Column

Eva Hoeke stond vroeg op: 'Laat die luie donders maar liggen, wij ochtendmensen zorgen wel dat de wereld doordraait'

Foto Robin de Puy

Ik moest vroeg op. Vroeg is een betrekkelijk begrip. Als freelancer met lekker luie kindertjes gaan de luiken hier 's ochtends pas rond 8 uur open, vaak zelfs nog later, in elk geval op een tijdstip dat de rest van de wereld al lang en breed op weg is naar zijn werk. Wanneer we dan eenmaal aangekleed en wel beneden komen en ik met een half oog de gordijnen opentrek, meen ik daarom altijd de afkeurende blikken te voelen van voorbijgangers die 's ochtends wél allemaal vroeg op moesten en derhalve in mij een lor van een moeder en in de Man een ongewassen kraker zien. Of, nog erger, in ons beiden een met een gouden paplepel geboren rijkeluisstel dat überháúpt niet hoeft te werken. Het liefst loop ik dan direct naar buiten om uit te leggen dat we freelancers zijn en dus ook nog zitten te werken als zij 's avonds al lang en breed met de benen omhoog in een zak chips graaien, en dat wij dat doen zonder pensioen en vakantiedagen of zelfs maar het minste beetje zekerheid, jahaa, dat wisten jullie niet hè, met je rijkeluisgefluister. Maar dat doe ik natuurlijk niet. Ik ben niet gek.

Enfin, ik moest dus vroeg op.

Op een zondag ook nog eens, om kwart over 6 maar liefst, dat is zelfs vroeg voor normale mensen. Nog voor de wekker ging, werd ik wakker, want mijn gezagstrouwe inborst verdraagt de spanning niet die vroeg opstaan met zich meebrengt. Ik sloop uit bed, douchte een minuut, kleedde me aan, smeerde brood, zocht en vond mijn wanten en ging naar buiten.

Het was koud.

Op de takken stond rijp, in de schuur mijn fiets.

Wolkjes lucht uitademend reed ik langs de stille huizen van het Dorp, de wielen ruisend over de klinkers, een tikkende wimpel het enige geluid. In slechts een paar huizen brandde licht. Alleen kinderen waren wakker op dit tijdstip, kinderen en ouderen. De kleintjes zaten in pyjama voor de televisie, de senioren aan tafel achter een boterham, de meesten alleen. Voor het eerst in mijn leven viel me het suizen van een elektriciteitshokje op.

Nog best hard ook.

In de verte kwam een lichtje aan. Toen het dichterbij kwam, richtte de gebogen figuur op de fiets zich op en groette me onder zijn muts door, waarna hij weer verder ploegde. Ik groette terug, stil en veelzeggend tegelijkertijd, zoals motorrijders hun rechterlaars laten zakken wanneer ze andere motorrijders zien, mensen die net als zij weer en wind trotseren waar anderen lafjes in hun auto kruipen, kameraden dus, in stilte verbonden, en dat waren wij ook daar op die donkere dorpsweg, die fietser en ik, Kameraden van het Ochtendgloren, een geheim gezelschap van mensen die vroeg opstaan, vaak heel leuke mensen.

In de trein herhaalde zich dit proces. Knikjes van begrip, nee, respéct in de coupé. Laat die luie donders maar liggen, zeiden we in gedachten tegen elkaar, wij zorgen wel dat de wereld doordraait. Terwijl ik een boterham met kaas at, las de oude baas met de pet en de linnen tas tegenover me een artikel in Trouw met de kop: 'Een groot denker, maar wereldvreemd'. Nou, zo zag ik mezelf inmiddels ook, en die stemming hield ik erin, tijdens mijn afspraak en ook daarna, terug in het Dorp, waar ik iedereen vertelde over de zegeningen van vroeg opstaan, ook mijn luie gezin, tot diep in de middag voelde ik me ver boven ze verheven, wat zeg ik, tot aan de avond zelfs. Om precies te zijn tot half 9, toen viel ik van totale uitputting op de bank in slaap.

eva.hoeke@volkskrant.nl