Europa sluit de ogen voor onderdrukking van Hongaren

WAAR Westeuropese politici in de ban zijn van de prille vrede in het door etnische conflicten verscheurde voormalige Joegoslavië en dit ook zijn neerslag vindt in de media, lijkt een ander etnisch probleem in Europa te worden onderschat....

Het betreft hier de positie van 3,5 miljoen Hongaren. Zij leven sinds de Vrede van Trianon in 1920 (toen Hongarije meer dan 60 procent van zijn territorium verloor), onder vaak zeer moeilijke omstandigheden als minderheidsgroepering in landen als Roemenië, Slowakije, Servië en Oekraïne.

Ondanks het feit dat deze driekwart eeuw durende problematiek met de dag nijpender wordt, krijgt zij vooralsnog niet de aandacht die ze verdient, helaas. Dit geldt overigens ook voor de positie van Roma's, Albanezen en andere minderheden in de regio. De repressieve politiek van de landen die deze minderheden binnen hun landsgrenzen hebben wonen, komt steeds meer aan de oppervlakte.

Het vallen van het IJzeren Gordijn eind jaren tachtig heeft bijgedragen aan de ontwikkeling en bewustwording van de culturele identiteit van de minderheden in Midden en Oost-Europa. In dat kader kan het streven van deze groepen naar zelfbeschikking en autonomie worden verklaard. Voortdurende repressie wakkert dit streven alleen maar aan. Zo onstaat een situatie die makkelijk kan escaleren.

Het Joegoslavische echec heeft onsgeleerd waar het onderschatten van al decennia sluimerende etnische spanningen uiteindelijk toe kan leiden. Inzicht in en betrokkenheid bij deze ontwikkelingen is daarom essentieel om de problemen beheersbaar te houden.

Helaas lijkt een gevoel van urgentie te ontbreken in de westerse politiek en Nederland is daarbij geen uitzondering. Soms krijg je de indruk dat men zelfs bewust de ogen sluit. Waarom wordt niet meer energie gestoken in het trachten te voorkomen van het escaleren van etnische problemen, zoals die van de Hongaarse minderheden in Oost-Europa?

Als het gaat om de etnische problemen in Midden- en Oost-Europa, is het moeilijk om Westeuropese ministers van Buitenlandse Zaken op een duidelijke visie te betrappen. Een voorbeeld hiervan is het dit jaar gesloten verdrag tussen Slowakije en Hongarije, dat ook de positie van de Hongaarse minderheid in Slowakije regardeerde.

Minister Van Mierlo zag samen met andere westerse bewindslieden dat verdrag als een belangrijk bewijs voor de groeiende rust en stabiliteit in de regio. Ondanks het feit dat de Hongaarse minderheid in Slowakije daar zelf in eerste aanleg grotendeels anders over dacht en ook in het Hongaarse parlement de voltallige oppositie tegen het verdrag stemde, schreef minister Van Mierlo in april van dit jaar dat het verdrag toch een 'belangrijke stap vooruit betekent in de verbetering van de wederzijdse relaties.'

Nog geen acht maanden later bleek hoezeer de bewindsman hier een verkeerde inschatting had gemaakt. Niet alleen is het verdrag nog steeds niet door de Slowaken geratificeerd, maar inmiddels heeft Bratislava een Taalwet aangenomen die de rechten van de Hongaarse minderheid stevig beknot.

Een Taalwet, die door de leider van de Hongaarse minderheid in Slowakije (Miklos Duray) als fascistisch werd bestempeld. De Hongaarse ambassadeur in Slowakije werd teruggeroepen en de Hongaarse en Slowaakse regeringsleiders Horn en Meciar rolden vechtend over straat. Geen echte verbetering van de relaties derhalve.

Het is nu aan de heer Van der Stoel om als minderhedencommissaris van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) met pendeldiplomatie trachten te redden wat er nog te redden valt.

Er zijn helaas nog meer voorbeelden van het ontbreken van besef van de importantie van de minderhedenproblematiek. Naast het Hongaars-Slowaaks verdrag betreft het hier onder meer de gewelddadige verdrijving van Hongaren uit hun huizen in Servië (Vojvodina) om plaats te maken voor uit de Krajina gevluchte Serviërs; de parlementaire behandeling in Roemenië van wetten die het gebruik van de Hongaarse taal beknotten en die forse gevangenisstraffen in het vooruitzicht stellen aan (Hongaarse) journalisten die leden van de Roemeense nomenklatoera en hun familieleden 'beledigen'.

Wanneer deze kwesties werden voorgelegd aan minister Van Mierlo kwam er telkenmale een nogal teleurstellend antwoord. Of het was 'een zaak van betrokken partijen', of er werd nog 'in het Roemeense parlement over gedebatteerd', of de 'aangelegenheid zou nauwlettend worden gevolgd'.

Natuurlijk kan van een Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken niet worden verlangd ijzer met handen te breken, noch mag zijn invloed op internationale ontwikkelingen worden overschat. Maar van onderschatting mag evenmin sprake zijn. Zoals Hongarije-kenner Laszlo Maracz het treffend verwoordt in zijn deze maand verschenen boek Hongaarse kentering, een politieke beschouwing over Midden-Europa, is de problematiek van de Hongaarse minderheden thans het grootste minderhedenvraagstuk in de regio, met een kracht en dynamiek die niet te stuiten zal zijn.

Het is dan ook noodzakelijk dat meer aandacht aan mensenrechten en in het bijzonder de positie van minderheden in Midden- en Oost-Europa wordt besteed, ook door de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken. Een actievere opstelling is gewenst. Het ontwikkelen van een goed doordachte visie op deze problemen zou een belangrijke stap in die richting kunnen zijn.

Zo moet de vraag worden gesteld of het continu beperken van de rechten van de Hongaarse minderheid door Slowakije en Roemenië negatieve consequenties moet hebben voor de kansen van deze landen om tot de Europese Unie en de NAVO toe te treden. Wij denken van wel.

MAAR niet alleen de eventuele toetreding van de voormalige Oostbloklanden tot de EU of de NAVO is relevant, ook de wijze waarop een verbetering van de positie en de rechten van de uit miljoenen mensen bestaande nationale Hongaarse gemeenschappen in de buurlanden van Hongarije kan worden bereikt.

Hiervoor is een gedegen eigen visie van de minister van Buitenlandse Zaken vereist, die zich niet kan verschuilen achter internationale organisaties zoals de OVSE en de Raad van Europa.

Jan Dirk Blaauw

Geert Wilders

De auteurs zijn respectievelijk lid en medewerker van de Tweede-Kamerfractie van de VVD.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.