Europa zoekt nieuwe remedie voor oude kwaal

Duitsland zal een actievere rol moeten gaan spelen in het Europese veiligheidsbeleid, aldus Ronald Havenaar. Nederland kan de Duitse regering helpen haar nieuwe opdracht te aanvaarden....

RONALD HAVENAAR

DE structuur van de Europese veiligheid lijkt op een vlooienmarkt, waar veelheid en kleurigheid de gebrekkige kwaliteit van het aanbod moeten maskeren.

De ruim twintig jaar oude Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) is kortgeleden omgedoopt in Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking (OVSE). Dit parmantige gebaar doet echter niets toe of af aan het feit dat een instelling waarin iedereen van Vancouver tot Wladiwostok met elkaar verbonden heet te zijn, veroordeeld is tot gebrek aan samenhang en daadkracht.

De NAVO, die de taak heeft het territorium van de lidstaten te verdedigen, is een organisatie op zoek naar een doelstelling nu het bondgenootschappelijk grondgebied niet meer door een externe vijand wordt bedreigd.

De onlangs opgerichte Noordatlantische Samenwerkingsraad, waarin alle voormalige leden van het Warschaupact zijn vertegenwoordigd, dreigt evenals het Partnerschap voor Vrede een project te worden dat door zijn brede en vage doelstelling hetzelfde lot beschoren is als de OVSE. Dit kan ook gezegd worden van het Stabiliteitspact dat de Franse regering onlangs heeft voorgesteld.

De Westeuropese Unie (WEU), in het ruim drie jaar geleden ondertekende Verdrag van Maastricht voorbestemd om het instrument te worden van een gemeenschappelijke Europese veiligheidspolitiek, is nog steeds de in zowel politiek als militair opzicht vleugellamme organisatie die zij altijd is geweest. Het in 1992 opgerichte Eurokorps heeft als symbool van de voortgaande verzoening tussen Frankrijk en Duitsland een belangrijke politieke betekenis, maar is militair van beperkt belang en bovendien ondergeschikt aan de radeloze NAVO.

Ten slotte lijkt de eind 1994 door Frankrijk en Groot-Brittannië opgerichte European Air Group vooral voor de regering in Parijs de functie te hebben om binnen de Europese Unie een tegenwicht te bieden tegen de snel groeiende politieke invloed van Duitsland. In deze Franse opzet is veiligheidspolitiek niet een middel om een gemeenschappelijke Europese doelstelling te bereiken, maar een instrument om de onderlinge krachtsverhoudingen te beïnvloeden.

Tijdens de Koude Oorlog werden de politieke ontwikkelingen in Europa bepaald door een blokvorming die, behalve de nadelen van nucleaire spanning en repressie in Oost-Europa, ook het onmiskenbare voordeel van een grote stabiliteit met zich mee bracht.

Betekent de huidige verwarring in de Europese veiligheidsstructuur dat we zijn teruggekeerd naar de chaos van het interbellum? Het gaat te ver om deze vraag voluit bevestigend te beantwoorden, maar er is een aantal frappante overeenkomsten tussen de huidige toestand en de Europese verhoudingen van na de Eerste Wereldoorlog.

De onrust die het toen door de Amerikaanse president Wilson opgelegde beginsel van de nationale zelfbeschikking aanrichtte, is teruggekeerd in een nieuwe maar niet minder onheilspellende gedaante. Rusland verkeert net als in de jaren '20 in de ban van een binnenlandse turbulentie die voor de buitenlandse politiek onvoorspelbare gevolgen heeft.

De Verenigde Staten hebben wederom de neiging zich naar binnen te keren en de afkeer in de Amerikaanse samenleving van een politiek-strategische verbintenis met Europa groeit. En - vierde overeenkomst - de mankementen van de huidige veiligheidsstructuur doen denken aan de handicaps van de Volkenbond, die te kampen had met het onvermogen van de lidstaten om het eens te worden over een gezamenlijke doelstelling waarvoor zij bereid waren militaire risico's te lopen.

Dit gebrek had fatale gevolgen toen de Volkenbond in 1936 machteloos reageerde op Hitlers bezetting van het Rijnland. Met deze passieve reactie was de laatste kans verkeken om de opmars van nazi-Duitsland, toen nog een militair zwakke mogendheid, in de kiem te smoren. De herinnering aan deze kwestie, die voortvloeide uit een territoriaal geschil dat sinds de Eerste Wereldoorlog de betrekkingen tussen Frankrijk en Duitsland had bepaald, maakt echter ook duidelijk wat naast alle genoemde overeenkomsten het grootste verschil is tussen de jaren '20 en '90: de verhoudingen tussen deze twee belangrijkste Europese naties zijn niet langer belast door grensgeschillen.

Sterker nog, de regeringen in Bonn en Parijs zijn in de loop van de afgelopen veertig jaar een politiek koppel geworden dat leiding geeft aan de Westeuropese samenwerking. Het kan niet genoeg worden beklemtoond dat deze ontwikkeling in het licht van de Europese geschiedenis een enorme vooruitgang markeert en het gevaar heeft weggenomen van een militair conflict in ons deel van Europa. Deze geruststellende conclusie betekent echter geenszins dat we tevreden achterover kunnen leunen.

Het voortbestaan van de NAVO wordt vaak gerechtvaardigd met een verwijzing naar een eventuele wederopstanding van het Russische imperialisme. Hoewel het nucleaire arsenaal van Rusland in tijden van crisis een geducht chantagewapen zou kunnen worden, lijkt de kans op militair avonturisme in westelijke richting voorlopig niet al te groot.

Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de oprichting van de onafhankelijke naties Oekraïne en Wit-Rusland, die ten westen van Rusland liggen, zijn de strategische verhoudingen in Oost-Europa drastisch veranderd. Het bestaan van deze bufferstaten heeft de mogelijkheid van een tegen Centraal-Europa gerichte Russische dreiging sterk verkleind. Verder heeft het conflict in Tsjetsjenië laten zien dat de Russische strijdkrachten allerminst een indrukwekkende vechtmachine zijn, die bovendien voorlopig in beslag wordt genomen door de talrijke conflicten in de Transkaukasus.

EEN veel reëler gevaar voor de Europese stabiliteit is het al vaker genoemde maar nog altijd onderschatte probleem van de labiele verhoudingen in verschillende delen van Midden-Europa. Er dreigen vanuit deze regio gevaren die door hun sluimerende en diffuse karakter moeilijk zijn te identificeren en nog moeilijker te bezweren. Minder acuut worden ze daardoor echter niet.

De waarschuwing die de Tsjechische (toen nog Tsjechoslowaakse) president Havel al in het voorjaar van 1991 liet horen, dat Midden-Europa een zone van wanhoop en chaos kan worden, heeft allerminst aan actualiteit ingeboet. De sinds het einde van de Koude Oorlog teruggekeerde herinneringen aan een eeuwenoude geschiedenis en aan voormalige staatsgrenzen bevatten de springstof die op een onverwacht moment tot ontlading kan komen.

De Poolse minister van Defensie Onyszkiewicz heeft onlangs nog beklemtoond dat de regering in Warschau vooral aansluiting bij de NAVO zoekt om de wankele interne stabiliteit te stutten. Hoewel Polen vergeleken met de meeste andere Middeneuropese landen etnisch vrijwel homogeen is, kent ook dit land problemen over minderheden en grenzen met de buurstaten Litouwen, Wit-Rusland en Oekraïne.

Hongarije worstelt nog altijd met de herinnering aan de Vrede van Trianon (1920), toen het tweederde van zijn grondgebied verloor. Nog altijd leven daardoor drie miljoen Hongaren buiten de landsgrenzen. De betrekkingen met Roemenië staan onder spanning in verband met het lot van de Hongaren in Transsylvanië, met Servië zijn er moeilijkheden over de levensomstandigheden van de Hongaarse minderheid in Vojvodina en de positie van de Hongaren in Slowakije is aanleiding voor problemen met de regering in Bratislava.

De Middeneuropese naties hebben, sinds ze kort na de Eerste Wereldoorlog hun huidige grenzen kregen, achtereenvolgens bloot gestaan aan politieke instabiliteit, oorlog en communistische repressie. Het cultiveren van de nationale identiteit was in deze regio, anders dan in West-Europa, een overlevingsmiddel, een methode om onafhankelijkheid te winnen en te behouden.

Na bijna een halve eeuw communistische onderdrukking kan de sluimerende behoefte aan een nationalistische inhaalmanoeuvre gemakkelijk worden geactiveerd door demagogen en populisten die gebruik maken van de groeiende ontevredenheid over de economische malaise. Weliswaar neemt, na een terugval van vijf jaar, de produktie in deze naties sinds een jaar weer toe, maar deze omslag levert nog lang geen voordelen op voor het gros van de bevolking, dat met ergernis is vervuld over de materiële onzekerheid, corruptie, criminaliteit en sociale onthechting.

In Hongarije en Polen zijn inmiddels voormalige communisten aan de macht. Dit feit is een bewijs van de teleurstelling die bijna vijf jaar democratisch kapitalisme heeft opgeleverd, hoewel politici als de Hongaarse premier Horn weinig gemeen hebben met de gestaalde kaders van weleer en zich niet minder dan hun politieke voorgangers oriënteren op het Westen.

Indien echter ook de huidige machthebbers falen in hun pogingen het economische perspectief ten gunste van de bevolking te keren en toegang te krijgen tot NAVO en Europese Unie, kan ook in Midden-Europa de weg vrijkomen voor amokmakers van het slag Milosevic. In de naties van deze regio is het gevecht tussen het democratisch-tolerante en het autoritair-nationalistische kamp, dat tijdens het interbellum meestal in het voordeel van het laatste eindigde, nog allerminst beslecht.

Bovendien moet niet worden vergeten dat nog maar zeer kort voor het uitbreken van de gewelddadigheden in het voormalige Joegoslavië niemand een vermoeden had welke destructiedrift op het punt stond los te barsten. De tijd werkt zeker niet in het voordeel van de gematigde krachten in Centraal-Europa. Hoe langer het Westen de naties van deze regio laat aanmodderen in hun strijd tegen economische achterlijkheid, hoe groter de kans dat de politieke wanorde op een onverwacht moment toeslaat.

Instabiliteit in het achterland van Duitsland kan overslaan naar, in elk geval een schadelijke invloed hebben op, deze belangrijkste natie van de Europese Unie. Anders dan in de kwestie-Joegoslavië komt in dat geval de veiligheid van West-Europa direct in het geding.

De geweldsuitbarsting in dit Balkanland heeft ook laten zien hoe belangrijk preventie is: indien een etnisch conflict eenmaal is uitgebroken, wordt het voor de buitenwereld heel erg moeilijk alsnog succesvol tussenbeide te komen.

Het is dus duidelijk hoe belangrijk het is dat het Westen de Middeneuropese naties toelaat tot NAVO en EU. Het Atlantisch bondgenootschap zal bovendien zijn rol moeten uitbreiden en wellicht zelfs moeten verleggen naar een preventief georiënteerde pacificatietaak, gericht op het dempen van spanningen in en tussen de nieuwe lidstaten.

Overigens zal alleen al de openstelling van het lidmaatschap in deze landen stabiliserend werken. Daarnaast kan de stationering van VN-troepen - onder wie Amerikaanse manschappen - in het grensgebied tussen Macedonië en Griekenland als voorbeeld dienen van de nieuwe opdracht die de NAVO in Midden-Europa kan vervullen.

Deze taakverschuiving kan bovendien helpen om Moskou ervan te overtuigen dat de toetreding van de Middeneuropese naties tot de NAVO een bijdrage is aan de stabiliteit in het centrum van Europa die, evenals de integratie van het verenigde Duitsland in het Atlantisch bondgenootschap dat was, in het voordeel van Rusland is.

Datzelfde Duitsland is veroordeeld om binnen een vernieuwde NAVO tegemoet te komen aan het Amerikaanse verlangen partner in leadership te worden. Alleen dan zullen de Verenigde Staten wellicht bereid zijn een aandeel in de ordening van de Europese verhoudingen te leveren dat in militaire omvang als gevolg van electoraal-binnenlandse oorzaken niet meer dan beperkt kan zijn, maar in politiek opzicht essentieel en onvervangbaar blijft.

Bonn zal als grootste belanghebbende eventueel de verantwoordelijkheid moeten aanvaarden om, indien nodig en gewenst, in de buurstaten troepen te stationeren. De Duitsers zullen dus afscheid moeten nemen van de historisch-psychologisch begrijpelijke, maar voor de toekomst van Europa schadelijke Sonderweg van een passieve rol die - zie ook hier de kwestie-Joegoslavië - irritaties oproept bij de bondgenoten.

NEDERLAND kan in twee opzichten de Duitse regering helpen haar nieuwe opdracht zonder al te grote vertraging te aanvaarden. In de eerste plaats door een royale bereidheid te tonen troepen te leveren voor de nieuwe taken en op die wijze Bonn te ontlasten. De Nederlandse regering zou bovendien haar gesprekspartners in Bonn erop kunnen wijzen dat het niet alleen een Duits-nationaal maar ook een Europees belang is dat het verenigde Duitsland zo spoedig mogelijk de bereidheid toont in het nieuwe Europa zijn militaire macht ter beschikking te stellen voor de constructieve taak stabiliteit te exporteren.

Ronald Havenaar is verbonden aan de vakgroep nieuwe geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam.

Dit is de negende bijdrage in de serie over Nederland en Europa.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden