Even flink trappen op het pleintje

De hangplek: je kunt er altijd terecht,het kost niets, ouders en leraren komen er niet. De Volkskrant gaat op zoek naar de favoriete stek van Nederlandse jongeren....

Marjan van den Berg

Een schoolpleintje in een wijk in Oss, Brabant. Zeven uur in de avond, ongeveer een jaar geleden. Ömer loopt langs. Hij komt van zijn neef en is op weg naar huis. Op het pleintje voetballen jongens. Doe je mee, vraagt een van die jongens, Ismaël. Ömer, spits in het D3-team van een Osse voetbalclub, zegt ja. Later komen de grote jongens, die van 15, 16 jaar. Ze wijzen naar Ömer. Wie is dat, vragen ze. Een nieuwe vriend, antwoordt Ismaël. ‘Op dit plein’, zegt Ömer nu, ‘heb ik echte vrienden gemaakt.’

Thuiskomen, schooltas wegleggen, wat eten, naar het pleintje. Iedere dag. Sinds Ömer in deze wijk woont, althans. Hij zit op het klimrek van het plein. Zijn broertje en zijn neefje hangen in de touwen, lopen de glijbaan op. Later komen ze af en toe naast hem staan om zonder met hun ogen te knipperen te luisteren naar wat hun broer en neef te zeggen heeft. ‘De kleintjes’ noemt Ömer ze. Ze zijn er meestal ’s middags. ‘De groten’ komen pas ’s avonds.

Ömers eigen kamer thuis is vooral om te studeren. ‘De tv en de computer staan beneden. Ik heb een bureau, een kast en een bed.’ De binnenstad is er om, soms, na de laatste les met meiden uit de klas rond te slenteren, als het even kan langs de Dixons om naar mobieltjes of cd’s te kijken. Het winkelcentrum verderop in de wijk is er om af en toe met de oudere jongens bij de Aldi of de Super de Boer Pringles of Doritos te kopen en frisdrank of energiedrankjes.

Het pleintje is er voor al het andere. Het eerste jaar, zegt Ömer, wilde hij wel anderen op het pleintje leren kennen, maar ‘lukte het niet meteen’. Dat realiseerde hij zich toen hij op het platte dak van de school stond. Hij wist hoe ze daar op moesten komen, hij en nog twee andere jongens. Ze hadden het vaker gezien. ‘Een zetje is alles wat je nodig hebt.’ Als de politie zou komen, zouden ze zeggen dat de voetbal op het dak was terechtgekomen. De politie kwam – maar de voetbal lag niet op het dak.

‘Ik wilde een beetje stoer doen, populair doen. Je weet toch hoe dat gaat.’ Ömer en de twee anderen werden meegenomen, in een politieauto, naar ‘een soort jeugdgevangenis’, zegt Ömer, waar hij ‘een uurtje in een witte kamer’ werd gezet. Hij kreeg een preek, de waarschuwing dat het de volgende keer een fikse boete zou worden en een lift terug. Naar het pleintje. Daar stond hij dan. Hij is naar huis gegaan. Zijn ouders wisten van niets. Na een paar weken heeft hij het ze verteld, benauwd voor huisarrest of een sanctie op het zakgeld en bezwaard omdat hij zijn mond had gehouden. Niet lang daarna, toen hij bij het pleintje arriveerde, hij agenten zag rennen, jagend op jongens die hij kende en die ruiten hadden ingegooid, wist hij: dit wordt niks met die jongens. ‘Ik ben gestopt met kloten.’ Zijn broertje is stilletjes achter hem op het rek geklommen.

Op vrijdagen, de dagen voor de voetbalwedstrijden, is het pleintje Ömers trainingsbaan: ‘Rondjes rennen voor conditie, heen en weer rennen om fit te blijven.’ Als hij het plein nog beter zou mogen maken, zou hij de boom en het standbeeld op een hoge sokkel weghalen en er goals voor in de plaats zetten.

De andere dagen is het pleintje er om te voetballen, te voetballen en kennis uit te wisselen: muziek (‘Ik heb laatst nog via Bluetooth nieuwe hardcore gekregen’), humor (‘Jantje komt te laat op school. Vraagt de juf, Jantje waarom ben je zo laat. Jantje zegt, ik droomde van voetbal. Zolang, vraagt de juf. Zegt Jantje: het was verlenging.’) en liefde (‘Ik had het uitgemaakt met mijn vriendin. Ik weet ook niet waarom. Toen zeiden m’n vrienden dat ik gewoon door moest gaan met mijn leven’).

Op het pleintje kan Ömer tenminste ‘tot rust komen’, zegt hij. Zoals laatst nog, toen hij van zijn ouders niet naar een feest voor 14-plussers mocht. Hij was kwaad. Jas aan, bal onder de arm, naar het pleintje, en eens even flink trappen. Of als hij een spannend proefwerk heeft gehad. Ömer zit in 2 havo van het Hooghuis Lyceum. ‘Mijn oom heeft er ook op school gezeten en die heeft nu een goede baan en een auto van de zaak. Dat wil ik ook.’

Op het klimrek schieten hem vaak alsnog de antwoorden te binnen die hij tijdens het proefwerk vergeten leek. Dan baalt-ie. In zijn eentje. Tot zijn vrienden komen. ‘Maar ik zit hier soms ook alleen. Als het schooltje dicht is en het is windstil en je hoort de vogels. En dan kijk ik omhoog. Dat is mooi hoor.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden