Europa op zoek naar haar publiek

Het Europees Parlement lijkt eerder een hofmusicus dan een volkstribuun, meent de filosoof Luuk van Middelaar...

Moppen zijn misschien niet het eerste waaraan je denkt als het over Europa gaat. Maar ze zijn er wel. Zoals die over het verschil tussen hemel en hel. In de hemel zijn de politieagenten Engels, de ambtenaren Deens, de koks Frans, de minnaars Italiaans en de automonteurs Duits. In de hel daarentegen zijn de politieagenten Duits, de ambtenaren Italiaans, de koks Engels, de minnaars Deens en de automonteurs Frans. (Uit het in eigen beheer uitgegeven Hoezo Europeanen? Europese culturen en hun eigen aardigheden van Chris de Lange; info@uitgeverij-smit.nl). Flauw en een en al vooroordeel, maar erg herkenbaar, toch? Grappenderwijs wordt zo duidelijk dat vergeleken bij ‘wij Nederlanders’, ‘wij Polen’, of ‘wij Spanjaarden’, het ‘wij Europeanen’ nog altijd een abstractie is. Vanaf het moment, bijna zestig jaar geleden, dat zes West-Europese landen samen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in het leven riepen tot aan de nieuwste verkiezing van het Europese Parlement, komende week, heeft de integratie van Europa een met doornen bezaaid traject afgelegd. En het lijkt wel alsof er steeds meer doornen bij komen. De opkomst bij de Europese stembus is continu gedaald, van 63 procent, gemiddeld in de deelnemende landen, in 1979, tot 45 procent in 2004. Ook nu zijn de vooruitzichten weer niet rooskleurig.

Betekent dit dat ‘Europa’ zich in een neerwaartse spiraal bevindt, of zelfs dat de ‘ever closer union’ tussen de Europese volkeren tot mislukken is gedoemd? Politiek filosoof Luuk van Middelaar, zojuist cum laude gepromoveerd op het prachtig geschreven De passage naar Europa – Geschiedenis van een begin, gelooft daar niets van. Eurogelovigen en eurosceptici lijden volgens hem aan een ernstig misverstand; ‘ze doen alsof het Europese spel alleen op de Brusselse velden wordt gespeeld’. In werkelijkheid, zo betoogt Van Middelaar, klopt het hart van Europa niet in wat hij ‘de binnensfeer’ noemt, bij de Europese Commissie of in het Parlement. Evenmin natuurlijk bij de afzonderlijke, hun eigen belangen najagende staten, in de buitensfeer.

De motor van de Europese samenwerking is de ‘kring van de lidstaten’, tenminste als de leden gezamenlijk optreden. Van Middelaar noemt dit ‘de tussensfeer’, waar het er niet om gaat dat ieder afzonderlijk handelt, maar waar ‘een groeiend besef van gezamenlijke belangen’ de overhand heeft. Ten onrechte concentreert het debat over Europa zich volgens hem op de tegenstelling tussen supranationaal en intergouvernementeel, op de keuze tussen een federaal Europa en een losse samenwerking tussen staten. Europa krijgt vorm en inhoud in de tussensfeer waar ministers en regeringsleiders rond de tafel zitten. Want, schrijft Van Middelaar met aanstekelijke geestdrift, ‘de lidstaten samen in het volle ornaat van de gezamenlijke regeringen en bevolkingen zijn de Europese constituerende macht’.

Concreet manifesteert deze Europese dynamiek zich het sterkst in de Europese Raad, waarin de regeringsleiders periodiek bijeenkomen en knopen doorhakken. Alleen zij hebben het gezag om zich namens Europa tot Obama of Poetin te richten en zijn bij machte om de koers van de gemeenschap te bepalen. Ze zitten daar om tafel met het mandaat op zak van de kiezers thuis en met een dubbele pet op, een nationale en een Europese. En ze weten dat het hun missie is om namens Europa met één stem te spreken.

Het is een imponerend beeld, al valt er ook heel wat op af te dingen. Te denken valt aan de verlammende verdeeldheid ten tijde van de oorlogen in voormalig Joegoslavië en Irak. Of aan de teloorgang van de Europese grondwet. Van Middelaar is er tamelijk laconiek over. Hij erkent het falen in Bosnië, maar bij de crisis in Kosovo was Europa van de partij en tijdens de zomeroorlog in Georgië wist president Sarkozy zelfs een wapenstilstand te bereiken. En Sarkozy zou ‘als louter Fransman minder sterk hebben gestaan dan nu hij ‘namens Europa’ sprak’. Wat betreft de problemen met de grondwet en andere verdragswijzigingen verklaart Van Middelaar resoluut: ‘dat een nee-stem van één bevolking – Denemarken in 1992, Ierland in 2001 en 2008, Frankrijk en Nederland in 2005 – alles blokkeert, toont de zwakte van de kring ten opzichte van de leden. Dat toch steeds een oplossing wordt gevonden, toont zijn kracht’.

Die kracht bespeurt hij ook in de manier waarop Europa heeft gereageerd op de turbulente gebeurtenissen van 1989, toen – alweer zo’n fraai beeld – ‘de geschiedenis als een losgeslagen paard ruiterloos door de nacht van de Val van de Muur galoppeerde’. De grondslagen van de Europese samenwerking werden aangepast, al gebeurt dat struikelend, het aantal ‘leden van de kring’ groeide naar 27, waarmee de EU het geografische Europa begint te benaderen. Wie zou Van Middelaar willen tegenspreken als hij zegt dat het ‘miraculeus (zou) zijn wanneer de Zevenentwintig als bij toverslag in gesloten front de buitenwereld tegemoet traden’?

Niettemin blijft het een groot probleem dat Europa nauwelijks of niet tot de verbeelding van haar burgers spreekt. Van Middelaar erkent dat ruiterlijk: ‘Geen enkele politieke orde kan zonder een band met het publiek. Zonder tribune geen arena.’ Hij ontwaart drie manieren om de harten van de Europeanen te veroveren. Het bevorderen van een gevoel van Europese lotsverbondenheid, de ‘Duitse’ strategie, door het introduceren van symbolen als een Europese vlag en volkslied en door middel van een cultuurpolitiek die de diversiteit koestert en uitwisseling stimuleert. De resultaten zijn niet spectaculair. De tweede, ‘Romeinse’ strategie beoogt de burgers te doordringen van de voordelen die Europa biedt. Dat varieert van steun aan arme regio’s tot het bieden van de mogelijkheid om in andere lidstaten te wonen, werken en studeren. Hierover is Van Middelaar uitgesproken sceptisch. ‘De bedoeling was: fijn, ‘wij Europeanen’ mogen in 27 landen werken. Het resulterende publieke geluid: Poolse bouwvakkers komen ‘onze banen’ afpakken, door de schuld van Brussel.’ Hetzelfde negatieve effect heeft het steeds benadrukken dat Europa de moeite waard is, a Europe that delivers. Van Middelaar: ‘Europa werkt, dus niet weggooien.’ Wie dat steeds herhaalt, suggereert dat het gaat om een ding dat best weggegooid zou kunnen worden.’

Veelbelovender acht hij de derde ‘Griekse’ strategie, waarbij het publiek tegelijk toeschouwer en deelnemer is. Dat houdt in dat het publiek een stem krijgt in de (Europese) besluitvorming en dat de politiek zorgt voor drama, voor handelingen op het toneel die de toeschouwers boeien. Het Europees Parlement, moet ook Van Middelaar concluderen, is er niet in geslaagd zich op te werpen als de vox populi, ondanks het feit dat het van een aanvankelijk machteloos adviesorgaan is uitgegroeid tot medewetgever op tal van terreinen en in de Brusselse ‘binnenwereld’ tegenwoordig zeer serieus wordt genomen. Maar dit Parlement ‘is geen volkstribuun die met steun van de straat de machthebbers uitdaagt. Het lijkt eerder een hofmusicus, op zoek naar aandacht van de prins (bedoeld is de Europese Raad – A.B.), omdat achter de prins het publiek zit.’

In lijn met zijn waardering voor de (in de Europese Raad en de ministerraden) samenkomende nationale politici zoekt Van Middelaar het zo node gemiste publiek in diezelfde sfeer. ‘De Unie rust op het verzamelde nationale publiek. Dit oude publiek heeft een veel bejammerd nadeel: het is niet een, maar veelvoudig. Daar staat een groot voordeel tegenover: het bestaat. Het hoeft niet te worden geschapen, het is er al. De opdracht aan de gezamenlijkheid is de stemmen van dit oude publiek – eerst de parlementen dan de kiezers daarachter – in de Europese democratie te laten meeklinken.’

Mooi gezegd wederom, maar de vraag blijft: hoe? Hier wordt Van Middelaar helaas nogal vaag. ‘Virtuositeit in de Europese politiek toont (...) diegene die het lukt met zijn of haar voorstelling zowel het gezamenlijke als het afzonderlijke publiek te bekoren.’ Gezocht: een Europese slangenmens. En tenslotte: het Europese publiek ‘() zal pas geboeid raken wanneer het Europa (opnieuw) ziet als gezamenlijk antwoord op een grote geschiedenis die ‘ons’ raakt.’

Luuk van Middelaar kan niet genoeg geprezen worden voor het schrijven van een boek over Europa dat van a tot z boeit, vrij is van ieder technocratisch jargon en prikkelt tot nadenken over de (on)mogelijkheden van Europese politiek. Toch is ook fundamentele kritiek op zijn plaats: Van Middelaars Europese visie (hoera, hij hééft er een!) is in dubbel opzicht (te) idealistisch. In de eerste plaats omdat hij de wording van een politiek verenigd Europa schetst als een proces dat weliswaar met terugslagen te kampen heeft, maar in wezen onomkeerbaar is en voort zal gaan. Vandaar ook de ondertitel: Geschiedenis van een begin. Wat we nu meemaken is pas het begin, hoopt en gelooft hij.

Gezien de forse nationalistische tegenwind waarmee het Europese project momenteel in verschillende landen te maken heeft, is het nog maar de vraag of hij daarin gelijk heeft. De mogelijkheid dat Europa blijft voortmodderen of zelfs desintegreert, wordt terecht opengehouden door de Amsterdamse politicologen Jos de Beus en Jeannette Mak In hun – overigens veel conventionelere en minder boeiende – De kwestie Europa.

Idealistisch is Van Middelaars blik op Europa ook, omdat hij helemaal gericht is op de ‘hoge politiek’, de macht van ideeën, de overtuigingskracht van politici. Heel belangrijk, zeker, maar het gaat eraan voorbij dat zijn of niet zijn van een verenigd Europa in de eerste plaats afhangt van de vraag of de burgers in de oude en nieuwe lidstaten er in economisch en sociaal opzicht profijt van hebben. Niet voor niets was economische integratie het startpunt van de Europese samenwerking. Illustratief voor deze blinde vlek is dat Van Middelaar geen letter wijdt aan de economische crisis.

Die staat daarentegen juist centraal in De weg uit de crisis van de Belgische liberale oud-premier Guy Verhofstadt. Verhofstadt combineert bezorgdheid over ‘het protectionistische spook’ dat volgens hem de kop opsteekt met groot optimisme: ‘De afgelopen maanden is gebleken, zeker wat de euro betreft, dat Europa functioneert. Dat Europa niet het probleem is, maar de oplossing.’

Vervolgens schetst de Vlaamse politicus met een voor de tegenwoordige Nederlandse verhoudingen haast onvoorstelbaar geloof in de politieke maakbaarheid welke taken Europa op zich zou moeten nemen om de kredietcrisis te bezweren, de positie van Europa op een veranderend wereldtoneel te consolideren en de economie in een duurzaam groen jasje te steken. In plaats van 27 nationale reddingsplannen pleit Verhofstadt voor een gecoördineerde Europese aanpak op het niveau van de banken (regulering en toezicht), het stimuleren van de economie (‘een omvangrijk en grensoverschrijdend investeringsprogramma’) en duurzaamheid (weg van de ‘verouderde fossiele economie’).

Wie zou met droge ogen durven te beweren dat er op het vlak van de crisisbestrijding geen mogelijkheden liggen voor Europa om nieuwe goodwill te vergaren? Wellicht draaft Verhofstadt hier en daar wat door met zijn pleidooi voor een Europese sociaal-economische regering en convergentie van belasting- en pensioenstelsels. Maar het is wel verwonderlijk dat geluiden als die van Verhofstadt, het opkomen voor Europees engagement bij de crisisbestrijding, in Nederland helemaal nergens zijn te beluisteren. Zeker niet in liberale kring. Het kan nog interessant worden om de discussies hierover in de Europese liberale fractie (Verhofstadt is kandidaat) te volgen.

Tot slot nog even terug naar van Middelaar. Een van de weinige concrete punten waarvan hij veel verwacht, is het aanstellen van een vaste voorzitter van de Europese Raad, in Van Middelaars terminologie ‘een vaste tafelheer’.

Dat lijkt hem zo’n goed idee omdat deze persoon die leiding moet geven aan de beraadslagingen er dan als enige niet met een dubbele pet, maar alleen namens Europa zit. Daar valt tegen in te brengen dat de ervaringen met een soort minister van Buitenlandse Zaken (Hoge Vertegenwoordiger van Europa) niet erg bemoedigend zijn. De Spaanse oud-premier Javier Solana genoot als secretaris-generaal van de NAVO aanzien, maar krabbelde als Europees Hoge Vertegenwoordiger moeizaam voort, omdat hij daar te maken had met een hopeloos verdeeld Europees gezelschap en niet op een eigen mandaat kon terugvallen.

Dat eigen mandaat, ligt daar niet des Pudels Kern? Wordt het niet eens tijd om een lans te breken voor een gekozen vaste tafelheer, voor echte Europese presidentsverkiezingen?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden