Column

Europa blijft zwaar leunen op de VS

Het Lagerhuis had nog maar net gestemd over uitbreiding van de militaire operaties tegen Islamitische Staat, of vanaf een Britse luchtmachtbasis op Cyprus stegen vier Tornado's op om een belangrijke olie-installatie in Oost-Syrië te bombarderen. Een geslaagde missie, zo werd na afloop meegedeeld.

Hollande en Cameron bij een ontmoeting eind november om te overleggen over de Britse bijdrage aan de strijd tegen ISBeeld epa

Dat zou goed nieuws moeten zijn, maar ik word er een beetje mismoedig van. Want de luchtoorlog tegen IS duurt nu al ruim veertien maanden. Je zou denken dat alle doelen van strategisch belang - zoals installaties waarmee olie wordt gewonnen en het kalifaat zichzelf de nodige inkomsten verschaft - inmiddels afdoende zijn geraakt. Niet dus.

Ja, iedereen is ervan doordrongen dat een luchtoorlog beperkingen heeft. En we weten ook dat de anti-IS-coalitie veel weg heeft van een gelegenheidsorkest waarin de strijkers Beethoven spelen, de blazers Dvorak en het slagwerk maar wat improviseert - om maar te zwijgen van de afwijkende partituren die de ensembles uit Rusland en Iran volgen. Dat neemt allemaal niet weg dat het effect van de bombardementen op Syrië - voor het overgrote deel uitgevoerd door de meest geavanceerde en geoefende luchtmacht ter wereld, namelijk de Amerikaanse - onthutsend beperkt is.

Washington heeft Nederland nu gevraagd om IS niet alleen in Irak maar ook in Syrië te bestrijden. Er is veel voor te zeggen om dit verzoek in te willigen. Als politiek signaal en als teken van bondgenootschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Bovendien zijn er geen zwaarwegende volkenrechtelijke bezwaren. Maar gelet op de matige voortgang van de luchtcampagne moet ernstig worden betwijfeld of het enige zin heeft dat Nederlandse F-16's incidenteel een bombardementje op een Syrisch doel gaan uitvoeren.

Allicht valt een nuttiger taak te bedenken in de sfeer van training en bewapening van Syrisch-Koerdische strijdgroepen. Maar het probleem met de diverse stappen die nu in de Europese hoofdsteden worden overwogen, is dat ze druppels op een gloeiende plaat lijken. Nog zoiets om mismoedig van te worden: de extra Duitse bijdrage aan de strijd tegen het kalifaat. Er wordt een fregat naar de Middellandse Zee gedirigeerd om het Franse vliegdekschip Charles de Gaulle te beschermen. En er gaan een paar verkennings- en tankvliegtuigen naar het strijdgebied.

Gezien de - terechte - beduchtheid die de Duitsers sinds de Tweede Wereldoorlog aan de dag hebben gelegd om een geprononceerde militaire rol te vervullen, valt dat niet eens tegen. Maar we hebben het hier wel over een leidende Europese mogendheid, die op het politieke en economische vlak vaak de toon zet. Die mogendheid laat het vergaand afweten als het om defensiezaken gaat. De Bundeswehr heeft meer weg van een poedel dan van een Duitse herdershond, zo verzuchtte onlangs een voormalige hoge militair uit een buurland. Deze militaire zwakte straalt af op heel Europa.

Door het hardhandige Russische optreden en de terroristische dreiging is de tijd nu wel voorbij dat Europese landen onbekommerd hun uitgaven voor defensie en andere veiligheidstaken lieten dalen. Maar van een resolute ommekeer is evenmin sprake. Ook het Europese solidariteitsbesef blijft achter bij wat je gezien de toegenomen spanningen zou verwachten.

Daarbij springt de houding van de Duitsers wederom het meest in het oog. Een half jaar geleden hield onderzoeksbureau Pew een peiling in acht grote NAVO-landen. Focus was de crisis rond Oekraïne. Een van de opmerkelijkste bevindingen was dat 58 procent van de Duitsers zich uitsprak tegen het principe dat een ander NAVO-land militair te hulp wordt geschoten in het geval van Russische agressie - iets waartoe de lidstaten verplicht zijn vanwege artikel 5 van het handvest van de organisatie. Ook in andere landen werd geen onbetwiste steun aan het collectieve veiligheidsbeginsel geregistreerd, maar nergens was de weerstand zo groot. Saillant detail: 68 procent van de Duitsers zei er wel op te rekenen dat de VS voor de Europese bondgenoten in de bres zouden springen.

Een van de lessen van het Iraaks-Syrische strijdtoneel lijkt me nu juist dat we niet blind kunnen varen op het Amerikaanse leiderschap. Zeker, voor het oplossen van grote problemen en dus ook voor het bezweren van grote gevaren is Amerika nog steeds de 'onmisbare natie'. Maar de strijd tegen IS wordt door de huidige president duidelijk met low intensity gevoerd, ook al is totale ontmanteling van het kalifaat het officiële doel. Het is pijnlijk om te zien hoe zeer Europa daardoor in verlegenheid wordt gebracht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden