Evolutie als een reproduceerbaar experiment

Simon Conway Morris, paleontoloog aan het St. Johns College in Cambridge, is een beroemd man. Zijn naam prijkt in talloze handboeken over de evolutie, vooral wanneer daar de fameuze Burgess Shale ter sprake komt....

Die sedimentaire afzetting in Canada, ontdekt in 1909, lijkt als geen andere zichtbaar te maken hoe evolutie werkt. De miljoenen jaren oude fossielen in het gesteente hebben de meest bizarre verschijningsvormen. Ze lijken samengesteld uit willekeurige combinaties van allerhande beschikbare poten, lijven, staarten, koppen, kaken en vinnen. Moeder Natuur, lijkt de onvermijdelijke conclusie, heeft gewoon alles tegelijk toegestaan en vervolgens aan het toeval overgelaten wat er overleefde en wat niet.

In 1989 schreef de bij leven al legendarische Amerikaanse evolutiebioloog wijlen Stephen Jay Gould er een boek over: Wonderful Life, waarin hij erin ramde dat evolutie een blind toevalsproces is. Een zee van potentiële organismen, waar toevallige omstandigheden de meest geschikte soorten selecteerden.

Als, zo schreef Gould, de evolutie nog eens kon worden overgedaan, zou het leven op aarde er gegarandeerd onherkenbaar anders uitzien. De kans dat opnieuw de mens zou ontstaan, noemde hij ronduit nul. We zijn een freak accident. Als er 65 miljoen jaar geleden geen komeet op aarde was gestort die de dinosauriërs uitroeide, hadden de zoogdieren het wel kunnen schudden.

Pure kul, schrijft Conway Morris in zijn nieuwe boek Life's Solution. 'Het ontstaan van zoiets als de mens is onvermijdelijk en voorspelbaar', noteert hij stellig. Dat hij voor die stelling honderden dichtbedrukte en bij vlagen behoorlijk technische pagina's nodig heeft, is geen toeval. Zijn opvatting dat evolutie misschien niet direct een doel heeft, maar wél een voorspelbare richting, is voor een doorsnee bioloog ronduit vloeken in de kerk. Zo'n tegendraadse stelling moet je stevig dichttimmeren.

Het draait bij Conway Morris allemaal om een eenvoudige observatie: gedurende de evolutie van het leven op aarde zijn veel kenmerken van organismen niet één keer uitgevonden, maar talloze malen. Inktvissen ontwikkelden net zulke ogen als zoogdieren. Dolfijnen hebben een ander brein dat functioneel veel op dat van ons lijkt. En mieren hebben net als de mens een behoorlijk geavanceerde vorm van landbouw ontwikkeld.

Volgens Conway Morris kan dat maar één ding betekenen: het leven heeft een voorkeur voor bepaalde oplossingen. In de zee van potentiële organismen liggen eilanden van waarschijnlijkheid. Dat de meeste biologen die niet zien liggen, noemt hij ronduit onbegrijpelijk. 'Biologen blijven zulke convergenties maar verbazingwekkend noemen. Terwijl ze de crux van de evolutie zijn. Convergentie is normaal.'

Dat Goulds opvatting over de onherhaalbaarheid van de evolutie niet deugt, blijkt volgens Morris alleen al uit de alomaanwezigheid van convergentie. De evolutie is geregeld opnieuw begonnen. En telkens met min of meer vergelijkbareresultaten. Conway Morris stapelt voorbeeld op voorbeeld.

Toch zal Life's Solution de conventioneler bioloog waarschijnlijk niet overtuigen. Wat Conway Morris namelijk niet biedt, is een verklaring waarom het leven op aarde steeds weer op dezelfde oplossingen komt. Hij beweert met kracht dat de geologische geschiedenis van de aarde daarin een ondergeschikte rol speelt, maar bewijzen ho maar.

Evenmin dat die oplossingen op de een of andere manier vooral ingebakken zitten in het wonderbaarlijkste molecuul in het heelal, het DNA. Zijn stelling dat leven elders in het heelal, als het er is, op dat van de aarde lijkt, inclusief intelligentie, spreekt tot de verbeelding, maar blijft zonder goed argument.

Het boek lijkt daarmee vooral koren op de molen van de tegenstanders van de evolutietheorie, die in de radikaalste variant gewoon in een Schepping geloven of anders op zijn minst in God als ontwerper. Zie je wel, zullen ze concluderen, er is dus toch een ingebakken doel.

Conway Morris distantieert zich vrijwel vanaf de eerste pagina van dat christelijk fundamentalistische gedachtegoed, dat hij onproductief acht. Dat de wetenschap nog niet alles begrijpt, kan nooit een reden zijn om God aan te roepen.

Des te opmerkelijker is het voorlaatste hoofdstuk van zijn boek, waarin Conway Morris het opeens toch nadrukkelijk opneemt voor de religieuze medemens, die volgens hem door wetenschappelijke hardliners worden gemarginaliseerd.

De aanvallen van strikte darwinisten als Richard Dawkins noemt hij immoreel, Goulds visie nihilistisch. In hun werk, vindt hij, is geen enkele ruimte voor verwondering en respect voor de biosfeer waarvan we deel uitmaken. Het is kille ideologie, vermomd als biologie.

Dat dit ook voor zijn eigen opvattingen geldt, lijkt hem te ontgaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden