bevrijders veranderden zij in twee maanden van meelijwekkend slachtoffer in lastige pressiegroep'.

Een speciaal afgevaardigde die door president Truman naar Duitsland was gestuurd, schreef al in augustus 1945: 'Wij behandelen de joden, althans zo lijkt het, net zoals de nazi's dat deden. Met dit verschil dat wij ze niet uitroeien. Men moet zich afvragen of de Duitsers die dit zien niet geloven dat wij het beleid van de nazi's zo niet volgen dan wel gedogen.'

De geschokte legerleiding besloot ogenblikkelijk de vaak onnozele soldaten voor te bereiden op de eerste ontmoeting met de joodse vluchtelingen, 'mensen die als beesten waren behandeld en ook als zodanig reageren.' Generaal Patton schreef in zijn dagboek: 'De Displaced Person (zoals de vluchtelingen genoemd werden) is geen mens en dat geldt met name voor de joden die minder zijn dieren.'

De Britten wensten de joden geen voorkeursbehandeling te geven, omdat het antisemitisme in de hand zou werken. De joden vormden in het najaar van '45 slechts een kleine minderheid onder de bijna twee miljoen vluchtelingen. De meeste joden waren omgekomen. Maar al heel snel nam het aantal joodse vluchtelingen uit Oost-Europa schrikbarend toe. In '47 was het aantal joodse vluchtelingen van 53.000 gestegen tot een kwart miljoen. In Polen werden in de eerste twee jaren na de oorlog 1500 joden bij pogroms en 'spontaan volksoproer' gedood.

De vluchtelingenkampen waren overvol, de spanning was vaak te snijden, er vielen doden. Desalniettemin citeert Wasserstein met instemming een waarnemer die zowel de militairen als de joodse adviseur prijst voor hun tactvol optreden bij de explosieve incidenten.

Tot ergernis van de Britten stelde Truman voor om 100 duizend vluchtelingen naar Palestina te laten gaan. Bevin zei dat de Amerikanen mooi praten hadden. Ze wilden de joden niet in New York hebben.

Onder druk van de sterke joodse lobby ijverde Truman voor het opnemen van joodse vluchtelingen in Amerika, maar hij ondervond grote weerstand in het Congres. Van '46 tot '48 werden slechts 13.000 joodse vluchtelingen toegelaten. Engeland waar, al een week na de Duitse capitulatie, een Lagerhuislid aan de verontwaardigde Churchill vroeg de joodse vluchtelingen uit de jaren dertig terug naar hun land te sturen, nam 3000 joodse vluchtelingen op, minder nog dan Nederland.

Geen wonder dat de meeste joodse vluchtelingen naar Palestina wilden. De Britten waarschuwden Europese regeringen dat samenwerking met de joodse organisaties zeer ernstige gevolgen voor hun relatie met het Brits Imperium kon hebben. De Fransen, Russen en Amerikanen vonden het heerlijk om de arrogante Britten te pesten. Vanuit Parijs werd de illegale immigratie, de Alya Bet, openlijk geregeld. Joden werden vanuit heel Europa met valse papieren naar havenplaatsen aan de Middellandse Zee gesmokkeld. Daar was de Britse geheime dienst actief. Zij schrok er niet voor terug om boten onklaar te maken en de bemanning te bedreigen. Toch hebben 65 boten met 115.000 vluchtelingen hun kans gewaagd.

Ook de voorbereidingen met de Exodus in de haven van Baltimore was de Britten niet ontgaan. Het schip verdween op het moment dat het onder Britse druk aan de ketting zou worden gelegd. Op 9 juli 1947 verscheen het schip, toen nog de 'President Warfield' genaamd in de haven van Sète, honderd kilometer ten westen van Marseille. 'Ik was in juni naar Marseille gereisd en daar moesten wij wachten. Op een nacht werden wij in vrachtwagens geladen en in het geheim naar het schip gebracht', vertelt Marthie Dothan. De Fransen lieten het schip vertrekken en zodra het in internationale wateren kwam werd het door Britse oorlogsschepen geschaduwd. 'Het was ongelooflijk spannend. Wij zaten aan de radio gekluisterd en waren bang dat de Britten het schip zouden opblazen. Een zeemijn is snel gelegd', zegt Rena Fuks. 'Nee, wij waren niet bang, we waren kwaad', zegt Marthie Dothan. Het schip werd bij het naderen van de Palestijnse kust geramd en tussen twee oorlogsschepen geklemd.

In de vroege ochtend van 18 juli bestormden de Britten de Exodus. Er werd hard gevochten. Er vielen drie doden en 140 gewonden. Het schip werd naar Haifa gesleept en de vluchtelingen werden overgebracht naar drie getraliede 'gevangenisschepen' die hen terugbrachten naar Zuid-Frankrijk. De jonge minister François Mitterrand weigerde de opvarenden van boord te halen. Hij prees de joden die evenals de Fransen in de oorlog met illegale middelen hun doel wilden bereiken. De Britten waren razend. Slechts 130 opvarenden verlieten het schip. Anderen dreigden met hongerstaking en zelfmoord. Negentien dagen lag 'het drijvend Auschwitz', zoals de Franse kranten schreven, voor de vakantievierende kust. Toen werd het Bevin te bar. Hij stuurde de schepen naar Duitsland.

Acht maanden later verlieten de Britten Palestina.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden