Europa, hoe lang nog?

Europa wil sterker worden, maar dreigt ook te fragmenteren. Van de Europese leiders wordt stuurmanskunst gevraagd. Het schip Europa mag niet zinken....

In de luwte van de frontale botsing tussen westerse bondgenoten over Irak, werkten de leden van de Europese Conventie vijftien maanden lang aan een nieuw grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie. Vrijdag presenteerde voorzitter Giscard d'Estaing het resultaat aan de Europese regeringsleiders in het Griekse Porto Karras. Hoewel Giscard claimt dat Europa met 'zijn' grondwet voor de komende komende jaar af is, rijst steeds meer de vraag of dat verenigde Europa over een halve eeuw nog wel zal bestaan. Dat is de paradox van de Europese integratie sinds het einde van de Koude Oorlog: hoe groter Europa wordt en hoe meer macht de Brusselse wetgevers zichzelf schenken - des te groter wordt ook de twijfel aan de legitimiteit en de houdbaarheid van het hele bouwwerk.

Ook de Europese politiek opereert tenslotte niet in een vacuum, maar staat bloot aan de fragmenterende krachten die loskwamen met het einde van de Koude Oorlog. Europeanen hebben tot dusver meer oog voor de manifestatie daarvan elders in de wereld - bijvoorbeeld in de vorm van uiteenvallende staten of van 'Amerikaans unilateralisme' - dan bij zichzelf.

De VS eisen als laatste supermogendheid inderdaad hun bewegingsvrijheid in de wereld op. Maar die zucht naar nationale bewegingsvrijheid is ook in Europa nog springlevend, al verschuilt hij zich vaak achter Europese samenwerking of weet zich te hullen in de mantel van 'Europese integratie'.

Maar in de Irak-crisis werd bevestigd wat ook al waarneembaar was in de erosie van het Stabiliteitspact en in de aarzeling van landen om, zelfs in het aangezicht van de grote uitbreiding van de EU, noodzakelijke 'Europese oplossingen' door te voeren: de blijvende kracht van de nationale reflex in de Europese politiek.

Conventieleden die in een marmeren paleis over 'versterkte samenwerking' in het buitenlands beleid discussiëren terwijl buiten op straat Europa's leiders met elkaar en met de VS op de vuist gaan over Irak - dat is het moderne Europa. De acrobatiek die nodig is om het eens te worden tussen vijftien, straks 25 spelers, is blijkbaar dermate veeleisend, dat er weinig tijd of energie overblijft om uit het raam te kijken.

Zulke tegenstrijdigheden ogen ridicuul, maar ze hebben hun functie. Immers, Europese landen hebben behalve hun sterke hang naar eigen identiteit en eigen keuzes, een ding gemeen: ze kunnen veel van hun nationale belangen (welvaart, veiligheid) alleen veiligstellen in grotere verbanden. Dus zijn ze gewend harde nationale belangen te vertalen in hooggestemde, multinationale taal. En dus wedijvert de neiging tot overheveling van taken aan Brussel als dat het nationaal belang dient constant met het instinct zich tegen het 'ondemocratische' Brussel af te zetten als daar de regels in onwelgevallige zin worden aangepast.

Dit Europa van eeuwige nationale belangenbehartiging is een fascinerend schouwspel, waarin elk land vroeg of laat zijn ziel bloot legt. Zo ook gebeurde in de Conventie. Wat bepaalt de identiteit van een land? Datgene wat hij niet aan 'Europa' wil afstaan. Voor de Fransen is dat de bescherming van Franse kunstenaars onder de 'culturele uitzonderingswet', voor de Britten en vele anderen is dat belastingheffing, de essentie van de staatsmacht. En de Nederlanders? Die gaan op de barricades voor het behoud van de coffeeshop en de methadonbus. Zulke kwesties zijn zo verknoopt met de identiteit van lidstaten dat Brussel zich er beter verre van houdt.

Toch gebeurt dit niet. De competentie van de Unie breidt zich als een inktvlek uit over tal van zaken die het leven van de burgers van lidstaten ingrijpend kunnen beinvloeden en waarvan op voorhand absoluut niet duidelijk is dat ze op Europees niveau geregeld moeten worden. Dat levert een steeds groter democratisch tekort op, dat alleen gevuld kan worden als duidelijkheid bestaat over de aard van de Europese integratie.

Want wat is de Europese Unie? Een federale staat in de knop of een internationale organisatie, een permanente onderhandelingsgemeenschap? In het eerste geval zou de democratische controle binnen de Unie dramatisch versterkt moeten worden, in het tweede geval verleent vooral de instemming van democratisch gekozen nationale politici in de Europese Raad legitimiteit aan 'Europese' besluiten. Maar het antwoord is altijd 'allebei', waarmee de democratische controle verder wegsijpelt.

Zo ook in de Conventie. Die versterkt alle instellingen: de Commissie, het Parlement en de Raad. Tegelijk wordt besluitvorming per meerderheid fors uitgebreid. Kortom, terwijl grote landen blij zijn met de nieuwe macht voor de Raad, en kleine landen nog steeds geloven dat de ondoorzichtige Commissie hun belangen zal waarborgen, resteert de Europese burger de slotsom dat hun politici opnieuw een deel van de nationale soevereiniteit (die immers bij de kiezers berust, niet bij de gekozenen) hebben verkwanseld.

Zoiets gaat goed zolang 'Europa' genoeg tastbare resultaten oplevert, maar het kan uiteindelijk - en zeker met 25 lidstaten - ook een keer fout gaan. Wat nu als burgers uit de nieuwe lidstaten straks concluderen: we hebben een groot deel van onze vrijheid kort na de bevrijding van de Sovjets opnieuw opgegeven, maar er door de vrekkigheid van onze mede-Europeanen niets voor terug gekregen?

Er valt veel voor te zeggen dat die Europese burger het wegsijpelen van zijn democratische grondrechten maar op de koop toe moet nemen, omdat 'Europa' de belangrijkste bron van vrede en welvaart is op dit continent. De wereld wordt ruiger, zij verbrokkelt langs etnische en religieuze lijnen, grote staten verliezen hun monopolie op massavernietigingswapens, anti-westers terrorisme rukt op. Is in zo'n wereld een krachtige Unie niet hoogstnodig om de fragmenterende krachten de baas te blijven?

Is de Unie ook niet hét wapen om enige invloed te behouden op externe krachten, zoals de economische mondialisering, de volksverhuizing van arme naar rijke landen, of het buitenlands beleid van de VS? Wat Europese burgers daar ook van vinden, ze stemmen keer op keer op politici die die vraag positief beantwoorden.

De Unie is dus het gepantserde schip dat de welvaart en democratie in het continent moet bewaken en bevorderen. Een bijzonder schip bovendien, dat de bemanningsleden niet alleen bescherming moet bieden tegen storm en ontij maar ook tegen elkaar. Dit laatste vanwege het historische gegroeide instinct elkaar, vaak om verheven redenen, de hersenpan in te slaan.

V

ijftig jaar hebben Europeanen onder Amerikaanse bescherming aan hun schip gewerkt. Maar de afgelopen tien jaar is het klimaat veranderd. De twee fundamenten waarop Europa gebouwd is, de tastbare herinnering aan de wereldoorlogen en de aanwezigheid van de VS als 'gelijkmaker' van Europese machtsverschillen, eroderen. De onlosmakelijke band tussen transatlantische bondgenoten, tot voor kort nog zo vanzelfsprekend, vergt nu aan beide zijden van de oceaan een keuze.

Een moeilijke keuze, zo is gebleken.

In de VS worstelt de verlokking van hegemoniale almacht met het welbegrepen eigenbelang van zelfbeheersing en zelfbeperking. In Europese landen strijdt de verlokking van 'emancipatie'

- vooral van de afhankelijkheid van de Amerikanen - tegen de zelfkennis over de eigen beperkingen en het gezonde verstand. Aan beide zijden wordt de keuze bemoeilijkt door de verlokking van het unilateralisme, de zucht naar bewegingsvrijheid.

Waar dit toe kan leiden, is sinds de scheuring van het Westen over Irak duidelijk. Het bijzondere aan die crisis waren niet de diepe meningsverschillen tussen bondgenoten, maar het feit dat deze uitmondden in actieve pogingen van Europese tegenstanders om het Amerikaans-Britse optreden politiek en juridisch zoveel mogelijk te ondermijnen. Deze torpedopolitiek, die Saddam Hussein en het Iraakse verzet een hart onder de riem stak, 'de ontploffing van de Arabische straat' dichterbij bracht en die - bij een slechter verloop van de oorlog - had kunnen uitmonden in een permanente scheuring van het Westen. Een uitkomst die ook de Europese politiek honderd jaar in de tijd had kunnen terugslingeren.

Dat is wat oud-bondskanselier en Europeaan Helmut Kohl zijn opvolger aanrekent in een recent interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Kohl verwijt de roodgroene coalitie van Gerhard Schröder 'dom anti-Amerikanisme' dat, samen met het vroege en categorische 'Nee' tegen elk optreden tegen Irak in of buiten VN-kader, aan de basis stond van Europese verdeeldheid en het latere Franse verzet tegen de oorlog.

'Voor mij staat vast', zegt Kohl in dat interview, 'dat zonder Schröders vroege Nee president Chirac daaraan nooit het veto verbonden had. Parijs kon toezien hoe Schröder en de bondsregering bereid waren de buitenlands-politieke grondregels van Duitsland van de laatste decennia overboord te gooien. (...) Bijzonder dom was de voorstelling van zaken dat als wij samen met de Fransen een anti-Amerikaanse positie zouden innemen, hiermee de Europese ontwikkeling gediend zou zijn. De waarheid is dat de Fransen de eerste gelegenheid zullen aangrijpen om weer met de Amerikanen in het reine te komen. Op het eind blijven wij over met onze ''Duitse weg'', waarmee we onszelf buitenspel zetten.'

Bij de presentatie van zijn ontwerptekst zei de Franse staatsman Giscard d'Estaing vorige week dat Europa op de drempel staat van een nieuw tijdperk. Maar welk tijdperk? De oer-Europeaan Helmut Kohl deinst er ook in 2003 niet voor terug te spreken van 'grondregels' waar Duitsland altijd vanuit is gegaan - 'van Konrad Adenauer tot mijzelf'. Grondregels die hetzelfde zijn gebleven, 'al zijn details veranderd in de afgelopen decennia', en uitgaan van 'twee gelijkwaardige pijlers, de bouw van het Europese huis en de transatlantische vriendschap'. Kun je die regels, waarop niet alleen een stabiel en democratisch Duitsland is gebouwd maar ook een welvarend Europa, straffeloos schenden zonder werkbaar alternatief?

Een dergelijke vraag kunnen de Fransen die strijden voor een 'multipolaire orde' zich ook stellen. De Franse president Charles de Gaulle, altijd en overal bereid op te staan tegen 'de Angelsaksen', liet in 1962 een bericht uitgaan waarin hij het parlement liet weten dat het Atlantisch bondgenootschap 'op dit moment noodzakelijk is voor de verdediging van de vrije wereld'. Is dit niet nog steeds uitgangspunt van de Franse diplomatie?

Een nieuwe generatie Europese leiders zal zich dit soort vragen moeten stellen, want niemand ziet het Europese schip graag zien zinken voor het goed en wel de veilige thuishaven heeft verlaten.

Onderwijl moet het 'nieuwe Europa', voorzien van grondwet en veiligheidsstrategie, het nog steeds stellen zonder kompas of kapitein, maar met een snel groeiend aantal stuurlui. Misschien is het beter de Europese ambities daaraan aan te passen. Laat het een schip zijn waar altijd druk wordt gefilosofeerd over de koers, maar met slechts een werkelijk doel: niet zinken, iedereen aan boord houden en zoveel mogelijk gelijkgezinde buren aan boord helpen of op sleeptouw nemen. Een uitdijende gemeenschap van democratieën, die om zich heen gestaag een zone van welzijn en stabiliteit schept - is dat niet Europa's ware bijdrage in de mondiale 'oorlog' tegen fragmenterende krachten?

Als dat enige anarchie aan boord oplevert, het zij zo. Zolang pogingen deze te beteugelen erop neerkomen dat alle opvarenden steeds meer van hun resterende privacy worden beroofd, wordt het tijd pas op de plaats te maken. De democratie verstikken om haar te redden, daar trapt de Europese burger uiteindelijk niet in. Dan krijg je muiterij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden